De situatie van 1f-vluchtelingen

Niet toegelaten, niet teruggestuurd

Tien jaar geleden nam Nederland maatregelen tegen vermeende oorlogsmisdadigers die hier verbleven als asielzoeker. Sindsdien leven deze mensen in een juridisch niemandsland. Staatssecretaris Albayrak komt begin volgend jaar met plannen.

Vlak voor de verkiezingen wilde Maxime Verhagen in een tv-debat met Nebahat Albayrak nog eens goed uitleggen waarom het cda toch zo tegen een generaal pardon was. Met een blik die duidelijk moest maken dat het hem nu ernst was, vertelde Verhagen over zijn ontmoeting met een Afghaans meisje dat was gevlucht voor het communistisch bewind van Najibullah. Dit meisje had hem verteld dat ze hier in Nederland ‘haar eigen beul was tegengekomen’. Of de beul van haar vader, dat wist Verhagen niet meer. Albayrak begreep al wat er komen ging en sputterde nog dat Verhagen heel goed wist dat zij vond dat deze ‘beulen’ vervolgd moesten worden. En dat ze zeker niet in aanmerking kwamen voor een speciale regeling. Maar Verhagen wist het zeker: ‘De oorlogsmisdadigers. Die vallen onder uw generaal pardon.’ Al in 1997 zei toenmalig staatssecretaris van Justitie Schmitz: ‘Het kan niet zo zijn dat waar Nederland aan de ene kant zich moreel én juridisch verplicht heeft gesteld dergelijke misdrijven te voorkomen, het aan de andere kant personen die deze misdrijven elders gepleegd hebben toelaat als vluchteling.’ Nog steeds wil niemand dat Nederland vluchthaven wordt voor mensen die zich in hun eigen land schuldig hebben gemaakt aan misdaden tegen de menselijkheid. Nederland heeft bovendien een naam als voorvechter van het internationale recht hoog te houden. En dus zal deze groep 1F’ers (naar het artikel van het Vluchtelingenverdrag dat hen uitsluit van verblijf) nooit een verblijfsvergunning krijgen, pardonregeling of niet. Albayrak, inmiddels zelf staatssecretaris van Justitie, heeft al laten weten dat geen enkele 1F’er voor de regeling in aanmerking zal komen.

Geen asiel dus, maar wat dan wel? Voor een groot deel van deze groep mensen geldt dat ze al jaren, soms al meer dan tien jaar, in Nederland verblijven. Ze krijgen geen asiel, maar kunnen in de meeste gevallen ook niet worden uitgezet, want dat zou een schending van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens betekenen. In artikel 3 van dat Verdrag is het _non-refoulement-_beginsel opgenomen: niemand mag worden uitgezet als het gevaar bestaat dat hij wordt onderworpen aan folteringen of aan onmenselijke of vernederende behandelingen en bestraffingen. Juist bij vermeende oorlogsmisdadigers bestaat dat gevaar. Want als het waar is wat Justitie van ze denkt, dan lopen er in het land van herkomst een hoop mensen rond die het niet goed met ze voor hebben.

Voor februari volgend jaar zal staatssecretaris Albayrak de Tweede Kamer een beleidsnota presenteren met een plan van aanpak voor de 1F’ers. Om hoeveel mensen het precies gaat is vooralsnog onduidelijk. Binnen Justitie is er nog geen concreet getal bekend. Volgens de laatste cijfers gaat het inmiddels om een groep van minstens 750 1F’ers én hun gezinsleden. In totaal lopen meer dan duizend mensen op deze manier een verblijfsvergunning mis. De gevolgen van het beleid voor de kinderen binnen deze groep roepen veel vragen en verontwaardiging op. ‘Het gaat vaak om kinderen die hier in Nederland zijn geboren, die hier geïntegreerd zijn, die de Nederlandse taal perfect beheersen’, vertelt asieladvocate Marieke van Eik: ‘En die kinderen zouden dan vanwege vermoedens tegen hun vader terug moeten naar een land waarmee ze geen enkele band hebben?’

