James Frey, In duizend stukjes; James Risen, Staat van oorlog

Niet waar, wel goed

James Frey

In duizend stukjes

Uit het Engels (A Million Little Pieces) vertaald door Sjaak de Jong

Bert Bakker, 383 blz., € 25,-

James Risen

Staat van oorlog: De geheime geschiedenis

van de CIA en de regering-Bush

Uit het Engels (State of War) vertaald

door Hans van Cuijlenborg en Han van der Vegt

Bert Bakker, 235 blz., € 17,95

Twee boeken hebben de afgelopen weken in de Verenigde Staten voor grote opwinding gezorgd vanwege hun waarheidsgehalte: A Million Little Pieces van James Frey en State of War van James Risen. Twee lezers uit Seattle hebben zelfs een rechtszaak aangespannen, omdat kostbare uren verloren zouden zijn gegaan met het lezen van het boek van Frey. Dat boek werd hun als de persoonlijke ervaring van de auteur verkocht, terwijl later bleek dat Frey belangrijke delen van het boek had verzonnen. Beide lezers hadden het boek aangeschaft voordat de website Smoking Gun gaten in Frey’s verhaal had geschoten.

Ook de openbare aanklager die de zaak ter hand heeft genomen, stelt dat deze mensen zijn benadeeld: «Als u in de supermarkt een pak koopt waar ‹spaghetti› op staat en thuis blijkt het rijst te zijn, bent u ook benadeeld.»

De aanklager zal vooral proberen aan te tonen dat Frey en zijn uitgever, Doubleday, hebben gehandeld in strijd met de Consumer Protection Act van de staat Washington. Rechts wetenschap pers hebben er echter weinig fiducie in. Zij wijzen op de moeilijkheid de waarde van de «verloren» tijd te bepalen, de hoogte van de schadeloosstelling. Die hangt af van de arbeidsproductiviteit van een lezer en, lastiger nog, van zijn leesgewoontes. Je hebt immers snelle en langzame lezers.

De kwestie-Frey is uit de hand gelopen. Het is een typisch voorbeeld van een hype, gecreëerd in de kolommen van lokale en nationale dagbladen en in televisie programma’s als die van Oprah Winfrey en Larry King. Wat is er gebeurd? James Frey (32) beschreef de strijd die hij als twintiger voerde tegen een forse alcohol- en cocaïneverslaving. Het resultaat, A Million Little Pieces, verscheen in 2003. In september 2005 besteeg het de bestsellerlijsten, toen Oprah Winfrey het uitkoos voor haar boekenclub, die achthonderdduizend leden telt. Het maakte Frey op slag miljonair. Winfrey wijdde er vervolgens een uitzending van haar televisieshow aan – met voormalig drugsverslaafden op de eerste rij – en de media deden de rest. Zo schreef het tijdschrift People: «Iedereen die zich ooit gebroken heeft gevoeld, en heeft verlangd naar een beter leven, zal inspiratie putten uit Frey’s verhaal.» Het aantal verkochte exemplaren steeg naar meer dan drie miljoen.

Maar begin dit jaar verschenen de onthullingen. Frey blijkt nooit te zijn gezocht in drie staten, zoals hij schrijft. Hij heeft niet drie maanden, maar slechts een paar uur in de gevangenis doorgebracht. Hij heeft nooit een politieagent overreden en ook nooit een tandheelkundige operatie zonder verdoving – omdat de kliniek het ge bruik van het verdovende middel niet toestond – ondergaan. En zijn vriendin heeft zich niet verhangen.

Frey verdedigde zich manmoedig. In een live uitzending van Larry King, met – veelbetekenend – zijn moeder aan zijn zijde, zei hij: «Memoir betekent letterlijk ‹mijn verhaal›. Een memoir is een subjectieve hervertelling van gebeurte nissen. Ik denk niet dat het terecht is te zeggen dat ik ook maar iemand heb opgelicht. Het boek telt 432 pagina’s, slechts achttien daarvan bevatten betwiste gebeurtenissen. Dat is minder dan vijf procent van het totale boek. Weet je, dat valt royaal binnen het domein van wat het genre toestaat.»

