Kunst Picasso en de jazz

Niet zoeken maar vinden

In het Stedelijk Museum hangen de twee misschien wel belangrijkste schilders van de moderne tijd tegenover elkaar. Studieus versus pure improvisatie.

Picasso ligt begraven in Vauvenargues. Niet dat de erven Picasso willen dat je dat weet. Bij het hek van het Château de Vauven­argues – Picasso’s château – hangt een bordje met de tekst ‘Het Picasso Museum is in Parijs’. Met andere woorden: ‘Ga weg.’

Maar er zijn dagen, een paar elk jaar, dat het château in samenwerking met het Musée Granet in het nabije Aix-en-Provence open is voor kleine gezelschappen. Het Spaans aandoende château – kaal, rechthoekig, met twee simpele ronde torens – staat aan de voet van Mont St. Victoire, in de Franse Provence. De toegangspoort is klein, en je kunt je goed voorstellen dat hier in de zestiende eeuw een vermoeide reiziger aankomt, een diplomaat misschien, een boodschapper – die daar voor de poort staat te wachten totdat hij door de wachtcommandant naar binnen wordt gelaten en uitkijkt over dat Franse landschap dat direct vanaf de zee hier naartoe gestuwd lijkt te worden. Het uitzicht is grandioos, over de geweldige Provençaalse bergen, onder de felblauwe hemel. De mistral is zacht, de krekels doorbreken de stilte. Het is het harde landschap, dorre struiken in de zon. Picasso kocht het in 1958, erdoor aangetrokken omdat de St. Victoire het lievelingsonderwerp was van Paul Cézanne, zijn grote voorbeeld.

De gids wijst erop als je door de poort gaat, anders loop je het voorbij. Voor de trappen ervan staat een typisch Picasso-beeld op een ovaal grasperkje: het is een primitief vrouwenlichaam: geen gezicht, grote buste, met een vaas in haar hand. ‘Hier ligt Pablo Picasso begraven, samen met zijn vrouw Jacqueline.’

Ook het château zelf heeft dat gevoel van een mausoleum: geen kamer is er veranderd, Picasso’s kwasten in het atelier zijn nooit afgestoft, de verfspetters zitten nog op de grond. De lege kamers en simpele houten meubelen doen Spartaans aan. Zijn erfgenamen wonen hier niet, misschien omdat het een rare geschiedenis heeft. Toen Picasso overleed, op 8 april 1973, begon het ineens te sneeuwen, alsof het leven even gedoofd werd. Picasso’s laatste vrouw Jacqueline stond de kinderen uit eerdere huwelijken (en Picasso had nogal wat vrouwen gehad) niet toe bij de begrafenis te zijn. Dertien jaar later, overmand door verdriet, schoot Jacqueline zichzelf dood. Geen fijne herinneringen.

Binnen in het kasteel tref je oude wapen­schilden aan, van de verschillende adellijke families die hier door de jaren heen hebben gewoond. Er is zelfs een kleine kapel – alhoewel Picasso relatief antireligie was, hield hij het kapelletje in ere.

Het enige wat duidelijk nieuw is, is de filmzaal. Weliswaar staan daar harde bankjes waar je in no time een houten kont van krijgt, maar ook hangt er een enorm plasmascherm, waarop een film over Picasso’s Vauvenarguese dagen wordt getoond. De film gaat over de link tussen Picasso en Cézanne (1839-1906). Picasso zag Cézanne als de oer-deconstructionist, iemand die zich niet zozeer interesseerde voor de figuren die hij schilderde, maar meer in de harmonie van de voor- en achtergrond en het verloop van kleuren. We zien de schilderijen waarop hij het landschap als het ware uit elkaar trekt, opbreekt in met elkaar corresponderende vlakken kleuren – kubisme avant la lettre. Of het meesterwerk L’homme à la pipe (1892-95): Cézanne schildert een simpele ambtenaar met een pijp, maar de kleuren van zijn jasje en shirt lijken buiten hun grenzen te treden, alsof hij oplost, van de voorgrond af, de achtergrond in.

‘La Passage’ noemde Picasso dit en op verschillende doeken deed hij daar eigen experimenten mee, te zien bijvoorbeeld in _Portrait de Fernande Olive_r (1909), al blijven Picasso’s vormen platter, de figuren primitiever. Het eerbetoon aan ‘monsieur Cézanne’ is ook in kleine dingen te vinden: Picasso ‘leende’ onderwerpen – de baders en harlekijnen – en zette zijn vriend Georges Braque in diens portret Cézanne’s kenmerkende bolhoedje op. Het enige waar hij zich nooit aan waagde was een landschap van de Mont St. Victoire, daar had Cézanne het alleenrecht op, vond Picasso.

