INTERVIEW: Wim boonstra

«Niet te veel doemverhalen uitstorten»

De economische bloei bewijst nog niet het gelijk van dit kabinet, vindt Rabobank-topeconoom en criticaster Wim Boonstra. «Alles wordt benaderd vanuit angst. Ik kan dat als econoom én als mens niet verklaren.»

Zulke mooie cijfers als afgelopen week kon het Centraal Planbureau (cpb) deze eeuw nog niet vaak presenteren. Na de langste periode van laagconjunctuur in vijftig jaar was de toonzetting van het Centraal Economisch Plan, waarvan de conclusies eind maart al bekend werden gemaakt, dit jaar eindelijk eens positief. De werkgelegenheid trekt aan, de uitvoer en de investeringen herstellen zich, zelfs de burger gaat langzaam maar zeker meer geld uitgeven. En warempel: de cpb-ramingen voor de economische groei komen ineens heel aardig overeen met de cijfers in het door het kabinet in 2003 afgesloten Hoofdlijnenakkoord. Heeft Gerrit Zalm dan toch beter gerekend dan zijn critici?Daar wil Wim Boonstra, hoofd onderzoek bij de Rabobank, niets van weten. Regelmatig uitte hij de afgelopen jaren via de media zijn onvrede over het gevoerde economische beleid. Als econoom in dienst van het «grootkapitaal» mag hij met recht een criticus uit onverdachte hoek worden genoemd. Nederland is de laagconjunctuur te boven, geeft hij toe, maar de dip was dieper en langer dan nodig. Met dank aan het gevoerde regeringsbeleid.Toch geven de cijfers het kabinet gelijk.Wim Boonstra: «De conjunctuur herstelt dit jaar, inderdaad. Dat is ook zo getimed. Maar het neemt niet weg dat daar een aantal heel beroerde jaren aan voorafgegaan is. Nederland is de afgelopen drie jaar de slechtst presterende economie van Europa geweest, in plaats van de best presterende zoals in de jaren negentig. Neem nu de arbeidsmarkt. De werkloosheid moet eerst weer halveren om op het niveau te komen waar zij vier jaar geleden stond. Alle ogen waren de afgelopen jaren te eenzijdig gericht op loonmatiging. Wat de gevolgen voor de koopkracht waren, stond niet op de politieke agenda. Dat heeft een enorme impact op de economische groei gehad. Als de particuliere consumptie niet groeit, trekt de economie niet of nauwelijks aan. Was daar meer aandacht voor geweest, dan had de economie er nu beter voor gestaan en was de werkloosheid een stuk minder groot geweest.»Is het dan allemaal de schuld van het kabinet?«Het ligt nooit zo zwart-wit. Iets wat je achteraf moet constateren – daar kan niemand iets aan doen – is dat de economische cijfers over de afgelopen jaren behoorlijk zijn bijgesteld. Toen het kabinet-Balkenende II aantrad, heerste er een crisisgevoel. De cijfers vielen erg tegen. Als het cbs er vervolgens drie jaar later nog eens goed overheen rekent en ziet dat het eigenlijk wel meeviel, dan is dat zuur.De enorme economische groei van de jaren negentig was voor een deel sowieso niet houdbaar. De werkloosheid was te laag: lonen explodeerden en goed personeel was op een gegeven moment niet meer te krijgen. Direct na de eeuwwisseling heeft ook de wereldeconomie een dip gehad. Dat Nederland het als open economie minder goed deed, lag dan ook in de lijn der verwachtingen. Zoiets kun je niet aan dit kabinet toeschrijven. Bovendien: als ik minister van Financiën was geweest in de nadagen van Paars II was ik afgetreden omdat ik had vertikt mee te werken aan die geldsmijterij. Na 25 jaar was er eindelijk een overschot op de begroting. Dat is te makkelijk weggegeven. Had men toen wat beter op de centen gepast, dan waren heel veel latere ingrepen niet nodig geweest. Dat het de eerste jaren van deze eeuw slechter ging, was dus niet de schuld van dit kabinet. Maar daarna! 2004 was een topjaar voor de wereldeconomie. Dat is volledig aan Nederland voorbijgegaan.»Met een ander beleid was de dip dus al in 2004 achter de rug geweest?«Dan hadden we er eerder uit kunnen komen, ja. Dan waren ingrepen in de sociale zekerheid ook geleidelijker gegaan: minder haastwerk. Want wat nu als koopkrachtondersteuning wordt gepresenteerd, is vaak niet meer dan reparatie van eerder aangerichte schade. Volgens het cpb zijn er trouwens nog steeds een miljoen mensen die er dit jaar in koopkracht op achteruit gaan. Maar goed, ik denk dat het kabinet hetzelfde had kunnen bereiken zonder al die maatschappelijke onrust. Want het Museumplein heeft toch wel heel erg vol gestaan.Het was ook niet alleen het koopkrachtbeleid. Ons tweede kritiekpunt als Rabobank is misschien nog wel ernstiger. Het kabinet zette de afgelopen jaren heel zwaar in op alles wat mis zou zijn in dit land. Onze stelling is steeds geweest: Nederland heeft een gezonde economie. Er zijn wel een paar aandachtspunten naar de toekomst toe, je moet je ogen er niet voor sluiten, maar je moet ook niet te veel doemverhalen over de mensen uitstorten. Daarmee ondermijn je het vertrouwensklimaat. Dan investeren ondernemers niet en geven consumenten geen geld uit. Je moet een eerlijk verhaal naar de mensen toe vertellen.» Is dat niet een beetje gemakkelijke kritiek? Zonder Geel Gevaar kun je geen bezuinigingen doordrukken.