Larry King achtte zichzelf geen kenner op dit gebied, maar leek overtuigd. Het maakt niet uit, zei hij Frey na, hoe centraal de overdreven of verzonnen passages zijn. Als ze niet minder dan één twintigste van het totaal aantal pagina’s beslaan, mag je het verhaal «memoires» noemen. On verwacht belde Oprah Winfrey zelf op. Ze werd direct doorgeschakeld naar King en de rest van CNN-kijkend Amerika. Al klopte niet alles, zei Winfrey, de «onderliggende boodschap van verlossing» wordt er niet minder om. Probleem was alleen wel dat Frey eerder had gezegd, in verschillende interviews, dat hij niets had verzonnen: «Alles waarover ik schrijf is echt gebeurd» (Today Show). En: «Alle gebeurtenissen zoals die in het boek zijn beschreven, zijn gecheckt en feitelijk juist» (Cleveland Plain Dealer). Erger nog, ten overstaan van miljoenen kijkers had hij tegen Winfrey gezegd: «Ik denk dat ik over de gebeurtenissen oprecht, eerlijk en feitelijk juist heb geschreven.»

Oprecht en eerlijk, dat is het vocabulaire van Oprah Winfrey. Bekentenisliteratuur bestaat bij de gratie ervan; stijl is onder geschikt. Daarom ook was het spannend hoe Winfrey het boek zou blijven ver dedigen, ook in haar volgende uitzending, waarin ze opnieuw Frey en dit keer ook zijn uitgever had uitgenodigd. Misschien zou Winfrey het boek van Frey wel verdedigen juist vanwege het fictieve gehalte. Niet om de inspirerende, ontroerende of hoopvolle waarheid, maar omdat A Million Little Pieces goed is geschreven. Het leek on aan nemelijk. Eerder al had ze besloten zich voor namelijk op non-fictie te richten. Dan had ze ook geen last van elitair gezeur van schrijvers als Jonathan Franzen, die zich voor uitzending in allerlei interviews had afgevraagd of hij en zijn boek wel thuishoorden in het theekransje van Oprah Winfrey. Bovendien benadrukten literatoren voortdurend het verschil tussen de eigen ervaring en die van hun personages, wat Winfrey zichtbaar irriteerde.

Helaas, Winfrey bleek omgegaan. Ze bood haar publiek plechtig excuses voor haar vergissing: «Ik heb de indruk gegeven dat de waarheid er niet toe doet. Dat spijt me enorm.» En tegen de auteur: «Ik vind dat jij miljoenen lezers hebt bedonderd.» Frey zakte steeds verder weg in de bank, waar hij schaapachtig en schuldbewust nog slechts een paar excuses kon mompelen. Winfrey sloeg hem met de werkelijkheid om de oren. Frey’s «Ik heb een fout gemaakt» was haar niet genoeg. Toen hij erkende dat hij «met de gedachte had gespeeld dat hij zich de tandartsoperatie niet goed herinnerde» interrumpeerde Winfrey ogenblikkelijk: «Dat is geen gedachte! Dat is een leugen, James!» Ze keek de zaal in en verhief haar stem: «Een leugen! Ja! Ja! Ja!» En het publiek galmde mee in verontwaardiging.

Dat doen we met stoere mannen die jokken. Opeens was het een uitzending die deed denken aan die ontelbare keren dat Oprah Winfrey daders van huiselijk geweld de les leerde.

De vraag die rest, is of het boek waardeloos is nu bekend is dat cruciale elementen aan de verbeelding zijn ontsproten. Deze lezer vindt van niet. Frey is een meeslepende verteller die geneuzel schuwt en met een enorme vitaliteit de ene na de andere mokerslag uitdeelt in een aangrijpend verhaal. Ook kan ik geen begrip opbrengen voor lezers die zich gedupeerd voelen. Wat zijn dat voor lezers? Uit alles blijkt dat Frey overdrijft. Hij schrijft alsof hij zijn levensverhaal in een café over je uitstort, in een enorme haast, bijna hijgerig; een effect dat hij creëert door een uitgekiend gebruik van herhalingen. Wie zal serieus denken dat Ik, Jan Cremer geen overdrijvingen kent, of de memoires van Casanova. Levensverhalen van stoere mannen zijn altijd overdreven of «verfraaid», zoals Frey zacht pruttelde in de Oprah-uitzending. («Verfraaiingen?» tierde Winfrey. «Leugens, James, leugens!»)

