Niet vergeten

In New York was ik dagenlang op zoek naar een boekhandel. Op Columbus Square was een gigantische winkeltoren verrezen, een soort Kalvertoren zoals Amsterdam die heeft aan de Kalverstraat vlak bij de Munt, maar dan met hopeloos chique winkels. Er was een tijd dat ik opgewonden raakte in een winkel met alle soorten melkkloppers en cakevormen, maar die tijd heb ik al weer achter me gelaten.

Vier brede roltrappen brachten me hoger en hoger. Ik kijk niet neer op delicatessenzaken en chocolateriewinkels, maar ik vraag me af of er niet te veel van zijn. Helemaal boven bevonden zich de restanten van een boekwinkel, een Slegte in het kwadraat. Alles moest weg. Bodemprijzen. Kookboeken, biografieën van dode popsterren, strips, het was er allemaal en eenmaal in overvloed bijeen hoefde je er niks meer van te hebben. Toch kocht ik er wat. Een ‘five-year memory book’. Het was een dik gebonden boekje, met leeslint, semi-leder in een ouderwetse tint blauw die me aan een vroeger huis deed denken, met in goudopdruk ‘one line a day’. Op mooie gelinieerde pagina’s, de datum bovenaan, kon je vijf jaar op een rij je notities maken. Voortaan zou ik niets meer vergeten van alles wat ik op een dag opving, al die flarden die ’s nachts door m’n hoofd schoten, me mijn leeslampje deden aanknippen maar me meestal toch gewoon weer deden omdraaien, prevelend ‘niet vergeten’, om de volgende ochtend met drie mud aardappelen in het hoofd naar het plafond te staren.

Dit is nu driekwart jaar geleden, ik was in New York om Jennifer Egan te interviewen. Ik was niet tevreden over mijn gesprek met haar, en vraag me af en toe nog wel eens af waar dat nou aan lag. Zo’n aardig en leuk mens, zo talkative en vriendelijk. De mailcorrespondentie die aan het gesprek voorafging, had misschien te hoge verwachtingen gewekt. Al na twee mailtjes waren we op intieme voet en was ik precies op de hoogte van de whereabouts van ‘Jenny’. Toen het erop aankwam zat ik in een rumoerige lunchtent tegenover een vrouw die kwam aangesneld op haar flipflops, de kinderen hadden vakantie en waren nu alleen met haar man, die eigenlijk ook wel wat beters te doen had. Iedere vraag van mijn kant zette een geoliede monoloog in gang, alles om – zoals de schrijfster het uitdrukte – haar boek onder de mensen te brengen. En gelijk had ze natuurlijk, schrijven is business. Echt contact was – om met Connie Palmen te spreken – niet de bedoeling.

Alles wat ik schrijf komt voort uit compassie en nieuwsgierigheid, schreef ik die avond op de hotelkamer in het maagdelijke notitieboekje, Egan citerend. Yeah right schreef ik eronder.

Ik moest even zoeken naar het lichtblauwe boekje, omdat ik het al een tijdje geleden diep had weggestopt uit gêne. Tamelijk onhandig als je ergens iedere dag wat in wilt schrijven. Ik had gehoopt op niet alleen schrijnende doorkijkjes in de alledaagse werkelijkheid, maar ook op briljante invallen (‘Ramen zijn vreemde openingen in een gebouw’). In plaats daarvan staat er op 6 september ‘“gemeen en jaloers” gegoogeld’. In een half jaar tijd heb ik welgeteld vijf zinnen in het boekje genoteerd die ik net zo goed met een dikke stift kan doorkrassen ware het niet dat het dan zeker is dat ik het boekje nooit meer gebruik. Zou het helpen om iedere dag drie aforismen af te scheiden zoals Arnon Grunberg dat doet? Waar zou Robbert Dijkgraaf zijn zonder Matthijs van Nieuwkerk? Helpen waartegen? Wat misgun ik Dijkgraaf?

Niets is ‘volstrekt’ in deze wereld, schreef Patricia de Martelaere. Alles is met mate, altijd ook een beetje niet.

De Martelaere had geen lichtblauw boekje, of misschien ook wel. Achter in haar essaybundel Verrassingen staan haar ‘one lines a day’, al noemt zij ze ‘Voorgeschreven variaties’. Ik snapte eerst niet hoe ik ze moest lezen, toen ik nog haast had en op zoek was naar een pointe, maar inmiddels ben ik zo ver dat ik er iedere dag wat nieuws in lees. Wat verwachten wij? staat er bijvoorbeeld. Dat de zon morgen op zal gaan, of ook: dat wie van ons houdt dat wel zal blijven doen. Dat is redelijk, zo werkt de wereld. Hoe moeten we anders onze kleren klaarleggen voor morgen; hoe moeten we anders met iemand leven?

Het afgelopen semester gaf ik een werk­college literaire kritiek, waarbij ik mijn studenten liet oefenen met het schrijven van verschillende soorten stukken. Recensies, een essay, een column. Ik probeerde ze bij te brengen dat ze er niet naar moeten streven een punt te maken. Dat juist die puntigheid de meeste stukken zo onverteerbaar maakt, en zo middelmatig. Maar misschien vergis ik me. Moet je eerst jarenlang een punt ergens aan draaien, voordat je dat punt in alle rust durft te laten vallen.

Mijn broer en mijn zus komen straks hier eten, om te overleggen wat we moeten met onze moeder. Harriët Freezer schreef ooit de instantklassieker Wat doen we met moeder met de feestdagen?, vaak door mijn eigen moeder vrolijk aangehaald. Die feestdagen zijn we inmiddels wel voorbij.