En dan komt de film aan bij het werk dat Picasso hier maakte, in de periode dat hij rijk en beroemd was, dat hij niet alleen dit château had, maar huizen door heel Europa heen. In huiselijk geluk (relatief: er vloog wel eens een boord tegen de muur) legde Jacqueline met een van de eerste draagbare camera’s voor thuisgebruik vast hoe haar man werkte.

We zien hem lachen, hij schildert in korte broek, zonder shirt. Een rond, klein boven­lichaam, als een tonnetje. Een bestelbusje rijdt voor, Picasso en de werklui smijten er een ladinkje schilderijen in, Picasso lacht, au revoir en we zien wel voor hoeveel ze geveild worden.

Tenminste, dat dacht hij waarschijnlijk. Tot aan zijn dood was Picasso onredelijk bang dat zijn fortuin ineens weg zou zijn. Het is moeilijk voor te stellen: het château, veilig in het dal, moet tientallen miljoenen waard zijn, bijna net zoveel als die doeken die in het busje werden gedonderd.

In het Stedelijk Museum in Amsterdam hangt een aangezicht van de Mont St. Victoire, in 1888 gemaakt door Cézanne in een periode dat hij zich los probeerde te schilderen uit het impressionisme. Je ziet nog de verschietende kleuren en de ronde heuveltjes, maar er verschijnen ook steeds meer hoeken en vakken die het landschap rubriceren, tot kubussen doen veranderen. Het creëert een heel ander soort diepte dan het ooit gebruikelijke verdwijnperspectief (waarin diepte gesuggereerd wordt doordat alles dat ver weg is, ­kleiner wordt). Het is in alles een studieus schilderij.

Maar dan de Picasso: Femme assise au chapeau en form de posion uit 1942. Het doek hangt iets verderop in het Stedelijk. Een vrouw zit op een stoel, we zien haar zowel en profil als en face, Haar schouders, haar borsten, haar handen zijn karakteristiek hoekig en buiten proportie. Op haar hoofd draagt ze, zoals de titel al zegt, een vis (met citroentje en visbestek) als hoed.

In Frankrijk kun je zien hoe Picasso schilderde – onrustig, niet-studieus, hij sloeg met de kwasten, mengde ongeduldig verf. De schilderijen die hij in Vauvenargues maakte lijken op de vrouw met de vis als hoed, al was hij daar, inmiddels dik in de zeventig, nog maar weinig geïnteresseerd in vrouwenlichamen.

Of het een heel bewuste keuze was of niet, de medewerkers van het Musée Granet, dat verantwoordelijk was voor de video, hebben muziek van Chet Baker gemonteerd onder de opnamen. Jazz. De hese stem van Baker, een tetterende, soms melancholische, dan weer vrolijke ­trompet.

Het geeft de video met de verspringende beelden een zeker slapstick-gehalte, maar de jazz hoort erbij. Het werk dat Picasso hier maakte is bijna laconiek. Het heeft niet zo’n uitgedachte concentratie als zijn kubistische schilderijen, het mist het mystieke aura van zijn roze en blauwe periode. De doeken zijn vooral huiselijke taferelen, schilderijen van zijn dalmatiër en een antiek dressoir dat hij gekocht had, het uitzicht op het dorpje Vauvenargues. Een rijke, maar vrolijke tint groen overheerst – een tint die hij bewaarde voor de schilderijen die hij daar maakte. Maar het is werk van een grootmeester die in zijn stijl en zijn talent volledig eigen is. Die in vorm en volgorde experimenteert met zijn eigen beeldtaal. Het neigt naar Picasso’s bekende aforisme dat een kunstenaar niet zoekt maar toch vindt. Alles is geïmproviseerd, al doende schept men, alles is jazz.


Op vrijdag 26 april om 16.00 uur vindt het programma Confrontaties plaats in het Auditorium van het Stedelijk Museum. Met performances door Melanie Bojano en tapdanser Peter Kuit, muziek met componist/pianist Guus Janssen, David Kweksilber, klarinet, Rob Dirksen, contrabas en Bert Langenkamp, trompet en een gesprek met Werner Herbers. Hans Janssen ontrafelt hoe jazz en beeldende kunst op elkaar in gewerkt hebben. aaafestival.nl