Ook de familie Barshapal is ongewenst in Nederland, maar kan niet worden uitgezet. De familie verblijft al meer dan negen jaar in steeds weer andere asielzoekerscentra in Nederland. Vader Zabet Barshapal wordt ervan beschuldigd dat hij als politieman heeft samengewerkt met de Afghaanse geheime dienst, de Khad. Van zijn zeven kinderen werden er drie in Nederland geboren. Voor allemaal geldt dat zij op grond van het huidige beleid nooit een verblijfsvergunning zullen krijgen. De jongste drie, allemaal jongetjes, hollen in dezelfde trui, broek en schoenen rond op het terrein van het asielzoekerscentrum in Delfzijl. Ze verstoppen zich achter hun vader en hangen aan zijn armen. ‘Mijn kinderen vragen mij: “Pappa, iedereen krijgt een verblijfsvergunning, iedereen krijgt een echt huis, waarom wij dan niet?”’, vertelt Barshapal in een mix van slecht Nederlands en getolkt Dari. ‘Ik kan het ze niet uitleggen. Ik ben onschuldig, maar zij hebben überhaupt niets te maken met mijn vroegere werk en moeten toch hetzelfde doormaken als ik.’

Zijn oudste dochter Mina (18) verontschuldigt zich in perfect Nederlands voor de veel beperktere woordenschat van haar vader: ‘Mijn vader en moeder hebben nooit een taalcursus mogen volgen, alles wat hij weet komt van de televisie.’ Mina en haar zus Ariana (bijna 17) gaan allebei naar school, dat mag wel. Ze hopen de komende twee jaar hun vwo af te ronden. Maar de tijd dringt. Als volwassene hebben ze geen recht meer op onderwijs, ze hebben immers door de 1F-status van hun vader geen verblijfsvergunning. Mina wordt nu nog op school gedoogd, maar niemand weet voor hoe lang. Zodra ze achttien zijn moeten ze eigenlijk ook worden uitgezet, maar voor het hele gezin geldt dat ze gevaar zouden lopen in Afghanistan. Uitzetten is geen optie, erkent ook Justitie. Mina legt uit dat zij en haar zus nu extra hard werken om snel hun examens te halen: ‘Maar dat gaat best moeilijk omdat we met negen mensen in deze drie kamers wonen. En mijn broertjes maken natuurlijk veel lawaai.’

Jaar na jaar zagen ze iedereen vanuit de asielzoekerscentra vertrekken naar ‘echte huizen’, maar dat zit er voor hen niet in. Met het hele gezin wonen ze op amper vijftig vierkante meter. Plaats voor een tafel of een stoel is er niet, overal liggen matrasjes. Maar eigenlijk heeft de familie Barshapal nog geluk: zij krijgen überhaupt opvang. Veel andere gezinnen komen op straat te staan, illegaal en zonder rechten. Marieke van Eik: ‘Ze hebben geen recht om te werken, geen recht op medische voorzieningen, geen recht op sociale voorzieningen, niks.’ De problemen worden nu te ernstig en de groep wordt te groot, vindt ook Teun van Os van den Abeelen, voorzitter van de Adviescommissie voor Vreemdelingenzaken (acvz), het belangrijkste adviesorgaan van staatssecretaris Albayrak: ‘Op zich heb ik met mensen die oorlogsmisdrijven hebben gepleegd niet zo heel veel medelijden. Maar dit onmogelijke dilemma moet op de een of andere manier worden opgelost. Je kunt geen mensen hier vijftig jaar zonder enig recht laten, je kunt geen kinderen hier laten opgroeien en vervolgens hun leven lang illegaal laten zijn.’

Het meest oneerlijk vindt Ariana Barshapal dat Justitie niet met strafrechtelijk bewijs tegen haar vader hoeft te komen. Het vluchtelingenverdrag zegt dat een ‘ernstig vermoeden’ van oorlogsmisdaden genoeg is om geen verblijfsvergunning te verlenen. Het gaat daarbij om een bestuursrechtelijke beslissing op basis van de Vreemdelingenwet, die kan worden aangevochten bij de rechtbank en uiteindelijk de Raad van State. In de praktijk blijkt dat heel erg moeilijk, zeker voor de Afghanen, die de meerderheid vormen binnen de groep van vermeende oorlogsmisdadigers. Voor hen geldt dat iedereen met een rang van onderofficier of hoger automatisch schuldig wordt geacht.

