Het nieuwe gezicht van Nederland Emmen

‘Niets doen is sowieso geen optie’

Emmen loopt leeg, ontgroent en vergrijst. Met een gerenoveerde dierentuin, een plein en een theater hoopt de stad aansluiting te vinden bij de nieuwe tijd.

‘De pinguïns hebben niet gebroed dit jaar. Ze waren van slag door de verhuizing.’ Wijbren Landman, bioloog en woordvoerder van Dierenpark Emmen, staat aan de rand van een verlaten pinguïnverblijf. Een ruig stukje Chileense kust in Drenthe. ‘Onze mensen zijn speciaal hiervoor naar Zuid-Amerika gegaan. Om de kust zo goed te bestuderen dat we het hier exact konden nabouwen.’ Hij wijst naar de keien langs de waterkant: ‘Die zijn precies hetzelfde als in Chili. En daar’ – hij wijst naar een klein maar wild stukje bossage – ‘dat is het broedgebied. Daar konden de bezoekers gewoon doorheen lopen.’ Oog in oog met de pinguïns.

Maar dat is verleden tijd. Want wat Landman ‘het mooiste pinguïnverblijf ter wereld’ noemt, wordt binnenkort gesloopt. Net als het aangrenzende stukje Andes, waar tot vorig jaar een grote lamakudde woonde. De lama’s grazen nu in een Duitse dierentuin, de pinguïns zwemmen een paar honderd meter verderop in een minder riant verblijf in het oude gedeelte van de dierentuin.

Het zijn de eerste tekenen van de grote operatie die Emmen te wachten staat. Doorgaans gebeurt er niet heel veel in de provinciestad in het verre oosten des lands, maar de komende jaren gaat de hele boel op de schop. Een nieuwe dierentuin, een tunnel, een theater, een plein. ‘Project Atalanta’ kost een slordige vijfhonderd miljoen euro, anderhalf keer het bedrag van de jaarlijkse begroting van de gemeente.

Landman, met khaki outfit en grijze baard, loopt van het pinguïnverblijf naar een hek tientallen meters verderop. Daarachter ligt een eindeloze lap grasland, onderdeel van de Bargeres, een modern en bescheiden natuurgebied dat ooit dienst deed als landbouwgrond en waar je nu kunt wandelen. In de verte, aan het einde van de ‘Es’, rijden auto’s over een kaarsrechte weg. Iets daarvoor staat een rijtje bomen. ‘Die hebben we net geplant. Over twee jaar, als de nieuwe dierentuin af is, moeten ze volgroeid zijn. Maar verder is hier nog niets te zien. Daar worden de mensen ongeduldig van.’

De stad Emmen bevindt zich op een breekpunt in de tijd. In de jaren zestig en zeventig maakte de stad een stormachtige groei door met uitdijende industrieterreinen, almaar groeiende werkgelegenheid en de bouw van eindeloze nieuwbouwwijken. In de jaren negentig volgden nieuwe hoogtijdagen met bezoekersrecords voor de internationaal geprezen dierentuin en successen voor FC Emmen, dat onder aanvoering van topschutter Michel van Oostrum jaren om de titel in de Eerste Divisie speelde. Maar het verval kwam onverwacht snel. Zowel de voetbalclub als de dierentuin werd kort geleden door noodingrepen gered van een faillissement. En de stad zelf kampte in de laatste decennia van de vorige eeuw door deïndustrialisatie met zwaar teruglopende werkgelegenheid, toenemende werkloosheid en een stevige braindrain. Kansrijke jongeren nemen de benen, meestal eerst naar universiteitsstad Groningen en vervolgens naar de Randstad. Daar zijn de meeste en de beste banen te vinden. Emmen loopt langzaam leeg, vergrijst en ontgroent.

Tien jaar geleden zag het er nog heel anders uit. Wethouder Ton Sleeking wil graag vertellen hoe het allemaal zo gekomen is. Hij drinkt koffie uit een wit porseleinen kopje aan een vergadertafel in de riante Villa Lindenhof. Een maand geleden heropende hij de jaren-dertigwoning na jarenlange leegstand als het Informatiehof. Bewoners en bezoekers kunnen hier de komende jaren het bouwproces van het Atalanta-project volgen en kijken naar 3D-filmpjes van het eindresultaat. ‘Op die manier kunnen de mensen het beter visualiseren. Dat vinden ze nu nog erg moeilijk. We noemen het trouwens niet meer Atalanta, maar Centrumvernieuwing Emmen.’ Een naam waar ook andere vernieuwingen onder vallen en die bovendien niet de negatieve associatie opwekt die bij ‘Atalanta’ in de loop der jaren bij veel burgers ontstond.