Tegelijk is dat stoere, met het bijkomende gebrek aan humor, het enige wat stoort in het boek. Cafévertellers zijn narcistisch en ook Frey ontkomt daar niet aan. Hij houdt nog altijd van de verslaafde die hij ooit was. Die heeft toch maar al die ont beringen doorstaan. Bovendien is hij, hoewel hij de regels van het afkickcentrum aan zijn laars lapte, toch van de drank en de drugs afgekomen. Op eigen kracht. Dat hij zich in interviews de vergelijking met Hemingway liet aanleunen, zegt misschien genoeg.

Maar zo uniek als Oprah en consorten het doen voorkomen, is het geval-Frey niet. Er verschijnen meer succesvolle non-fictieboeken, waarvan de lezer zich kan afvragen wat er werkelijk waar is van de onthullingen die de auteur zijn lezer voorschotelt. Neem het boek State of War van New York Times-journalist James Risen, dat sinds enkele weken ook prominent figureert in de toptien van best verkochte non-fictie. Het boek, een van de talloze geheime geschiedenissen van de CIA, inmiddels een heus genre, vond een groot publiek onder meer omdat het een scoop bevatte. Risen onthulde dat enkele maanden na 11 september president Bush de nationale veiligheidsdienst NSA opdracht gaf telefoon gesprekken en andere communicatie berichten binnen de Verenigde Staten te onderscheppen, zonder dat de dienst daarvoor toestemming hoefde te vragen aan de bevoegde autoriteiten binnen de rechterlijke macht. Het NSA, beweert Risen, kan nu op ieder willekeurig moment zo’n vijfhonderd mensen binnen de lands grenzen direct afluisteren en heeft toegang tot telefoongesprekken en e-mails van nog eens miljoenen mensen. De kroon op deze onthulling was de erkenning ervan door het Witte Huis, dat er overigens niets on rechtmatigs in zag, omdat enkele belangrijke senatoren waren geïnformeerd en het Congres de president toestemming had gegeven «het nodige» te verrichten in de wereldwijde oorlog tegen het terrorisme.

Net als Frey is Risen een vakkundig schrijver. Deze oud-Pulitzer Prize-winnaar schreef een boek dat leest als een detective en recht doet aan de Amerikaanse fascinatie voor onthullingen. Die zijn spectaculair. Zo schrijft hij dat de CIA met het plan heeft gespeeld een veerboot in de Golf van Perzië tot zinken te brengen om Saddam Hoessein daarvan de schuld te geven. Of dat de CIA in de jaren negentig een over gelopen Rus atoomgeheimen aan Iran liet doorspelen, zodat Amerika meer zicht zou krijgen op de vorderingen van het Iraanse nucleaire programma. Tegelijkertijd laat Risen doorschemeren dat de CIA, op gericht als wapen in de Koude Oorlog, de eigen overbodigheid in de jaren negentig hoopte te bestrijden door te wijzen op het gevaar van nieuwe boevenstaten als Iran.

Maar er is wel een probleem. Om de hoek van het National Press Center – het mekka van de Amerikaanse politieke pers – staat een drankwinkel met de naam Woodward. Dat gegeven is te mooi om niet als zinnebeeld te gebruiken, want Bob Woodward, die enorme successen oogstte met boeken als The Commanders, Bush at War en, niet zo lang geleden, Plan of Attack, heeft school gemaakt: telkens als par lementaire onderzoeksjournalisten een boek schrijven, slaan ze wat al te voort varend in bij slijter Woodward. Zo luidt de eerste zin van Risens Staat van oorlog: «President Bush W. gooide boos de hoorn op de haak, waarmee hij zeer nadrukkelijk een einde maakte aan een gespannen gesprek met zijn vader, de voormalige president van de Verenigde Staten, George Herbert Walker Bush.» Een typische Woodward-zin. Omdat hij voor zijn boeken gebruik kon maken van veel goed ingewijde bronnen – voor zijn laatste boek sprak Woodward in totaal zeven uur met de president zelf en had hij toegang tot al diens medewerkers – accepteer je ook dat hij schrijft alsof hij er persoonlijk bij is geweest. Maar bij B-versies van Woodward ligt dat anders. Risen heeft een goede naam op gebouwd, zeker. Toch moet je maar gewoon geloven in zijn integriteit. Nagenoeg al zijn bronnen blijven anoniem. Natuurlijk, de CIA heeft er belang bij het eigen straatje schoon te vegen, maar feitelijk had de organisatie wel gelijk toen ze in een kribbig perscommuniqué opmerkte dat «de auteur erop vertrouwt dat de lezer de anonieme bronnen accepteert als mensen met kennis van zaken».

