Niet van ‘het serieuze gelul’

Met het overlijden van K. Schippers, met zijn eeuwige jeugdigheid en frisse tegendraadsheid, is de laatste der Barbarianen heengegaan. Toef Jaeger brengt een eerbetoon aan de eens zo rebelse beweging.

J. Bernlef, G. Brands en K. Schippers, de oprichters van Barbarber, 2009 © Keke Keukelaar / de Beeldunie

Kan – en mag – literatuur leuk zijn? Er zijn van oudsher mensen die spontaan een hartverzakking krijgen als ze die twee woorden samen in een zin zien staan. Ik denk zelf bijvoorbeeld aan een uitzending van vpro Tegenlicht uit 2004, integraal terug te kijken via YouTube, waarin vier essayisten het gewraakte woord ‘mopperend de maat’ nemen. Aan tafel zitten H.J.A. Hofland, Rudy Kousbroek, Kees Fens en Bas Heijne, die de gemiddelde leeftijd nog nét onder de zeventig weet te trekken. Al deze heren hebben om hun eigen redenen een bloedhekel aan het primaat van leukigheid en spuwen gul hun gal – het programma wordt met recht ‘een knorrige gedachtewisseling’ genoemd.

Kousbroek opent het vuur: ‘Dat woord leuk heeft twee betekenissen (…): de normale, gangbare betekenis is iets als nice, de afschuwelijke betekenis is fun. In al die gevallen waarin je rilt als je hoort “het universitair onderwijs moet weer leuker gemaakt worden” (…) dan is het echt fun.’ Gaandeweg wordt vastgesteld dat de nadruk op plezier een exponent is van democratisering die omslaat in nivellering en vervlakking, of zelfs in regelrechte minachting van kennis en de traditie. ‘Geschiedenis is niet saai! Literatuur is niet saai!’ bast Hofland. Het woord leuk vormt een bedreiging voor alles waar de aanwezigen voor staan; geef je te veel toe aan ‘fun’, lijkt men te vrezen, dan blijft er van kunst en wetenschap uiteindelijk niets meer over.

Toch kon één Nederlands literair tijdschrift juist naam maken door alleen maar ‘leuk’ te zijn en de rest achterwege te laten: Barbarber. De oprichters waren drie begintwintigers die elkaar hadden leren kennen op de Openbare Handelsschool aan het Raamplein in Amsterdam. Hun namen waren toen nog Gerard Bron, Gerard Stigter en Henk Marsman, maar die ruilden ze vanaf het derde nummer in voor de pseudoniemen G. Brands, K. Schippers en J. Bernlef. Tussen 1958 en 1971 maakten ze samen 87 uitgaven, die eerst een nieuwe koers in de Nederlandse letteren belichaamden en later vooral een baken voor lichtvoetige geestverwanten werden.

De geschiedenis van het blad is decennia geleden reeds opgetekend door Hans Renders in de monografie Barbarber 1958-1971 (1986), nu wordt het verhaal verteld door NRC-redacteur Toef Jaeger (1971). Wel koos zij voor een nieuwe benaderingswijze: Jaeger schreef geen literatuurwetenschappelijk overzichtswerk maar een verhalend non-fictieboek waarin biografie, cultuurgeschiedenis en anekdotiek in elkaar overlopen. Ze probeert het ontstaan van Barbarber van binnenuit te beschrijven en beroept zich hoofdzakelijk op het persoonlijk archief van K. Schippers, dat Jaeger in 2017 mee naar huis kreeg om er een boek uit te destilleren. Het vlotte en onderhoudende De jongens van Barbarber is daarvan het eindresultaat.