‘Zeven jaar geleden werd ik aangesteld op een groeiprogramma. We zouden negenhonderd woningen gaan bouwen. We verkochten er in die periode meer dan ooit’, vertelt Sleeking. Het waren ontwikkelingen die pasten in de toekomstvisie die in 2001 was geschetst door tno/Inro. Daarin voorspelde het adviesbureau voor Emmen een flinke groei. De bevolking van de gehele gemeente zou toenemen van 107.000 tot 111.000 in 2010 en 115.000 in 2020 en het aantal arbeidsplaatsen zou stijgen met tien procent, meer dan het geschatte landelijk gemiddelde. Op basis van de schattingen stelde de gemeente de ambitieuze Strategienota Emmen 2020 op. Daarin werd eerlijk verwezen naar de problemen die de stad kende. De stad zou deels de overstap maken van oude industrie naar de dienstensector: ‘De sterkste relatieve groei is te verwachten in zakelijke diensten, groothandel en verzorgende diensten als vrijetijdsindustrie en de zorgsector.’ Bovendien zou worden ingezet op het aantrekken van hoogwaardige werkgelegenheid, het creëren van een goed onderwijsklimaat en aantrekkelijke nieuwe woningen.

Het zijn eigenschappen die voor Emmen niet vanzelfsprekend zijn. ‘We scharen onszelf onder de new towns’, legt Sleeking uit: steden die in de jaren zestig en zeventig planmatig door de overheid uit de grond werden gestampt. Deels als middel om de bevolking gelijkmatig over het land te spreiden, maar in het geval van Emmen ook om de sociaal-economische crisis van de jaren veertig en vijftig te bezweren. Want die was groot. Tientallen jaren dreef de regionale economie op de veengraverij. Maar door de opkomst van de steenkool verloor veen zijn functie.

Datzelfde gold voor Zuidoost-Drenthe. Al voor de Tweede Wereldoorlog was het verval zichtbaar en aan het begin van de jaren vijftig was het einde definitief in zicht. ‘Turf als brandstof heeft voor Nederland in zijn geheel bezien zijn betekenis verloren, zodat op turf als brandstof voor de regering geen prijs meer wordt gesteld’, zo sprak toenmalig minister Huysmans van Economische Zaken. Hij wordt geciteerd in het boek De opbloei van een muurbloem van emeritus hoogleraar economische geografie Egbert Wever. Met de titel verwijst hij naar een citaat van de invloedrijke sociograaf Sjoerd Groenman. ‘Drenthe is de muurbloem der Nederlandse gewesten’, stelde hij in 1952 vast in zijn werk Drenthe’s economische ontwikkeling in 100 jaren.

Over de telefoon licht de Drent Wever het citaat vanuit zijn woonplaats in Gelderland toe. ‘In de jaren vijftig scoorde Drenthe op alle statistieken het slechtst. Werkloosheid, aansluiting op het elektriciteitsnet, banen per duizend inwoners, noem maar op. Het was een achterlijke provincie en stond bekend als gebied van plaggenhutten. Dat Groenman het een muurbloem noemde was dus niet zo gek.’

Dat de overheid ingreep was vanuit dat perspectief ook te begrijpen. Met geld uit het Marshallplan dat de Europese economie weer vlot moest trekken, werd het Welvaartsplan Zuid-Oost Drenthe geïmplementeerd. Er werd geïnvesteerd in infrastructuur en sociale voorzieningen en via belastingvoordelen en subsidies werden fabrieken gestimuleerd om vestigingen te openen in Emmen en de omliggende regio. En succesvolle industriële bedrijven kende Nederland genoeg. De economie groeide in de jaren vijftig zo hard dat er zelfs een tekort aan arbeidskrachten ontstond. Wever: ‘Philips haalde een tijd lang elke dag mensen met de bus uit België om in de fabriek te werken, maar dat was niet te doen. Ze waren blij dat ze in Zuidoost-Drenthe arbeidskrachten konden vinden.’

In Drenthe waren ze minstens zo blij. ‘Emmen had na de oorlog maar twaalfduizend inwoners. Maar in de jaren zestig en zeventig heeft het door de industrialisatie een stormachtige groei doorgemaakt’, aldus Wever.

Emmen ontwikkelde zich van veendorp tot industriestad en groeide tot ruim 57.000 inwoners in 2010. De gehele gemeente, in oppervlakte en aantal kernen een van de grootste van het land, telde in 2012 ruim 108.000 inwoners.

Hoewel het pas half negen in de ochtend is, is het druk buiten het Informatiehof. Vrijdag is hier marktdag en dat betekent veel bezoek, ook uit Duitsland. ‘Onze markt is laatst uitgeroepen tot beste markt van Nederland’, zegt wethouder Ton Sleeking. En daar is het gemeentebestuur trots op. Om de verkiezing te vieren stond een aantal wethouders kort geleden een paar uur als koopman achter een van de kramen. ‘Dat vonden de mensen erg leuk’, doet woordvoerder Renate Zuidema later uit de doeken. ‘Ze gingen speciaal in de rij staan om door een wethouder geholpen te worden.’

