Filosofie gebundeld en mislukt

Niet van deze tijd

Het filosofisch pluralisme maakt een ordelijke beschrijving in hoofdstromingen onmogelijk, beweren de samenstellers van ‹Filosofen van deze tijd›. Ze stopten op het moment dat het eigenlijke werk begon. Waarom schrijven Nederlanders nooit eens grote overzichtswerken?

Afgezien van de vraag hoeveel vitamine c de bewust levende burger in vredesnaam tot zich moet nemen om gezond te blijven, is ook de kwestie of de geschiedenis zich in de grote persoonlijkheden manifesteert, of integendeel door hen wordt gemaakt, nooit bevredigend opgelost. Jacob Burkhardt meent het in zijn Geschichtliche Betrachtungen zeker te weten: op beslissende ogenblikken sloeg het uur van de ´Extrapersonenª, ´damit die weltgeschichtliche Bewegung sich periodisch und ruckweise frei mache von blossen abgestorbenen Lebensformen und von reflektierendem Geschwätzª. De grote toneelspelers krijgen goede of slechte recensies, maar zonder het omringende toneelstuk en zonder de collega’s hebben hun inspanningen geen betekenis.

Wie een overzicht van het moderne denken wil bieden, kan de nadruk leggen op filosofische stromingen en kwesties, maar ook op dominante persoonlijkheden. ´Een overzicht bieden van de filosofie van de laatste decennia is niet alleen een riskante ondernemingª, schrijven Maarten Doorman en Heleen Pott in de inleiding bij Filosofen van deze tijd, ´maar eigenlijk een volstrekt onfilosofisch project.ª Filosofen laten zich niet meer ´overzichtelijk indelen in een afgemeten aantal stromingen of trendsª, en aan het begin van de nieuwe eeuw ´zijn de grote stromingen in de filosofie uitgelopen op een onmetelijke deltaª. Met dit excuus en zonder de kwestie persoon-of-beweging verder aan te roeren, kozen de samenstellers voor het perspectief van hoofdrolspelers, 25 in getal, en niet voor een substantiële inventariserende introductie, zoals ze over de landsgrenzen wel worden aangetroffen, meestal genummerd in pedante Romeinse cijfers en zelden minder dan xxxviii dichtbedrukte pagina’s. Doorman en Pott beoogden een publicatie, die zowel ´speciaalª voor studenten is geschreven, als – knappe prestatie! – ´tegelijkertijdª voor een ´ruimer publiekª.

In de jaren zestig verdeelden existentialisten, marxisten, structuralisten en analytische filosofen op harmonieuze wijze de wijsgerige problemen, maar daarna belandde de wereld in een situatie die Jürgen Habermas de ´nieuwe onoverzichtelijkheidª heeft genoemd. Academici vlogen steeds vaker naar congressen over ´Wittgenstein iiª, zes tijdzones verderop, taalgrenzen ´vervaagdenª, de mythe van de maakbaarheid taande, economieën haperden, de Muur viel, de Navo ging op zoek naar een nieuwe vijand en vanaf de jaren negentig begonnen digitale uitverkorenen elkaar vanuit alle hoeken van de wereld met elektronische berichten te bestoken. Het woord was nu aan de voorlopigheid, het fragmentarische, een ´eindeloos uitstel van de betekenisª, en in universitaire kringen moest je nog beter op je woorden letten dan tijdens senator McCarthey.

Het grotere publiek verneemt uit dit boek weinig diepzinnigs over de aard van de relatie tussen maatschappij en filosofie; de term ´weerspiegelingª die nu op de lezer wordt losgelaten verplicht namelijk tot niets. De neergang van ideologieën en grote verhalen, het ´einde van de geschiedenisª, het failliet van het communisme, de bloei van politieke correctheid en de opmars van homo ninabrinkens hangen vermoedelijk direct en indirect met elkaar samen, en ik had bij Doorman en Pott graag iets gelezen over wederzijdse beïnvloedingen, hoe hypothetisch ook. Hun inleiding is niet zozeer slecht als wel veel te kort, terwijl die juist het bindende element zou moeten vormen. Wanneer de samenstellers meer ruimte hadden genomen, zouden ze hebben geconstateerd dat het bieden van overzichten eigenlijk helemaal geen onfilosofisch project is, maar het precieze tegendeel ervan.