Dat weet Risen natuurlijk ook. Voor in zijn boek staat dan ook de opmerking dat «iedere verslaggever» weet dat de «beste verhalen» afhangen van de bereidheid van hooggeplaatste ambtenaren om anoniem te kleppen. Ja, dat haal je de koekoek. Na tuurlijk zijn oncontroleerbare verhalen goed. Verhalen in het café zijn vaak nog beter, maar dat maakt ze niet overtuigender. De CIA zegt dat Risens boek «vol fouten» staat. Risen blijft achter zijn verhaal staan. Wie moeten we geloven?

Voor veel Amerikanen is dat duidelijk. Die geloven en kopen alles waarin de veronderstelling wordt bevestigd dat Bush en zijn boeventroep niet deugen. Ook in Europa baarde de afluisterscoop meteen grote verontwaardiging, al is die niet van enige hypocrisie gespeend, aangezien Frankrijk er een veel misselijker, want veel minder controleerbaar spionage program ma op nahoudt.

Toch vindt een kleine meerderheid van de Amerikaanse bevolking het, ondanks reuring in het Congres, een geruststellend idee dat de president de NSA potentiële terroristen laat afluisteren. De voormalige NSA-baas, generaal Michael V Hayden, verwoordde de opvatting van die meerderheid toen hij naar de National Press Club kwam om het programma, dat onder zijn leiding was begonnen, te verdedigen: «Ik ben teleurgesteld in de standaardreactie van zovelen om direct het slechtste te verwachten. Ik probeer hier nu aan jullie over te brengen dat de mensen die dit doen, winkelen in Glen Burnie en dat hun kinderen voetballen in Laurel (twee brave buitenwijken van Washington DC – pvo). De mensen die hieraan werken, kennen de wet.» Waarmee hij maar wilde zeggen: geef ons, jullie beschermers, eens wat vertrouwen. Geloof in onze goede intenties. Meer dan de helft van de Amerikanen blijkt daartoe dus bereid.

Een miljoenenpubliek was ook bereid Frey te geloven, door zijn vertrouwen in De Geweldige Oprah Winfrey. Is dat vertrouwen beschaamd? Als Winfrey slechts wilde overbrengen dat A Million Little Pieces een goed boek is, dan niet. Als het om de authentieke ervaring van de hoofdpersoon gaat, dan wel. Want anders dan bij een journalistiek boek dat is gebaseerd op anonieme bronnen, is het vrij eenvoudig om cruciale informatie uit memoires te checken. Zegt de auteur dat hij in de gevangenis heeft gezeten? Bel het ministerie van Justitie. Zegt hij dat tandartsen in de kliniek Y opereren zonder verdoving? Bel de kliniek.

Maar anders dan bij het boek van James Risen kun je nog altijd de vraag stellen wat het ertoe doet dat James Frey passages heeft verzonnen, waarom hij daarover niet eerlijk is geweest. Het antwoord is dat echt leed verkoopt. Verbeeld leed slechts zelden.

Sterker, als roman had A Million Little Pieces niet eens de boekhandel gehaald, laat staan dat Oprah Winfrey het in haar boekenclub had opgenomen.

En als het niet waar is? Dat zal nu blijken. Beide boeken verdienen een groot publiek, niet om de verontwaardiging die ze hebben opgeroepen, maar om de kracht van beide vertellingen. Een van de vele woedende critici van Frey schreef op haar weblog: «Door dit gedoe vragen we ons allemaal af: is er een leugen die ik kan vertellen die mij ook rijk en machtig maakt?» Je zou terug willen brullen: dat hangt er maar helemaal van af hoe je die leugen vertelt.