Het was dan ook al een tijd geleden dat burgers en bestuurders in Emmen samen iets te vieren hadden. De afgelopen jaren stonden vooral in het teken van de strijd tegen de cijfers en onder die omstandigheid is het voor een bestuurder moeilijk om het goed te doen. Want hoe ga je om met de mededeling dat je als stad gaat krimpen, terwijl je een paar jaar daarvoor nog te horen hebt gekregen dat de toekomst er rooskleurig uitziet? Dat de gemeente in 2020 geen 111.000 maar 108.000 inwoners zal tellen en in 2040 nog maar 101.000? ‘Je gaat eerst door een paar jaren van ontkenning’, zegt Sleeking met een grijns. Hij weet heel goed dat hij precies voldoet aan het cliché van een bestuurder in een krimpgemeente. Het grootste probleem, constateren alle deskundigen, is het psychologische aspect. Hoe verander je een groeigedachte in een krimpgedachte?

Sleeking wist al aan het begin van het millennium dat de positie van Emmen binnen de huidige economische en demografische trends niet ideaal was. In de Atlas voor Gemeenten 2001 valt te lezen dat de gemeente op gebieden als arbeidsparticipatie, opleidingsniveau, werkloosheid en aantal uitkeringen destijds fors slechter scoorde dan het landelijk gemiddelde. Een erfenis van het industriële verleden. ‘Net als alle andere oude industriesteden zijn we op zoek naar een nieuwe functie, een nieuwe identiteit. Dat wisten we tien, vijftien jaar geleden ook al. Maar het maakt veel verschil of je dat moet doen terwijl je groeit of terwijl je krimpt.’

In 2006 kwamen de eerste signalen dat Emmen rekening zou moeten houden met een bevolkingsdaling in plaats van -groei. De urbanisatie in Nederland en de vorming van metropoolregio’s verliepen sneller dan verwacht. Grensregio’s werden overvallen door een grote uittocht. Vooral van de jongeren van 15 tot 24 jaar trekt een groot deel weg naar meer kansrijke gebieden. Als deze groep de gemeente verlaat, verdwijnt meteen een flinke hoeveelheid potentiële nieuwe inwoners; de kinderen die ze krijgen worden elders geboren. In plaats van negenhonderd woningen bouwde Sleeking er in zijn eerste ambtstermijn 120. ‘Het is niet leuk als je dat als wethouder aan de raad moet vertellen.’

Het is een klacht die tegenwoordig vaak te horen is. Het hele systeem is gebaseerd op groei, zeker binnen de overheid. Subsidies, wethouderssalarissen, belastinginkomsten, ze worden allemaal hoger naarmate het bevolkingsaantal stijgt. Zodra de bevolking afneemt, ontstaan er op allerlei manieren tekorten. Een systeemfout, stelt hoogleraar regiomarketing Gert-Jan Hospers in het boekje Krimp! uit 2010: ‘Het lijkt erop alsof groei een doel op zich is geworden, met een eenvoudig principe: drie is niet alleen meer dan twee, het is ook iets beters.’ Dat Sleeking en zijn collega’s even moesten slikken toen ze werden geconfronteerd met de bevolkingsafname is volgens Hospers dan ook logisch. ‘Krimp suggereert verlies, neergang en bestuurlijk falen.’

De wethouder neemt een slok van zijn koffie. Hij is het inmiddels gewend te moeten praten over de lastige opgave waar de stad en hij voor staan. Kritische vragen pareert hij met geroutineerde antwoorden. ‘Niets doen is sowieso geen optie’, legt hij uit als wordt gevraagd naar de ingrijpende vernieuwingsoperatie die Emmen de komende jaren zal ondergaan. Als alles goed verloopt, zijn de dierentuin en het centrum van de stad over een jaar of twee onherkenbaar veranderd. Met ‘Atalanta’ is een slordige vijfhonderd miljoen euro gemoeid en dat is veel geld voor een stad in zwaar weer. Een beperkt deel van het bedrag komt uit Den Haag, een deel van de provincie, een deel van particuliere investeerders en een groot deel uit de gemeentekas. Volgens de wethouder gaat het om 85 miljoen, maar Het Financieele Dagblad kwam op een bedrag van 179 miljoen euro. ‘Je kunt ook zeggen dat het juist mooi is dat wij als een van de weinige gemeenten in tijden van recessie durven te investeren in de toekomst. Is dat niet juist onze taak?’

Atalanta,of Centrumvernieuwing Emmen, houdt de gemoederen al jaren bezig. Is het financiële zelfmoord van een stad in verval of een goede stap op weg naar een gezonde toekomst? Meermalen leek het plan door de gemeenteraad te zijn goedgekeurd, waarna het later alsnog werd teruggestuurd. De financiële onderbouwing van het project is namelijk gammel.