Ten grondslag aan elke beslissing van Justitie om het artikel 1F ‘tegen te werpen’, ligt het zogenaamde Ambtsbericht Afghanistan, opgesteld door het ministerie van Buitenlandse Zaken. Hierin staat in welke situaties het in het algemeen aannemelijk is dat een Afghaan zich schuldig heeft gemaakt aan oorlogsmisdaden. Maar dit document is acht jaar oud, in zeer algemene termen opgesteld en gebaseerd op anonieme bronnen. De Immigratie- en Naturalisatie Dienst (ind), de vreemdelingenadvocaat en de asielzoeker krijgen geen inzage in wie die bronnen zijn. De Raad van State kent de bronnen echter wel en beschouwt het document als een ‘deskundigenadvies’. Marieke van Eik loopt er bij elke zaak van Afghaanse 1F’ers tegenaan: ‘Door dat ambtsbericht en de heilige status die het eigenlijk is toegekend door de hoogste rechter voor het vreemdelingenrecht in Nederland, is het vrijwel onmogelijk voor deze mensen om aan te tonen dat zij géén mensenrechten hebben geschonden.’

Vreemdelingenrechtelijk blijkt het dus lastig om van het 1F-stempel af te komen. En hoewel het openbaar ministerie hier wel naar streeft, blijkt strafrechtelijke vervolging vrijwel onmogelijk. Tot nu toe is slechts in zes zaken tot vervolging overgegaan. Zaak na zaak wordt geseponeerd. Van Os van den Abeelen van de acvz pleitte in 2001 al voor meer aandacht voor strafrechtelijke vervolging van 1F’ers, maar dat heeft weinig opgeleverd: ‘Het gaat vaak om dingen die al lang geleden gebeurd zijn, onder omstandigheden waar wij niet altijd precies zicht op hebben, en vooral, waarvoor het strafrechtelijk bewijs hier in Nederland moeilijk rond te krijgen is.’

Maar ook als er geen strafrechtelijk bewijs wordt gevonden, blijft het oordeel op grond van het vreemdelingenrecht hetzelfde: vermoedelijk schuldig en dus geen verblijfsvergunning. En juist dat vindt Mina Barshapal onrechtvaardig: ‘Eigenlijk, als je na negen jaar al geen bewijs kan vinden voor wat mijn vader heeft gedaan, dan spreekt het voor zich dat hij gewoon onschuldig is.’ Justitie vindt dat geenszins vanzelfsprekend. ‘Het aantal personen dat op dit moment strafrechtelijk wordt vervolgd, is mij niet bekend. Dat is voor uitsluiting op grond van artikel 1F ook niet van belang’, liet staatssecretaris Albayrak in juni van dit jaar aan de Tweede Kamer weten. Het vreemdelingenrecht en het strafrecht staan hier volledig los van elkaar.

Maar dat was tien jaar geleden allemaal precies hetzelfde. Hoe kan het dat toen niet is voorzien dat met dit beleid een even onmogelijke als onwenselijke situatie werd gecreëerd? Er was destijds een roep om snelle actie. Midden jaren negentig ontstond grote ophef over voormalige kopstukken van het Najibullah-bewind die in Nederland een verblijfsvergunning hadden gekregen. In eerste instantie ontkende staatssecretaris Schmitz dat er sprake was van een probleem, het zou gaan om ‘enkelingen’. Maar met name het weekblad Vrij Nederland bleef publiceren (‘Het barst hier van de oorlogsmisdadigers’) en uiteindelijk gaf Schmitz toe. Eind 1997 stelde ze met het oog op deze groep een speciale afdeling in bij de ind die ‘niet zou aarzelen artikel 1F toe te passen’. Voortaan zou iedere vermeende oorlogsmisdadiger onmiddellijk onder de aandacht van het OM worden gebracht. En een verblijfsvergunning moest in die gevallen automatisch worden geweigerd. Ook toen was echter al duidelijk dat door de combinatie van 1F en non-refoulement een probleem zou kunnen ontstaan. Zo schreef Schmitz in haar brief aan de Tweede Kamer: ‘In zo’n situatie wordt betrokkene teruggestuurd noch toegelaten. Een dergelijke situatie is in zijn algemeenheid onwenselijk en dient tot uitzonderingen beperkt te blijven.’