Het produceren van een Filosofen van deze tijd is niet zo moeilijk als je altijd had gedacht. Je selecteert 25 denkers op grond van het vage criterium dat ze zich na de Tweede Wereldoorlog hebben moeten ´manifesterenª; je vraagt aan specialisten ongeacht hun stilistische verleden een bijdrage; je laat wendingen als ´interpreteren resulteert in een horizonversmelting tussen interpreet en interpretandumª ongemoeid; je voorziet de keuze van het obligate excuus ´elke keuze houdt iets arbitrairsª, in de veronderstelling dat je er dan vanaf bent; je laat de uitgever een paar overdrijvingen verzinnen voor op de achterflap (´onmisbaar voor studentenª, ´niet louter een geschiedenis van de recente ontwikkelingenª, maar ook een schets ´voor de eenentwintigste eeuwª) en na het schrijven van veertien pagina’s ruimhartig overkoepelend proza is er plotseling een inleiding op de moderne filosofie. Verder neem je aan dat niemand een uitvoerige thematische index zal missen, dat degelijke bibliografieën bij de portretten ouderwets zijn en beter kunnen worden vervangen door volstrekt armetierige opsommingen van hoofdwerken, en dat je in de nieuwe eeuw verwijzingen naar de meest toegankelijke vaktijdschriften en die toch maar hinderlijk van locatie wisselende websites wel kunt weglaten.

De medewerkers aan deze al te heterogene bundel zijn nauwelijks met richtlijnen lastiggevallen. Ik had graag vernomen welke kritiek er in de loop der tijden op het gedachtegoed is geleverd; een vaste paragraaf ´receptieª zou van harte welkom zijn geweest. Sommige auteurs hebben zich uit eigen initiatief van deze taak gekweten, zoals Sjaak Koenis (Popper), en Menno Lievers (W.V.O. Quine), leveranciers van twee van de betere bijdragen. Het hoofdstuk over Kuhn daarentegen herhaalt het bekende ´paradigmaª-praatje (de wetenschapshistorie als opeenvolging van ´incommensurabeleª wereldbeelden) dat niets toevoegt aan het omstreden verhaal van Kuhn. Scepsis, zo had auteur Louis Boon bijvoorbeeld kunnen schrijven, is een vast bestanddeel van de filosofiegeschiedenis, en de technische vooruitgang valt alleen te ontkennen door een welhaast religieus voorbijzien aan de feiten. De diameter van de aarde aan de evenaar is onder alle paradigma’s 12.756,33 kilometer, en sterk afwijkende getallen zijn – wat kan dat woord toch fris klinken – fout. Einstein weerlegde niet Newton, en de kwantumfysica weerlegde niet Einstein; de overgangen zijn vloeiend, de wetenschapsgeschiedenis is een geschiedenis van aanvullingen, gedeeltelijke correcties, maar ook verkeerde hypotheses. Wanneer paradigma’s botsen, noteerde een criticus, doen ze dat in een gemeenschappelijke omgeving, van welke fysieke of geestelijke aard dan ook, anders zou er geen botsing mogelijk zijn. Boon had van alles kunnen aanvoeren, maar hij schrijft als een kritiekloze navolger van Kuhns metafysica. Er zijn geen redenen waarom openlijk beleden persoonlijke voorkeuren niet kunnen worden gecombineerd met een heldere presentatie van de historie van een vraagstuk.