Het begon allemaal ruim tien jaar geleden met de wens van de dierentuin om te vernieuwen. Dierenpark Emmen was jarenlang marktleider binnen de wereld van de Nederlandse dierentuinen en trok in de jaren negentig jaarlijks ruim anderhalf miljoen bezoekers. In het park werd gepionierd met leefruimtes zonder hekken, giraffen, zebra’s en neushoorns die vrij door het groene grasland lopen, tijgers die zich kunnen verstoppen tussen de planten en olifanten die spelen in het water. De tralies voorbij. ‘Dat was toen uniek’, vertelt Wijbren Landman trots. ‘Maar nu is dat niet bijzonder meer. Andere dierentuinen hebben ons gekopieerd. We hebben de bezoekersaantallen langzaam zien dalen.’

Vandaag de dag komt de dierentuin niet verder dan ongeveer zevenhonderdduizend bezoekers per jaar. En dat terwijl in tijden van deïndustrialisatie de dierentuin juist steeds belangrijker werd voor de lokale economie. Bij het park werken honderden mensen en bovendien nuttigen bezoekers na afloop van het bezoek vaak nog iets bij een van de horecagelegenheden in het centrum.

Bouke Arends, wethouder van Economische Zaken, rekent even snel voor. ‘Stel dat een bezoeker buiten de dierentuin gemiddeld 4,50 euro uitgeeft en je gaat uit van zevenhonderdduizend bezoekers nu, dan kom je op ruim drie miljoen euro aan uitgaven in de horeca. Als je anderhalf miljoen bezoekers trekt, dan is dat bedrag dus meer dan twee keer zo hoog. Het gaat om grote bedragen.’

In een poging de stroom voor te blijven, opende de dierentuin tien jaar geleden een dependance op een steenworp afstand van het park. Daar streken de pinguïns, de lama’s en de bavianen neer en werd een grote overdekte speeltuin gebouwd. Juist op die plek kijkt Landman nu al weer naar lege dierenverblijven. ‘Dit wordt gesloopt en op de plek waar we nu staan, lopen als het goed is over twee jaar olifanten door het water en hangen apen in de bomen.’ Bezoekers varen er in een bootje tussendoor en klauteren over touwbruggen tussen de apen van boomtop naar boomtop.

Landman leidt de weg terug naar de hoofdlocatie van de dierentuin. Via een betonnen loopbrug beland je direct in het centrum van de stad, op de markt en bij de ingang van het park. ‘Emmenaren zijn daar nu aan gewend, dat de dierentuin midden in het centrum ligt. Ze vinden het niet leuk dat het anders wordt.’

Zelf heeft Landman daar weinig last van. Hij kijkt vooral uit naar het spectaculaire eindresultaat. In een opslagruimte naast de krokodillen laat hij de maquette zien. Lang werd het geheim gehouden, angstig dat het concept gestolen zou worden. Gemeenteraadsleden moesten bij de behandeling van de Centrumvernieuwing zelfs voor geheimhouding tekenen voordat ze de plannen van het dierenpark mochten inzien. Een aantal raadsleden weigerde uit principe.

Landman doet een stekker in het stopcontact om de maquette goed te belichten. Onder de lampen is precies te zien hoe de safaritruck tussen de giraffen en zebra’s door rijdt en de leeuwen luieren in de zon. Er is niet voor niets gekozen voor de term ‘belevenispark’. Mensen gaan straks niet meer naar Emmen om dieren te bekijken, maar om zich te laten onderdompelen in de sferen van het Aziatische tropisch regenwoud, de Afrikaanse savanne en de Noordpool. Over alle details is nagedacht. Het restaurant bij de olifanten is gebouwd in de stijl van Zuidoost-Azië, op houten palen. Op de savanne worden de voorzieningen ondergebracht in lemen hutten en de entree bevindt zich in een Cambodjaanse tempel. Landman wijst naar een ruïne die sprekend lijkt op het Colosseum in Rome. ‘Daar komt onze bavianenkolonie. De bavianen zitten op de tribunes en de mensen staan beneden in de arena.’

Al eerder vertelde hij over de aantrekkingskracht van de grote groep bavianen. ‘Daar gaan mensen echt speciaal voor zitten. Ze pakken er een stoel bij. Met 130 bavianen gebeurt er altijd wel wat, er is altijd iets te zien.’ Actie. Het is een van de belangrijkste overwegingen geweest bij de keuze voor de drie biotopen. Aan luie, liggende beesten is weinig te zien. Mensen willen waar voor hun geld. ‘Er is een reden dat stokstaartjes zo populair zijn. Die zijn altijd in de weer. Om de een of andere reden willen veel dierentuinen graag een reuzenpanda, maar die doet echt helemaal niets behalve de hele dag zitten en eten.’ Het team van de dierentuin is dan ook de hele wereld af gereisd om verschillende biotopen te bestuderen. Ze kwamen uit op ‘hete droogte, ijzige kou en vochtige warmte’.