Tien jaar later is meer dan duidelijk dat het niet gaat om uitzonderingen. De ‘onmogelijke situatie’ van asielzoekers die geen verblijfsvergunning krijgen maar ook niet kunnen worden uitgezet, geldt voor zestig tot tachtig procent van alle 1F’ers. Nu pas wordt zichtbaar welke ernstige gevolgen deze patstelling heeft. In de jaren negentig, de tijd van bijna onbeperkte immigratie, kwam er uiteindelijk toch een aanpassing van het beleid, omdat de groep van oorlogsmisdadigers in Nederland niet langer te negeren was. Hetzelfde zou nu wel eens kunnen gaan gebeuren; nu zou het gaan om een versoepeling van het beleid. Hoewel de directeur van de ind, Peter Veld, in augustus nog zei dat er ‘voor deze groep geen oplossing komt’, staat er voor begin volgend jaar wel een debat over de 1F’ers gepland. De Kamer wacht eerst nog op een brief van Albayrak. Verwacht wordt niet dat die het roer meteen om zal gooien, maar Jan de Wit (SP) is wel optimistischer dan de afgelopen jaren: ‘Er kan in ieder geval weer over gepraat worden. Dat was onder het vorige kabinet onmogelijk. “U wilt toch zeker ook niet dat wij hier oorlogsmisdadigers toelaten?” kregen we dan te horen.’

Geen enkele politicus of partij zal willen en durven zeggen dat oorlogsmisdadigers nu toch maar asiel moeten krijgen. Iedereen is het erover eens dat er binnen de grote groep 1F’ers wel degelijk schuldigen zitten. Maar er zijn ook minder drastische oplossingen denkbaar. Marieke van Eik vindt dat er opnieuw beoordeeld moet worden of 1F’ers echt wel schuldig zijn: ‘Op het moment dat je zulke verstrekkende conclusies trekt, dan denk ik dat je honderd procent zeker moet zijn dat die conclusies ook juist zijn.’ Er moet daarom in alle zaken worden overgegaan tot strafrechtelijke vervolging, meent Van Eik: ‘Is daarvoor onvoldoende bewijs, dan ook geen 1F.’ Jan de Wit denkt er precies hetzelfde over: ‘Justitie moet zichzelf een termijn stellen om alle 1F-dossiers nog eens tegen het licht te houden. Als er na die periode nog steeds geen hard bewijs is, dan moeten deze mensen gewoon een verblijfsvergunning krijgen.’

Van Os van den Abeelen is het daar niet mee eens en meent dat in de eerste plaats toch moet worden gekeken of er afspraken kunnen worden gemaakt over veilige terugkeer naar het land van herkomst. Het zou dan gaan om garanties dat de doodstraf niet zal worden uitgevoerd, het recht op een eerlijk proces en monitoring door het Rode Kruis. Maar: ‘Ook dan blijven er nog heel wat gevallen over waarin uitzetting toch niet mogelijk blijkt.’ Hoe verschillend de drie juristen ook denken over mogelijke oplossingen, alledrie zijn ze het erover eens dat er na de ongehoord lange periode van onzekerheid een oplossing moet komen. En dat er daarbij extra aandacht moet komen voor een antwoord voor de lange termijn en in het bijzonder voor de kinderen van de vermeende oorlogsmisdadigers. De acvz verwacht in maart met een advies aan de staatssecretaris te kunnen komen.

De SP en GroenLinks hebben al aangekondigd de brief van Albayrak af te zullen wachten en daarna een hoorzitting te willen organiseren. Jan de Wit: ‘Wat betekent zo’n 1F-status nou voor die kinderen? Zij zitten al jaren in een volstrekt uitzichtloze situatie. We willen nu gewoon eens weten hoe het zit. Al die mensen met al die verhalen kunnen ons daarbij helpen.’ Het zou voor het eerst zijn dat er weer open over de 1F-problematiek gepraat kon worden, met aandacht voor de verschillende kanten van het verhaal. Nu maar hopen dat er geen kamerlid is dat vlak voor de parlementaire hoorzitting een Afghaans meisje tegenkomt dat net haar eigen beul in de ogen heeft gekeken.