Ook een thematische benadering behoorde tot de mogelijkheden. Een prachtig voorbeeld is Modern Philisophy (1994) van Roger Scruton, dat in 31 korte hoofdstukken de belangrijkste thema’s behandelt (Betekenis en Verwijzing, Verschijning en Werkelijkheid, Oorzaak, Vrijheid etc.), zodat de voornaamste geestesproducten van denkers in hun context worden gepresenteerd. De twintigste-eeuwse filosofie zou je kunnen beschrijven aan de hand van theorieën over taal en werkelijkheid, de limieten van onze kennis, politieke filosofie, continentaal denken versus analytisch denken, de tegenstellingen tussen positivisten en ´sociaal-constructionistenª, de relatie tussen politiek en techniek – thema’s in overvloed. Dit is de uitdaging die een filosoof aangaat wanneer hij beslist om het werk zelf te doen: een eigen visie verwoorden. Niemand beheerst alle terreinen even goed, maar handboekenschrijvers mogen profiteren van andermans intellectuele inspanningen. Het enige wat ze hoeven te doen is opmerken dat ze ´zwaar schatplichtigª zijn geweest aan deze of gene.

Een andere mogelijkheid was geweest om de tekortkomingen van de opzet met een ruimere keuze te compenseren. Julian Nida-Rümelins Philosophie der Gegenwart (Kröner, tweede druk 1999) bevat 156 portretten van denkers uit deze eeuw, op alfabetische volgorde gepresenteerd om zelfs niet de schijn van een thematische of andersoortige ordening te wekken. Zo’n boek leest niemand van a tot z, maar dat is geen probleem wanneer er daarnaast nog algemene inleidingen bestaan, zij het dan niet van Nederlandse bodem. Een vergelijkbaar project is het losbladige Kritisch denkers lexicon, in het kader waarvan al meer dan tweehonderd soms voortreffelijke portretten zijn verschenen, waaruit eind vorig jaar een selectie op de markt kwam onder de titel De denkers (Contact).

Omdat geen enkele Nederlandse filosoof momenteel de durf toont om geheel op eigen kracht een algemene en toegankelijke filosofiegeschiedenis van onze eeuw te schrijven (een uitzondering vormt misschien De verbeelding van het denken (1995) van Jan Bor e.a., dat zich op de hele geschiedenis richt), grijpen onze landgenoten altijd maar weer naar Störig of Russell, of naar Nederlandse verzamelbundels – meestal Teleac-cursusboeken – waarbij de moeilijkste taak, het kiezen van een persoonlijke invalshoek, net zo lang wordt gedelegeerd tot niemand die meer uitvoert. Joachim Störigs hoofdwerk verscheen in 1959 voor het eerst in het Nederlands, een overzicht dat met name de laatste decennia, waar het hier om gaat, volstrekt niet dekt. Kennelijk is het altijd te veel moeite geweest om vanaf de door Lukkenaar bijgewerkte Aula-uitgave van 1994 een stevige verhandeling over de laatste dertig jaar op te nemen, geschreven door, bijvoorbeeld, Doorman of Pott, vanuit een perspectief dat geheel voor eigen rekening komt.



Wanneer je de overzichtswerken van Scruton of Russell leest, is hun parti pris ten aanzien van diverse vraagstellingen volkomen duidelijk, evenals de rode draad van hun denkstijl; je zou kunnen spreken over hun ´temperamentª, hun natuurlijke neiging om iets wel of niet te geloven. Richard Rorty schreef onlangs voor de London Review of Books een artikel over de consequenties van Gadamers beroemde uitspraak: ´Sein, das verstanden werden kann, ist Spracheª, waarin hij het verschil tussen analytisch en niet-analytisch denken als tamelijk irrelevant voorstelt. Het is in zoverre een modelartikel dat het door en door rortyaans is, een zeer individuele benadering van het behandelde probleem, maar tegelijkertijd een verantwoorde schets, of je het nu eens bent met zijn ´redescriptionsª of niet. Bij Rorty valt nauwkeurig te bepalen vanaf welk punt je niet langer bereid bent hem te volgen.

Zulke stukken lezen we te weinig van onze eigen auteurs; we kunnen niet van hen eisen dat ze allemaal even goed gaan schrijven als Rorty – hoewel we beslist over lokaal filosofisch talent beschikken, zo blijkt van tijd tot tijd uit onder andere de jaargangen van het Hollands Maandblad en Filosofie Magazine – maar wel met een vergelijkbare persoonlijke inzet. Zo is de bijdrage van Mariëtte Bakker en Jan Flameling over Rorty wel de beste samenvatting, omdat de auteurs nergens in postmodern sjamanisme vervallen en de hoofdlijnen van Rorty’s denken knap samenvatten, maar ook zij gaan niet echt in discussie met zijn opmerkelijke visie van elkaar afwisselende ´vocabulairesª en ´herschrijvingenª, en we lezen niet hoe de boze buitenwereld heeft getracht om Rorty’s visie aan een hardhandige ´redescriptionª te onderwerpen.