In het Informatiehof honderd meter verderop moeten wethouder Sleeking en programmadirecteur Centrumvernieuwing Geert Marissen lachen om de namen. ‘Welke waren het ook al weer? IJzige droogte? Hete kou?’ Om daarna op ernstige toon verder te gaan. Marissen, een Drent op leeftijd, heeft eerst even de kat uit de boom gekeken. Toch niet weer zo’n journalist uit het westen die zijn stad en de bouwplannen komt afzeiken? Nu loopt hij om de tafel heen om een tweede kopje koffie aan te bieden. ‘Als ik in het westen ben en mensen vraag hoeveel inwoners Emmen en Heerenveen hebben, dan schatten ze Emmen op twintigduizend en Heerenveen op dertigduizend. Maar Heerenveen heeft maar 29.000 inwoners en wij 57.000.’ Het is allemaal beeldvorming, wil hij maar zeggen. En daarbij draait alles om symbolen. Thialf in Heerenveen en de dierentuin in Emmen. ‘Negen van de tien Nederlanders kent Emmen van de dierentuin. Het hoort bij onze stad.’ En dus was het geen optie om het park verder te laten aanmodderen.

Sleeking haakt in. ‘Dan zou het binnen een paar jaar niet meer zijn dan een veredeld hertenkamp.’ ‘Nou, zo ver zou ik niet willen gaan’, reageert Marissen. ‘Maar er moest wel worden ingegrepen.’ Sleeking op nuchtere toon: ‘Als we vanuit deze kamer naar buiten kijken kunnen we de leeuwen zien liggen. De locatie in het centrum is mooi, maar zorgt er ook voor dat de dierentuin geen ruimte heeft om uit te groeien en te vernieuwen.’ Even is nagedacht over een grootscheepse renovatie. ‘Maar dat is geen reële optie’, stelt Sleeking. ‘Dan zou het lange tijd moeten sluiten, of we zouden bezoekers moeten ontvangen in een bouwput. Dat zou funest zijn.’

Zeker ook omdat de dierentuin toch al jaren aan de rand van de financiële afgrond balanceert. Nadat het directie-echtpaar Jaap en Aleid Rensen, de geestelijke ouders van het vooruitstrevende park, in 1995 terugtraden, raakte de gehele organisatie in het slop. In 2010 boekte de dierentuin een verlies van vijf miljoen euro en moest de gemeente een lening van 1,4 miljoen verstrekken om een faillissement af te wenden. Met Frankwin van Beers werd een nieuwe directeur aangesteld die financieel orde op zaken moest stellen en de dierentuin door de verhuizing en naar een gezonde toekomst moet leiden. Een opdracht waar veel druk op staat. De buitenwacht is kritisch en de financiële risico’s zijn groot. Om rendabel te zijn, moet de nieuwe dierentuin jaarlijks 1,3 miljoen bezoekers trekken. Bijna twee keer zo veel als nu het geval is. ‘Dat moet haalbaar zijn’, vindt Landman. ‘Waarom niet? Ik durf te zeggen dat we met ons nieuwe concept kunnen concurreren met Euro Disney in Parijs.’

‘Soms vraag ik me af waar ze mee bezig zijn’, reageert René van der Weide, 25 jaar en al zeven jaar gemeenteraadslid in Emmen. Hij gaat als fractievoorzitter van Wakker Emmen voorop in de strijd tegen ‘de megalomane plannen van het gemeentebestuur’. En dat is lastig. ‘Ooit is het dualisme uitgevonden, maar dat wordt hier niet in praktijk gebracht.’ Al jaren verwoordt hij tegenover de regenboogcoalitie met pvda, vvd en cda de kritiek die ook bij veel burgers leeft. Hoe kun je zoveel geld steken in een stadsvernieuwingsplan terwijl basisvoorzieningen door de krimp dreigen te verdwijnen? ‘Ik hoorde laatst een hoogleraar citymarketing zeggen: pas op dat je je eigen klanten niet vergeet. Maar dat is precies wat hier gebeurt. In al hun ambitie om Emmen op de kaart te zetten, vergeten de bestuurders de belangen van de bewoners.’ >

Hij heeft een waslijst aan kritische punten. Ten eerste de exploitatie van de dierentuin. ‘Er ligt een rapport van adviesbureau Twynstra Gudde waarin staat dat het een alles-of-niets-plan is. Als de 1,3 miljoen bezoekers niet worden gehaald, wordt het een financieel drama. De dierentuin kan dat niet opvangen, dus zal de gemeente ervoor moeten opdraaien.’

En hoe realistisch is het om te denken dat dat aantal wordt gehaald? ‘Ik geloof er niets van. Om het te halen, moet het park zich op sommige bedrijfspunten meten met de Efteling. Dat is een van de beste attractieparken van Europa! Als je bedenkt dat een kaartje dertig euro gaat kosten en mensen er uren voor in de auto moeten zitten, vraag ik me af hoeveel mensen dat ervoor over hebben.’ Bovendien, benadrukt hij een van de meest gehoorde punten van kritiek: ‘Als de dierentuin uit het centrum verdwijnt, lopen de ondernemers inkomsten mis.’

