Luc van Esch, Hans Maas en Job Redelaar (acteurs, performers moet je eigenlijk zeggen) en Moniek Merkx (regisseur) hebben deze krankzinnige situatie bedacht. Op het kale speelvlak liggen drie ondiepe bakken (de omtrek van een lijkkist) gevuld met water. Achterin hangen zwarte gordijnen met een ruime kier. Rechts staat een geluidsinstallatie die door de acteurs wordt bediend. Links hangt een batterij rode spots. Meteen aan het begin dansen de drie jongens op wilde (house-?) muziek. Daarna gaat de ultieme pil naar binnen. Ze controleren elkaar - niet stiekem onder de tong houden, maar doorbijten en daarna slikken, zodat er geen weg meer terug is.
Na het doorslikken is er eerst verwarring. Wat nu? Hoe vullen we de tijd? Wat daarop volgt is bijna met geen pen te beschrijven. Ook omdat het de verrassing van De gladiolen zou prijsgeven. Oké, goed, een paar observaties. Luc van Esch kleedt zich poedelnaakt uit, gaat in de meest vooraan geplaatste ‘doodskistwaterbak’ liggen, maakt kunstmatige bloedsporen op zijn lijf, en vraagt een van zijn maten een gedicht van Rimbaud te lezen. Kort daarop trekt hij een onderjurk aan, waarin hij de rest van de avond blijft rondbanjeren. Job Redelaar hult zich in de outfit van een ruige motorrijder. Hans Maas vraagt mensen uit het publiek om voluit met de vuist op zijn buik te slaan - ik was één van de slachtoffers en merkte met hoe weinig kracht ik iemand recht op zijn navel kan raken. De acteur oogde nogal teleurgesteld. Ik was voor het eerst van mijn kijkersleven een keertje niet tegen publieksparticipatie. Job Redelaar wil een kind. Beetje late ontdekking - in het zicht van de dood. Ergens achter in het speelvlak stort hij buiten beeld zijn zaad in een koker. De draagmoeder heeft hij al uit het publiek gekozen. Ze kan de koker na afloop bij de kassa afhalen. Hans Maas danst goddelijk mooi op een melodie-van-niks, waarin om seks op het strand wordt gevraagd. Ondertussen overgiet hij zich met een vla & yoghurt-combi. En hij baadt ruimschoots in zijn ‘doodskistwaterbak’.
Deze drie jongens schamen zich helemaal nergens meer voor. Dat is ook de kracht van de voorstelling: gêne, schuld en boete voorbij, we gaan nu - soms achter de eigen rug om - doen wat we willen. Ook als we niet weten wat we willen. Dan zoeken we er alsnog naar. In dat ene uur dat het nog kan. Luc van Esch (van stonde af aan met een niet-gespeelde naïviteit), Hans Maas (aanvankelijk stug, maar als-ie losbarst gaan ook alle poriën open) en Job Redelaar (radeloos kwetsbaar in zijn spel) slepen de toeschouwer schijnbaar moeiteloos de avond door. Een pijnlijke en wanhopige avond.
Die twee vergissingen kent. De opening en de epiloog. Na de openingsdans ondertitelen de drie nadrukkelijk het slikken van de pil-van-de-dood. Ze leggen de daad uit. Dat is verkeerd, want overbodig. Wij hebben ook zonder die uitleg na tien minuten wel door wat er aan de hand is. Niet doen dus, heren. De epiloog is tekstueel helemaal verkeerd. De mannen hebben zich in witte jurken gestoken en draaien op zachte muziek rondjes op het speelvlak - een bloedstollend mooi tegenbeeld voor de ruige opening. Via de geluidsinstallatie horen we teksten, jawel: hun afscheidsbrieven. Zeer verkeerd is dat, want sentimenteel, uitleggerig, overbodige emotionele flauwekul. Foei, heren, uw slotbeeld is zo mooi - maar die teksten slaan alles dood, als bier in een te vet glas. Laat desnoods wat gestamel horen. De zelfgekozen dood is immers stotteren, nooit een fraaie afscheidsbrief als rechtvaardiging ervan. Voor de rest is De gladiolen een buitengewoon mooie, emotionerende en zeer moedige voorstelling.