Dat Filosofen van deze tijd toch de moeite van het aanschaffen waard is, is te danken aan de kwaliteit van sommige portretten. Hier en daar wreekt zich wel de eigenaardige Nederlandse gewoonte om de schrijfstijl van de hooggeëerde specialisten hoe dan ook te respecteren. Onhandige passages als deze zouden met onmiddellijke ingang verboden moeten zijn: ´Plotseling was er dan een internationaal debat over een nieuw, raadselachtig fenomeen: het postmodernisme. Aanstichter van dat debat was een onbekende Franse filosoof, Jean-François Lyotard. Andere belangrijke deelnemers waren Habermas en Rorty.ª Vooral de laatste zin lijkt rechtstreeks afkomstig uit een 2-havo-opstel; het is niet fout, maar verder is het ook helemaal niets. Het lijkt soms alsof Nederlandse filosofen – uitzonderingen daargelaten – zo bang zijn om door hun collega’s neergesabeld te worden dat ze zich reeds van tevoren klein maken, hun bedeesdheid vermommen als eerbied voor de meerduidigheid, en zodra er werkelijk enige wijsheid van hen wordt verwacht over ´moerasdelta’sª gaan schrijven die zich ´realiserenª (de editor was weer eens in slaap gesukkeld), en ´vertogenª over de ´pluraliteit van taalspelen en levensvormenª. Zo piekeren onze filosofen de specialistische tijdschriften vol met verhandelingen over ´hermeneutische cirkelsª en ´Seinsvergessenheitª. Inderdaad, mijne heren, het is ook nooit goed in deze Rijndelta. Doorman en Pott huldigen het ietwat modieuze standpunt dat ´de hoop op een rationeel kenbare werkelijkheidª ´onherroepelijk in diskredietª is geraakt, maar ik begrijp werkelijk niet waarom het ´hieruit voortvloeiende pluralismeª een samenhangend perspectief ´in de wegª zou moeten staan – daar begint het werk immers pas! Het is alsof een correspondent vanuit het oorlogsgebied, bij wijze van politieke analyse, niet meer dan het volgende bericht zou verzenden: ´Iedereen schiet hier op iedereen. De situatie is zeer onoverzichtelijk.ª Kan een inventarisatie van meningsverschillen rond typerende probleemstellingen niet ook een samenhangend beeld opleveren?

Iedere keuze is ´arbitrairª, inderdaad, en samenstellers merken nogal koket op dat ze ´teleurgesteldª zouden zijn wanneer ze geen commentaar zouden krijgen. Toegegeven, dit soort discussies nemen geen einde en je zou pagina’s vol kunnen muggenziften over wie er allemaal niet in dit boek staan – Baudrillard, Sloterdijk, Vattimo, Singer, Toulmin, Nagel, Dworkin, Danto, Barthes – Doorman en Pott hadden Heidegger, Wittgenstein, Popper, Adorno, Sartre, De Beauvoir en andere te vaak samengevatte Extrapersonen op een buitengewoon onfilosofische manier kunnen weglaten; ze hadden de veronderstelde invloed van al deze dead white (fe)males op hun erfgenamen kunnen toelichten in een uitvoerige inleiding en zich vervolgens concentreren op de relevante debatten van de laatste 25 jaar, in een stevig boek met minstens vijftig strak geregisseerde portretten. Door het beste van twee werelden te combineren – algemene beschouwing en monografie – zouden ze pas werkelijk in een behoefte hebben voorzien. En ten slotte zou een belofte om de afvallers in ´Deel iiª te bespreken ruimschoots hebben volstaan om de nog resterende critici tot bedaren te brengen.



Maarten Doorman & Heleen Pott (red.), Filosofen van deze tijd. Uitg. Bert Bakker, 380 blz., ƒ 39,90.