Maar dat is lang niet alles. Nog gekker vindt hij de plannen om een tunnel en een plein aan te leggen. ‘Dit wordt echt de onzinnigste tunnel van het land. Hij wordt 235 meter lang, kost meer dan veertig miljoen euro en dat alleen om twee verkeerslichten te omzeilen.’ En dan het plein. ‘Dat wordt alleen maar aangelegd omdat er anders boven op de tunnel een lege asfaltvlakte ligt.’

Hij weet het zeker, het is de bestuurders in hun bol geslagen. ‘Wist je dat ze Emmen kandidaat wilden stellen als Culturele Hoofdstad van Europa in 2015? Hoe haal je het in je hoofd? Je hebt een theater dat op instorten staat! En laatst is er vier ton vrijgemaakt voor evenementen die de stad nationaal en internationaal op de kaart moeten zetten.’ Zoals het NK marathon op natuurijs vorig jaar en ritten in de Giro d’Italia en de Vuelta waar de stad voor de komende jaren zonder succes naar hengelde. ‘Waarom? Je bent Emmen! Ik heb ook niet de wijsheid in pacht, maar daarom zeg ik: luister nou naar de mensen van Twynstra Gudde, die hebben ervoor gestudeerd.’

Hij haalt even adem en vervolgt: ‘Er zijn genoeg colleges gevallen op alleen een theater. Moet je nou als Emmen een theater, een plein, een tunnel en een dierentuin in één keer doen? Ik vrees dat Atalanta een financiële strop wordt.’

‘Zegt René dat? Ik dacht juist dat hij enthousiaster werd naarmate het bouwproces dichterbij komt’, zegt wethouder Sleeking met een cynisch lachje. ‘Wist je dat hij uit Klazienaveen komt? En hij woont op een van de duurste plekken van Emmen.’ De wethouder hoort de kritiek al jaren en heeft zich inmiddels gewapend met stevig afweergeschut. ‘Even voor de duidelijkheid: je kunt de verschillende onderdelen van de vernieuwing niet los van elkaar zien. De tunnel en het plein zijn nodig om de dierentuin goed bereikbaar te maken en bij het centrum te betrekken.’

Het plan is simpel. De dierentuin verhuist naar de Noordbargeres, op een steenworp afstand van de huidige locatie midden in het centrum, maar wel aan de andere kant van de Hondsrug, een kille vierbaansweg in jaren-zeventigstijl. Om de oversteek te maken kun je als voetganger eerst een parkeerplaats oversteken en dan op een tochtige hoek wachten tot het voetgangerslicht op groen springt. Of je kunt oversteken via de betonnen loopbrug. Allebei onaantrekkelijke opties.

Om een oplossing voor het vraagstuk van de verbinding te vinden werd zeven jaar geleden de stedenbouwkundige Ashok Bhalotra aangesteld. Rotterdammer, dromer en idealist. Sinds 2006 pendelt hij met de trein voortdurend heen en weer tussen het westen en het oosten van het land.

Ook vandaag is hij in Emmen voor besprekingen, besprekingen en nog meer besprekingen. In een kantoortje in een loopbrug boven de Hondsrug, die twee delen van het gemeentehuis met elkaar verbindt, blikt hij terug op toen. ‘Ik kende Emmen nauwelijks. Ik was er een keer geweest in de jaren zeventig als student bouwkunde. Niet voor de dierentuin, maar om de nieuwbouwwijk van Niek de Boer te bekijken. Hij bedacht het woonerf als nieuw concept. Dat vond ik indrukwekkend.’ Dertig jaar later kwam hij om te praten over de centrumvernieuwing en kreeg direct de opdracht mee om een eerste concept op te stellen. ‘In de trein naar huis kreeg ik het gevoel dat er iets niet klopte. Er was een te grote kloof tussen de bestuurders en de bewoners.’ Hij belde de volgende dag op voor een nieuwe afspraak en om te vertellen dat hij het anders wilde doen. ‘Eerst een jaar praten met de bewoners, dan een jaar bespreken tussen bewoners en bestuurders en dan pas zouden wij op basis daarvan onze plannen vertellen.’

In 2007 leidde het tot het ideeënboek Spoorzoeken: Ontwikkelingsvisie Dierenpark Emmen, waarin de ideeën van het volk werden gebundeld. Vorig jaar verscheen het inspiratieboekje Mijn plein over het nieuwe centrumplein. Daarin opent Bhalotra met een citaat van Antoine de Saint-Exupéry:

Wanneer je een schip wilt gaan bouwen,

breng dan geen mensen bijeen

Om timmerhout te sjouwen of te

tekenen alleen.

Voorkom dat ze taken ontvangen,

deel evenmin plannen mee,

Maar leer eerst de mensen verlangen

naar de eindeloze zee

‘Toen ik hier in het begin kwam, kreeg ik steeds te horen dat ik niet te groot moest denken want ik was in Emmen. Dat men in Emmen graag met beide benen op de grond staat, dat Emmenaren niet houden van verandering. Maar dat geloof ik niet. Ieder mens heeft een kloppend hart. Dat moet je zien te vinden en zien te raken.’