Haar verhaal begint met een schets van de Amsterdamse schooljaren van de drie oprichters. Bron/Brands en Stigter/Schippers kenden elkaar het langst en hadden een totale jongensvriendschap: ‘De twee wonen bij elkaar in de buurt, op tien minuten fietsafstand van school. Elke dag op de fiets ouwehoeren ze dat het een aard heeft en al gauw wordt de tijd waarin ze de afstand afleggen een halfuur. Op een gegeven moment wordt dat drie kwartier.’ Aanvankelijk vonden ze de literatuurlessen slaapverwekkend, totdat de uit Indonesië afkomstige non-conformist Rob Nieuwenhuys (1908-1999) liet zien dat het anders kon. Als docent Nederlands behandelde hij hedendaagse schrijvers en stak hij zijn kritiek op canonieke werken niet onder stoelen of banken. Meer dan zijn smaak namen de leerlingen zijn mentaliteit over. De tegendraadsheid van Nieuwenhuys inspireerde hen om altijd vast te houden aan hun eigen particuliere smaak; puberhumor en geklets verhieven zij later provocatief tot hun literaire programma.

Binnen tien jaar groeide het gestencilde blaadje met 26 abonnees uit tot een erkend tijdschrift

Dat blijkt al uit een van de eerste bewaarde Barbarber-brieven. Bron en Stigter besloten een eigen tijdschrift op te zetten en ronselden daarvoor de enkele jaren jongere Marsman, toen al een ambitieus dichter. In 1958 legde Bron hem uit wat het idee was: ‘We hebben geen pretenties en voelen meer voor een goeie grap (geen grollen!) dan het serieuze gelul.’ Later hebben de drie iedere revolutionaire ambitie vurig ontkend, maar Jaeger laat overtuigend zien dat ze zich wel degelijk profileerden door zich af te zetten tegen de vorige generatie. De Vijftigers, op dat moment de dominante dichtersgroep, hadden weliswaar een nieuwe artistieke vrijheid geïntroduceerd, maar ook een romantische gewichtigheid die Bron en consorten de keel uit hing. In plaats van hoogdravende poëzie te bestuderen, verdiepten zij zich liever in jazz, Laurel en Hardy, en de lollige taalexperimenten van de dada-beweging. Barbarber werd de plek waar ze die fascinaties onbelemmerd konden uitleven.

Het blad werd gekenmerkt door een grote hoeveelheid ‘readymades’: onbewerkt afgedrukte stukjes tekst uit het wild, zoals absurde krantenberichten, menukaarten, gevonden boodschappenlijstjes en maffe reclameleuzen. Omdat de oorspronkelijkheid niet belangrijker was dan het effect ervan presenteerde de redactie Barbarber als een ‘tijdschrift voor teksten’, niet in de eerste plaats voor ‘literatuur’. Ook de geciteerde gedichten van de oprichters zijn regelmatig terug te leiden tot dergelijke alledaagse ‘vondsten’. Neem bijvoorbeeld Deur van Bernlef: ‘Duwen/ Trekken’. (Het later verschenen vervolg, Deur 2, luidde simpelweg: ‘Trekken/ Duwen’.) Op andere momenten worden klassieke poëtische conventies explicieter op de hak genomen, zoals in een kwatrijn van Brands: ‘Des morgens sta ik op/ des avonds weer naar bed/ mijn wekker heb ik dan/ op zeven uur gezet’.

Zit hier nog een idee achter? Jaeger legt uit: ‘Ze wilden geen duurdoenerij maar de alledaagse werkelijkheid, en die zo onvervormd mogelijk in tekstvorm weergeven.’ Een begrijpelijk verlangen, maar levert het ook interessante literatuur op? Veel van de afgedrukte hoogtepunten zijn geestig, zeker, maar door het gebrek aan inhoud of diepgang blijft er na één keer vluchtig lezen weinig van over. Als je deze teksten buiten de context van de literatuurgeschiedenis beziet, gewoon als gedichten, dan zijn ze toch niet veel meer dan alleen ‘leuk’.

