KUNST: Anselm Kiefer

Niet te tillen

De twee galeristen wisten tot een klein half jaar vóór de opening half oktober niet dat ze beiden hun nieuwe mega-locaties aan de rand van Parijs zouden inwijden met werk van dezelfde kunstenaar.

Toch had alleen al Rijksmuseum-directeur Wim Pijbes hun kunnen vertellen dat je van een onberekenbare vedette als Anselm Kiefer alles kunt verwachten. Pijbes moest zich vorig jaar in de meest bizarre verbale bochten wringen om te verklaren waarom Kiefer de uitnodiging om zich te laten inspireren door de Nachtwacht bleek te hebben gebruikt om Rembrandt met een kolossaal werk volkomen te negeren. In dit geval bezwoer galerist Thaddaeus Ropac dat hij ‘heel relaxed’ was over de verrassing Kiefer te moeten delen met concurrent Larry Gagosian. Dat beet elkaar helemaal niet want, zei hij, bij hem was geheel ander nieuw werk van de kunstenaar te zien en de extra media-aandacht was alleen maar gunstig, óók voor het gebied in Parijs waar de nieuwe locaties zijn gevestigd.

Die locaties zijn inderdaad opmerkelijk. Want waarom kiest Ropac, die al een fikse galerie heeft in Le Marais, waar de meeste galeries huizen, voor Pantin, een verre buitenwijk die ondanks de kantoren van Hermès, Gucci en Chanel maar niet attractief wil worden? Nog verder naar het noordoosten zit Gagosian op het terrein van luchthaven Le Bourget, vanaf de metro een wandeling van twintig minuten door een troosteloos industriegebied. Maar wie spreekt hier van de metro? Le Bourget is de perfecte landingsplaats voor privé-vliegtuigen, en die brengen de grootclientèle waar het bij beide grootgaleristen werkelijk om draait.

Groot is het modewoord. De verbouwde hangar (Gagosian) en verwarmingsketelfabriek (Ropac) zijn groot, de namen van de betreffende architecten zijn groot (Jean Nouvel; Buttazzoni Associés), de faam van de kunstenaar is groot en zijn kunstwerken zijn materieel en immaterieel volledig op dit alles toegesneden.

Voor Gagosian heeft de in 1945 in Duitsland geboren Kiefer zoals zo vaak gekozen voor een thema dat naar de Duitse geschiedenis verwijst: het ‘Morgenthau Plan’. Een reusachtige, vijf meter hoge kooi waarin op een zanderige ondergrond slordig dooreen gehusselde hopen gedroogde korenhalmen liggen, verwijst naar het idee van de voormalige Amerikaanse minister van Financiën Henry Morgenthau om het verslagen Duitsland na de Tweede Wereld­oorlog in een pre-industriële, agrarische staat te veranderen. Een monsterlijk, wraakzuchtig idee natuurlijk, en de kunstenaar lijkt het alsnog te willen bezweren met een theatrale, persoonlijke symboliek: een loden boek, een slang van terracotta en een stenen trog staan voor lucht, vuur en water. Maar dat is niet alles: iedere korenaar is met de hand met goud beschilderd, ‘alsof het schilderijen zijn’, heeft Kiefer toegelicht. Ongelooflijk veel werk, maar het doet niet wat het beoogt, leven blazen in een dode massa.

Waarom niet? Diezelfde vraag komt op bij Ropac. Het thema hier is niet te tillen: ‘Die Ungeborenen’. En ook nu weer de van Kiefer overbekende wagneriaanse dramatiek, referenties aan mythen, rituelen, de gnosis, alchemie, de poëzie van Paul Celan, alles ondergebracht in sculpturen en schilderijen die bijna bezwijken onder het gewicht van de dikke lagen verf, glas, aarde, gips, takken, vliegtuigvleugels, weegschalen, wasachtige foetussen, zaden, gedroogde zonnebloemen en wat de kunstenaar nog meer nodig leek om zijn onderwerp oneindige diepte te geven. Het werkt niet. Je blijft maar haken aan die materiële overdaad, die complexe kieferiaanse symboliek waarvoor, om de bezoeker en koper behulpzaam te zijn, de galerie een Kiefer-glossarium heeft samengesteld. Alleen in schilderijen met woeste bloemenvelden die zich met geweld lijken te hebben ontrukt aan een rauwe, duistere grond, zie je waar Kiefer toe in staat is als hij ophoudt Kiefer te zijn die Kiefers maakt.


Anselm Kiefer in Parijs, tot 26 januari 2013 in de Gagosian Gallery en tot 27 januari in Galerie Thaddaeus Ropac (Paris Pantin)