Dat ging niet makkelijk, want om het hart zit bij veel Emmenaren een pantser. Het lage opleidingsniveau en de hoge werkloosheid waren al geen beste basis voor vertrouwen in een mooie toekomst en de economische recessie en voorspelde krimp stemden het volk alleen maar minder positief. Van der Weide van Wakker Emmen: ‘Dit plan is bedacht in de economische hoogtijdagen, toen the sky the limit was en toen we als gemeente veel geld kregen uit de aardgasbaten. Maar de situatie is nu anders. Overal is geld te kort.’ En dan is vijfhonderd miljoen euro voor een centrumvernieuwing een beangstigend groot bedrag. Was het niet beter om het gewoon op z’n beloop te laten en de tijd zijn gang te laten gaan?

‘Dat zou geen verstandige keuze zijn’, meent Jan Latten, hoogleraar demografie aan de Universiteit van Amsterdam en hoofddemograaf bij het Centraal Bureau voor de Statistiek. ‘Als je niets doet, zal de afname van inwoners, werkgelegenheid en voorzieningen juist sneller verlopen en selectiever kunnen zijn.’ De kansrijke, mobiele inwoners zullen dan eerder voor een andere woonplaats kiezen. ‘Op zich is het een goed idee om te proberen de stad aantrekkelijker te maken zodat de mensen die er nu wonen niet zo snel zullen vertrekken.’

Latten doelt vooral op de hoogopgeleide jongeren en jonge gezinnen die vandaag de dag bijzonder kieskeurig zijn bij hun keuze voor een woonplaats. ‘Ze willen een ruime keuze op het gebied van werkgelegenheid en bovendien goede voorzieningen op het gebied van onder andere cultuur, recreatie en horeca.’ En dat heeft Emmen momenteel niet in de aanbieding. Voor de derde keer in vier jaar eindigde de stad ook dit voorjaar weer op de laatste plaats in de jaarlijkse keuring van de Atlas voor Gemeenten. Daarin worden de vijftig grootste gemeenten beoordeeld op aantrekkelijkheid en op de sociaal-economische situatie. Op beide fronten werd Emmen laatste. Pijnpunten zijn nog steeds vooral de arbeidsongeschiktheid, de werkloosheid, de jeugdwerkloosheid, de participatie van vrouwen, de praktische bereikbaarheid van banen en het gebrek aan culturele en culinaire voorzieningen. Er zijn weliswaar relatief veel beschikbare banen, maar het gaat vooral om laaggeschoold werk.

Zoals ieder jaar werd in de landelijke media de spot gedreven met het lelijke eendje en zoals ieder jaar probeerde het bestuur zich te verweren. Wethouder Bouke Arends bijvoorbeeld vindt dat er wordt gemeten met oneerlijke criteria: ‘Wij kunnen er echt niets aan veranderen dat we niet dicht bij de zee liggen.’ Burgemeester Cees Bijl reageerde op BNR Nieuwsradio door de positieve punten van Emmen op te noemen en te vertellen dat uit onderzoek is gebleken dat de bewoners van Drenthe zo gelukkig zijn. Dat mensen in Emmen zo fijn wonen in hun stad in het groen.

Onderzoeker Gerard Marlet, verantwoordelijk voor de Atlas voor Gemeenten, legde vervolgens op Radio 1 nog maar eens uit dat het toch echt waar is dat Emmen slecht scoort op de punten waar (potentiële) inwoners een stad tegenwoordig op beoordelen. Jan Latten kan dit alleen maar beamen: ‘En dat gegeven wordt steeds belangrijker, want de concurrentie tussen steden, of eigenlijk tussen regio’s, wordt alleen maar groter. Mensen maken een heel bewuste keuze. We hebben de individualisering van de mens gehad en je kunt zeggen dat we nu te maken hebben met de individualisering van de stad. Je moet je kunnen onderscheiden met unieke kwaliteiten, anders val je af.’

Precies zoals ook het beleid van de rijksoverheid tegenwoordig is gericht op sterke kwaliteiten in plaats van zwakke. Werden Emmen en omstreken en andere probleemregio’s in de decennia na de Tweede Wereldoorlog nog ondersteund door middel van welvaartsplannen en het spreidingsbeleid van rijksdiensten, tegenwoordig vallen ze buiten de boot. De rijksoverheid ondersteunt liever de economische topsectoren en clustert uit bezuinigingsoogpunt de rijksdiensten in een paar centrale steden. Emmen zag de afgelopen jaren al de topografische dienst van de rijksoverheid, de salarisadministratie van het ministerie van Defensie en een afdeling van het ministerie van Binnenlandse Zaken verdwijnen. Onlangs werd bekend dat ook het aantal banen op het kantoor van de Belastingdienst wordt gehalveerd. Weliswaar gaat het niet om duizenden banen, maar voor een stad in zwaar weer zijn het harde klappen.