Destijds was dit project wel dermate verfrissend dat belangstelling niet uitbleef. Mede door bijval van Simon Carmiggelt, Leo Vroman en de anders zo ernstige Kees Fens maakte Barbarber een glorieuze metamorfose door: binnen tien jaar was het van een eigenhandig gestencild blaadje met 26 abonnees uitgegroeid tot een erkend tijdschrift met een oplage van vijfhonderd. Het jongensblaadje kreeg plotseling officiële erkenning. Eerst dienden schrijvers als Chris van Geel, Jan Hanlo, Judith Herzberg en Gerrit Krol zich aan als medewerkers en nadat het chique uitgevershuis Querido zijn naam eraan had verbonden verscheen er werk van Remco Campert en zelfs Harry Mulisch in Barbarber – de laatste stuurde twee verhalen in die hij op negenjarige leeftijd geschreven had. Die aanwas van kleurrijke figuren verlevendigt Jaegers groepsportret. Het hoofdstuk over de eenzelvige Jan Hanlo, die ondanks zijn pedofiele verlangens fervent katholiek was en wegens zijn neuroses ruzie kreeg met vrijwel iedereen, voegt misschien weinig toe als je zijn aangrijpende, eveneens door Hans Renders geschreven biografie al gelezen hebt, maar het verslag van zijn bizarre uitspattingen zal anderen ongetwijfeld versteld doen staan. Ik was zelf vooral geïntrigeerd door Gerard Bron/G. Brands, die in tegenstelling tot zijn kompanen geen grote bekendheid verwierf als dichter. Zijn onnavolgbare humor en rijke knipselarchief lijken de bakermat van Barbarber, en ondanks een plots en enigszins mysterieus vertrek naar Ghana (Jaeger schrijft dat hij ‘koopman wil worden’ in Accra) spande hij zich langdurig in om de ‘unieke sfeer’ van zijn geesteskind intact te houden. Later was Bron onder meer journalist, kinderboekenschrijver en hoofdredacteur van Kijk – hij is het excentriek soort personage waar je graag meer van wil zien.

Blijkens de ondertitel heeft De jongens van Barbarber: Hoe een vriendschap het literaire landschap veranderde een tweeledig doel. In de eerste plaats is het een monumentje voor de levenslange vriendschap tussen drie creatievelingen, en als zodanig is het absoluut geslaagd. Anderzijds wil Jaeger een lans breken voor een literair experiment waarvan ‘de inherente waarde lang is onderschat’. Dat is een nobel streven, maar tegelijkertijd is het moeilijk om te zien hoe een blad als Barbarber, met zijn verheerlijking van jongensachtigheid, meligheid en een totaal apolitieke houding, aansluiting zou moeten vinden met het hedendaagse culturele debat.

Eerder voelt het alsof de eens zo rebelse beweging nu definitief wordt ingelijfd en opgeborgen. Brands en Bernlef zijn bijna tien jaar dood. K. Schippers is degene die het gedachtegoed van Barbarber het langst heeft uitgedragen. Terwijl Bernlef uiteindelijk overstapte op traditioneler verhalend proza, met succes, bleef Schippers in zijn poëzie onvermoeid spelen en experimenteren. Verwondering over taal en de alledaagse werkelijkheid bleven de kern van zijn vrolijke oeuvre, waarvan hij de poëtische beginselverklaring al in 1959 afdrukte: ‘Als je goed/ om je heen kijkt/ dan zie je dat/ alles gekleurd is’. Tot op hoge leeftijd was hij productief, in juni verscheen nog een nieuwe roman, zijn vijftiende volgens mij: Nu je het zegt.

En nu is ook K. Schippers helaas heengegaan. Jaeger droeg haar boek aan hem op en bracht een eerbetoon aan zijn eeuwige jeugdigheid en de frisse tegendraadsheid van zijn gedichten, maar werkt onvermijdelijk ook een andere ontwikkeling in de hand: Barbarber is nu zelf deel geworden van de statige literatuurgeschiedenis waar de redacteuren zich zo vurig tegen verzetten. ‘Het leukste literaire blad van Nederland’ bleek geen aanval op de traditie te zijn, maar wist zich er juist perfect in te passen.