Wim Boonstra: «Als je een belangrijk veranderingsproces in gang wilt zetten, heb je inderdaad urgentie nodig. Maar de juiste dosering is daarbij cruciaal. Is er geen urgentie, dan gebeurt er niks. Schiet je door in doemscenario’s, dan creëer je angst. Zo verdwijnt het vertrouwen; sla je mensen plat. In mijn beleving is het kabinet hier aan het begin van zijn periode in doorgeschoten. Zonder eerst eens te kijken naar waar Nederland sterk in is. We zijn een klein land en toch de zesde exporteur ter wereld! Dat waren we in 1975 en dat zijn we nog steeds. Al die doemverhalen over bedrijven die vertrekken naar China: als je de statistieken erop nakijkt, valt dat reuze mee. Het zou me niet eens verbazen als Nederland per saldo bijna evenveel in China investeert als omgekeerd. De concurrentiepositie van Nederland is helemaal niet zo slecht. Zij is inderdaad verslechterd in de jaren negentig, maar wel vanaf het beste punt dat ze ooit had. Als jij tweehonderd kilometer per uur rijdt en je remt af naar 180, dan rijd je nog steeds hard. Bovendien zijn de loonkosten maar een klein deel van de totale bedrijfskosten. Het is weinig zinvol daar je hele beleid op af te stemmen, terwijl je volstrekt blind bent voor het feit dat je met loonmatiging de consumptieve bestedingen zwaar onder druk zet. Dat treft het midden- en kleinbedrijf. Dat is veel meer binnenlands georiënteerd dan een groot bedrijf en het is ook veel arbeidsintensiever. Het kabinet heeft daar een blinde vlek voor gehad.»Waar komt die blinde vlek dan vandaan? «Dit land heeft iets met loonmatiging. Ik heb eens iemand horen zeggen dat zelfkastijding in de calvinistische traditie past. Maar waarom komen buitenlandse ondernemingen hier? Niet omdat de loonkosten laag zijn. Sterker, ze zien de loonkosten als een signaal voor de aanwezigheid van hooggekwalificeerd personeel. Bedrijven komen hier bijvoorbeeld vanwege de ligging, het rustige arbeidsklimaat, de goede infrastructuur en de kwaliteit van het onderwijs – iets waarin we de laatste jaren links en rechts voorbijgelopen worden door andere landen.»Op loonmatiging als onderdeel van het poldermodel zijn veel politici en economen altijd trots geweest. Daar kon je in het buitenland mee voor de dag komen.«Ik was in 2001 bij een lezing van de Amerikaanse Harvard-professor Michael Porter. Hij zei niets te begrijpen van ons beleid. Hoe kan het nou ooit je ambitie zijn als rijk industrieland om je lonen op het niveau van China te willen brengen, vroeg hij zich af! Je moet streven naar welvaartsgroei. Met het drukken van je lonen druk je jezelf de armoede in. Dus als de loonkosten te hoog zijn, moet je de lonen niet gaan matigen maar de productiviteit opvoeren. Dat betekent trouwens ook dat sectoren met een lage arbeidsproductiviteit óf flink moeten innoveren, wat leidt tot banenverlies, óf dat zij naar het buitenland gaan. Maar dat hoeft helemaal niet erg te zijn, daar word je gemiddeld als land rijker van. Iedereen hier haalt zijn muziekinstallatie goedkoop uit China. Dat is koopkrachtondersteuning. Die hele discussie rond globalisering is een achterhoedegevecht. Als je nu de reacties op Nedcar ziet, de pleidooien voor subsidies voor Limburg – een heilloze weg.Veertig jaar geleden woonde ik in Amsterdam. Aan de overkant van het IJ bij de ndsm werden de grootste schepen ter wereld gebouwd. Die hele bedrijfstak is naar het buitenland verdwenen. Eerst naar Japan, toen die het niet meer konden bolwerken naar Korea en nu naar Brazilië en China. Er is op die manier heel veel veranderd en verdwenen. daf heeft het niet gehaald, Fokker is weg. En toch heeft Nederland nog steeds een sterke industriële basis. Nederland voert nog steeds meer industriegoederen uit dan in en dat stijgt. Omdat er weer andere dingen voor terugkwamen. De Nederlandse scheepsbouw maakt geen mammoettankers meer, maar de orderportefeuille zit voor de komende drie jaar wel vol. De sector richt zich op jachten en precisieschepen. Kortom, je moet je beleid niet richten op het afremmen van de krimp, maar op het stimuleren van de groei.»
Het probleem is dat je zo alleen werk krijgt op mbo+-niveau.