Marijn Molema, onderzoeker regionale economie aan de Hogeschool Windesheim in Zwolle, vindt de beleidswijzigingen ingrijpende veranderingen. In zijn artikel Naoorlogs sociaal-economisch beleid doorgelicht laat hij zien hoe het overheidsbeleid aanvankelijk uitging van solidariteit, gelijke kansen en het ondersteunen van zwakke regio’s. Subsidies werden eerder gegeven op basis van achterstanden dan van kracht. Met het topsectorenbeleid dat minister Maxime Verhagen van Economische Zaken invoerde, wordt uitgegaan van het tegenovergestelde idee. Het geld gaat naar de winnaars, terwijl de zwakke broeders achter het net vissen.

En Emmen heeft al zo weinig kansen, legt Egbert Wever uit: ‘Assen profiteert van de nabijheid van Groningen, Meppel van de nabijheid van Zwolle. Maar bij Emmen houdt de wereld toch een beetje op. Voor steden als Emmen dreigt het mattheuseffect, constateert Gert-Jan Hospers in Krimp!, ‘naar het bijbelse principe dat we vinden in Mattheus 13:12: “Want wie heeft, zal nog meer krijgen, en wel in overvloed, maar wie niets heeft, hem zal zelfs wat hij heeft nog worden ontnomen.”’

Dit sluit aan bij de oude wens van Shell-topman Gerrit Wagner die in 1981 een commissie leidde die het ministerie van Economische Zaken moest adviseren over het te voeren industriebeleid. Hij sprak de gevleugelde woorden: ‘Don’t back the losers, but pick the winners.’ Destijds zorgde dat voor een storm van kritiek, nu is het een geaccepteerde vorm van beleid. Molema: ‘Veel regionale politici en bestuurders zijn in de beleidstaal, gericht op economische kansen en mogelijkheden, meegegaan. Ook zij willen datgene wat al sterk is, sterker maken.’

‘Wij gaan uit van onze eigen kracht’, zegt wethouder Sleeking. Marisse en hij staan op het punt te vertrekken naar het gemeentehuis aan de overkant van de markt; er moet weer vergaderd worden. De kracht van Emmen ligt bij de dierentuin, maar ook bij het overdekte winkelcentrum en de markt. ‘Ons winkelcentrum trekt jaarlijks negen miljoen bezoekers. Uit Nederland en Duitsland.’

En dan is er nog de chemische industrie waar de stad zijn slag mee hoopt te slaan. Als het aan de bestuurders ligt, ontwikkelt Emmen zich tot Europees topcentrum voor vezelchemie. Vorig jaar opende het Japanse contactlenzenbedrijf Menicon in Emmen zijn nieuwe Europese hoofdkantoor. ‘In het verleden openden hier alleen vestigingen van industriële bedrijven die elders hun hoofdkantoor hadden. We willen nu bedrijven trekken die juist hier hun hoofdkantoor vestigen. Dat levert werkgelegenheid op alle niveaus op.’ En mogelijk iets meer kapitaalkrachtige inwoners, de geldkraan die Emmen nu ontbeert. ‘We zetten de komende tijd helemaal in op de bio-based industrie. Heel vernieuwend en echt van deze tijd. Misschien’, zegt Sleeking voorzichtig, ‘komt de stad daarmee weer in beeld voor het topsectorenbeleid.’

Terug naar de basis, naar de industrie. Een keuze waar ook de grootste criticus van het bestuur, René van der Weide, zich in kan vinden. ‘We ondersteunen als gemeente bedrijven die zich hier willen vestigen.’ En dat kan nog beter. Bijvoorbeeld door een goed onderwijsklimaat. ‘We moeten zorgen dat de aansluiting tussen het onderwijs en het bedrijfsleven beter wordt. Onlangs is een nieuw techniekpact gesloten over samenwerking. Daar kan de gemeente een belangrijke rol in spelen. Maar dat is een politieke keuze die je moet maken. Waar zet je op in?’

De ambitie om uit te groeien tot Europees topcentrum van vezelchemie kent hij maar al te goed. ‘Ik hoop dat het lukt, maar ik weet gewoon niet of het realistisch is. Ik weet niet of het niet verstandiger is om wat kleiner in te zetten en te weten dat het lukt, dan om te ambitieus te zijn.’


Dit artikel kwam tot stand met steun van het Fonds voor Bijzondere Journalistieke Projecten

Het nieuwe gezicht van Nederland

Nederland krijgt onder invloed van grote economische en demografische veranderingen geleidelijk een ander gezicht. Grensgebieden met weinig economisch perspectief lopen leeg, terwijl het westen van het land overvol dreigt te worden. Om de ontwikkelingen bij te benen moeten veel dorpen, steden en regio’s op zoek naar een nieuwe identiteit. In deze serie reist Floor Milikowski door de provincies en belicht de worstelingen van een land in transitie.