‘Crow’, Ted Hughes

Niet voor vogelaars

Crow (1970) van Ted Hughes herontdekte ik door de novelle Grief Is the Thing with Feathers (2015) van Max Porter. Eind jaren negentig las het ik voor het eerst, een uitgave gebaseerd op de editie van 1972, waarin zeven gedichten die niet in de oorspronkelijke uitgave van 1970 stonden. De paperbackuitgave uit 1999 is lekker handzaam, elf bij achttien centimeter, met die verschrikkelijk goede tekening van Leonard Baskin voorop. Echt een vlezig ding, die kraai van Baskin, een beetje een bodybuilderbeest, met die brede borstkas en stevige poten. De figuur Crow is van alles en nog wat, een demon, een dichter, een verlosser, een zwart gat, maar uiteindelijk ook gewoon een kraai. Een klootzak van een kraai welteverstaan, die niet zingt maar krast, en krassen doen deze parabels ook. Alsof Hughes hier afrekent met zichzelf én met zijn vroegere poëzie, na de dood van Sylvia Plath, en na de dood van Assia Wevill en de vierjarige Shura – Crow is opgedragen aan Wevill en Shura. Hughes staat er niet best op in deze jaren, en in Crow maakt hij het niet mooier:

His kingdom is empty

The empty world, from which the last cry
Flapped hugely, hopelessly away
Into the blindness and dumbness and deafness of the gulf

Returning, shrunk, silent

To reign over silence.

Deze woede en zelfhaat kun je niet acteren. Bij nader inzien misschien niet zo’n zomerboek. Ook geen boek voor vogelaars. Maar wel ongelooflijk sterke poëzie. Veel vaart, veel halve zinnen. De bijbel en de mythologie als referenties zijn nooit ver weg, maar het zijn vooral de keiharde beelden en zinnen die Crow een meesterwerk maken. Naar mijn weten is Crow niet vertaald in het Nederlands. Het is nog niet te laat.