Wim Boonstra: «Dat is een probleem, ja. Maar in de jaren negentig zijn er in dit land meer dan een miljoen banen bij gekomen. En dat waren echt niet allemaal hightech-banen. De grote groei zit natuurlijk in de dienstensector.»De consequentie van wat u zegt is dat het kabinet ons bedrogen heeft met spookverhalen over de Chinezen die zouden komen.«De opkomst van China is natuurlijk een geweldige kans. Een miljard mensen die uit diepe armoede komen, hebben straks geld te besteden. Dat is goed nieuws, hartstikke mooi. Twintig jaar geleden was het Japan. Nou, daar zijn we ook niet armer van geworden. We rijden nu voor minder geld in betere auto’s. Nederland heeft altijd baat gehad bij globalisering. Maar vraag het de man in de straat, die herkent dat niet meer. De afgelopen jaren is een angstklimaat ontstaan ten aanzien van globalisering. Ik kan niet echt plaatsen waar dat vandaan komt. Brinkhorst lijkt met zijn consequente pleidooi voor open grenzen een van de weinigen in Den Haag te zijn die het wél begrijpt. Toch zijn we in een situatie beland waarin buitenlandse ondernemers zich langzaam maar zeker afvragen of ze nog wel in ons land moeten investeren. We maken ons druk over China, terwijl er jaren zijn geweest dat er meer bedrijven in het kleine Nederlandje investeerden dan in het grote China. Nog steeds zijn er duizenden bedrijven in Nederland gevestigd. En we zien het als een bedreiging! Alles wordt vanuit angst benaderd. Ik kan dat als econoom én als mens niet verklaren.»Misschien is de spagaat die het kabinet wil maken ondoenlijk: enerzijds streng en nationalistisch optreden op het gebied van vreemdelingenbeleid en veiligheid, anderzijds het imago van een open economie in stand houden.«Ook vno/ncw – bepaald geen linkse club – heeft aan de bel getrokken over het feit dat buitenlandse ondernemers Nederland beginnen te mijden. Zij krijgen klachten van hun leden. Ondernemers die afspreken met een buitenlandse investeerder doen dat maar in Londen. We hebben in dit land vrij veel Japanse bedrijven. Het management daarvan spreekt geen Nederlands. Dat hoeft ook niet, want ze spreken redelijk Engels en na een paar jaar gaan ze weer terug naar Japan. Ik hoor ook uit die hoek geluiden dat mensen met verbazing hebben geluisterd naar de discussie over Nederlands spreken op straat. Los van wat je verder van dat beleid vindt, straalt het ook uit naar het zakenklimaat. Dat is jammer.»