Niet zo nobele wilden

Maurice Adams & Willem Lemmens (red.)
Hobbes: In de schaduw van Leviathan
Pelckman/Klement, 191 blz., € 19,50

‘Onder Saddam waren we alleen bang voor hem, nu zijn we bang voor iedereen.’ Deze uitspraak tekende de Volkskrant een jaar geleden op uit de mond van een Irakees. Het is een analyse die geheel past in de geest van de roemruchte filosoof Thomas Hobbes. De situatie in Irak lijkt dan ook heel sterk op wat Hobbes in zijn Leviathan (1651) schreef, namelijk dat ‘out of Civil States, there is alwayes Warre of every one against every one’.

Waar geen overheidsgezag functioneert heerst volgens Hobbes de ‘natuurtoestand’, waarin de naakte strijd om het voortbestaan, de machtswellust en de hebzucht regeren, en waarin zelfs degene die zelf niet geneigd is anderen te beroven of te vermoorden ten minste de indruk moet wekken dat hij hiertoe wel bereid is. En in deze natuurtoestand is het leven van de mens ‘solitary, poore, nasty, brutish, and short’.

Lang is Hobbes weggezet als een nare, onsympathieke denker, die het geestelijk fundament voor de totalitaire staat zou hebben gelegd. De individuele vrijheid komt in de politieke filosofie van Hobbes inderdaad in het gedrang, maar dat betekent niet dat zijn werk ons niets meer te zeggen heeft. Integendeel, zijn analyses en inzichten blijken, deels tot onze schrik, onverminderd actueel.

In deze bundel wordt een aantal aspecten van Hobbes’ denken behandeld, waarbij duidelijk wordt dat hij niet alleen invloed heeft gehad op het denken over politiek, maar ook op terreinen als de psychologie, de religie en de rechtsfilosofie. Wat de laatste discipline betreft: met zijn opvatting dat alleen een handeling strafbaar kan zijn, en de intentie tot een handeling nooit, formuleerde hij een beginsel dat sinds 11 september 2001 steeds vaker vergeten wordt.

Bijzonder boeiend is het artikel van Hans Achterhuis, over de oorsprong van het geweld. Heel lang moest Hobbes’ visie dat geweld kenmerkend was voor de ‘natuurtoestand’ van de mens het afleggen tegen de opvatting van Rousseau, die geloofde dat in diezelfde natuurtoestand de mensen relatief vreedzaam en onafhankelijk hadden geleefd. Het geweld zou pas zijn intrede hebben gedaan toen er georganiseerde samenlevingen ontstonden. Niet alleen recente ervaringen als de burgeroorlogen in Joegoslavië, Irak en Afghanistan – of de gewelddadige anarchie die in New Orleans uitbrak na de orkaan Katrina – laten zien dat het geweld juist daar oplaait waar sprake is van een failed state, ook heeft recent archeologisch en antropologisch onderzoek aangetoond dat de ‘nobele wilden’ van Rousseau heel wat minder nobel, en vooral heel wat gewelddadiger, waren dan men vaak heeft geloofd.