De Nederlandse missies

Niets geleerd van Srebrenica

In zijn boek Uruzgan, Nederlandse militairen op missie 2005-2010 vraagt militair-historicus Christ Klep zich af of de grote inbreng van het parlement bij het uitzenden van militairen wenselijk is. ‘Parades zijn de enige makkelijke militaire operaties.’

OSAMA BIN LADEN mag dan gedood zijn, dat betekent niet dat het gedaan is met de Afghaanse avonturen van Nederlandse militairen en binnenkort ook politieagenten. In februari verliet de laatste Nederlandse militair de zuidelijke provincie Uruzgan, na een vierjarige missie (24 Nederlandse doden, honderden aan Afghaanse kant) die een zware wissel trok op de krijgsmacht. Op dit moment zijn in de noordelijke provincie Kunduz kwartiermakers druk bezig om de komst voor te bereiden van Nederlandse militairen en politieagenten die zich van medio 2011 tot medio 2014 gaan bezighouden met het trainen van Afghaanse agenten. ‘Toch een beetje blijven’, noemt militair-historicus Christ Klep dat in zijn nieuwste boek Uruzgan, Nederlandse militairen op missie 2005-2010.

Kunduz is al de zesde Afghaanse provincie waar Nederlandse eenheden zullen worden ingezet sinds ons land begin 2002 voor het eerst troepen leverde voor de stabilisatiemacht Isaf. Elk van die zes missies werd uitgezonden onder verantwoordelijkheid van de regering, maar niet dan nadat het parlement zich uitvoerig met de besluitvorming had mogen bemoeien. Zo is dat nu eenmaal geregeld in Nederland. De vraag is of het werkt.

Onder meer over die kwestie boog Christ Klep zich. De militair-historicus, die door toonaangevende media steeds vaker wordt gevraagd tekst en uitleg te geven over militaire gebeurtenissen, zoals onlangs de arrestatie van een Nederlandse F-16-piloot op verdenking van spionage, is er als eerste in geslaagd de missie met een historiserend oog te beschrijven. Zijn reconstructie van het soms bizarre besluitvormingsproces - het eerste Uruzgan-debat in een lange reeks draaide om de vraag of de regering nu een 'besluit’ of een 'voornemen tot een besluit’ aan het parlement kenbaar had gemaakt - is scherp en uitputtend.

Klep vertelt dat hij al jaren gefascineerd is door het gat tussen de politieke wenselijkheid en de militaire werkelijkheid dat vrijwel altijd bestaat bij crisisbeheersingsoperaties: 'Het zal altijd slechter gaan dan we denken dat het zal gaan. Dat is een ijzeren wetmatigheid in mijn vak. Parades zijn de enige makkelijke militaire operaties. Echte operaties lopen anders dan gehoopt. Daarom plannen militairen altijd onder onzekerheid - dat is hun vak. Als je ze ernaar vraagt kunnen ze moeiteloos allerlei scenario’s op tafel leggen.’

MAAR DAAR VRAGEN Nederlandse parlementariërs nu juist zelden naar, terwijl ze daarvoor wel de ruimte hebben. Na het Srebrenica-debacle in 1995, waar een uitgedund Nederlands VN-bataljon niet voorkwam dat zo'n zevenduizend Bosnjakken werden vermoord, werd een steviger besluitprocedure van kracht. Dat het destijds in Bosnië zo gruwelijk misliep kwam onder meer doordat een parlementaire meerderheid zó graag wilde dat Nederland de belaagde Bosnjakken hielp dat zij de risico’s veel te licht woog.

Nederland leerde zijn les the hard way. Srebrenica knakte de internationale reputatie van Den Haag als 'kampioen mensenrechten’ en de krijgsmacht kampte tot de Uruzgan-missie met een fiks trauma. Om de besluitvorming grondiger te maken werd nog tijdens de Srebrenica-missie een Toetsingskader opgesteld. De lijst met aandachtspunten werd enkele keren bijgesteld. Tegenwoordig bevat hij er vijftien, onderverdeeld in politieke en militaire criteria die variëren van 'gronden voor deelname’ tot 'risico’s’ en 'kosten’. Op de lijst staan overigens ook 'ontwikkelingssamenwerking’ en 'gender’ - punten die weinig naties ook maar in de verste verte zouden associëren met het militaire bedrijf. Tijdens de grondwetswijziging in 2000 werd bovendien een artikel 100 toegevoegd. Nog steeds is het uitzenden van militairen een zaak van de regering, maar zij is nu verplicht het parlement te informeren voorafgaand aan vredesmissies. Aangezien geen regering kan overleven als een Kamermeerderheid zo'n missie afwijst, heeft het parlement in feite een instemmingsrecht verworven.

Toen Klep eens scherp ging kijken naar de debatten en documenten rond de besluiten om troepen naar Uruzgan en Kunduz te sturen, merkte hij dat politieke wenselijkheid en militaire uitvoering vaak nog mijlenver uiteen liggen. En dat niet alleen: nog altijd bepalen morele mantra’s Nederlandse deelname.

Los van Duitsland, met zijn belaste verleden, is er geen land waar het parlement zozeer meeregeert bij het uitzenden van militairen. Klep denkt dat dat komt doordat Nederland nooit onder ogen heeft willen zien wat militaire macht vermag: 'We overgieten alles met een morele saus. We gaan niet om een helder militair doel te bereiken, maar om een goed bondgenoot te zijn en om mensen te helpen. Zo maskeren we ons gebrek aan een martiale traditie.’

KLEP SCHRIJFT DAT het soms belangrijker was dat Nederland in Zuid-Afghanistan aanwezig was dan dat duidelijk was wat er precies moest gebeuren. Klep: 'Het was eigenlijk al in 2003 duidelijk dat we naar Uruzgan zouden gaan. We zwommen een fuik in, want het was ondenkbaar dat we als Navo-bondgenoot zouden achterblijven. Vervolgens zie je dan dat de veertien andere criteria uit het Toetsingskader routinematig worden afgevinkt. De vraag naar de werkelijke uitvoerbaarheid, naar doelen en middelen, wordt niet gesteld. Het militaire apparaat zucht en kraakt en voert de opdracht uit. Dat is de can do-mentaliteit van de militair. Die vergroot in feite de fuikwerking.’ Mede daardoor gingen aanvankelijk veel te weinig troepen naar Uruzgan: 'Er was aanvankelijk sprake van twaalfhonderd man voor een enorm gebied. Nederland ging uit van een optimaal scenario waarin ook de vijand lekker meewerkte. We bleken dus niets geleerd te hebben van Srebrenica, terwijl we dachten het te hebben opgelost met de artikel 100-procedure en het Toetsingskader.’

Eimert van Middelkoop, minister van Defensie ten tijde van de Uruzgan-missie, is het niet met hem eens: 'Een fuik associeer ik met iets wat je én niet wilt én wat je fataal is geworden. Als het om Uruzgan gaat herken ik daar niets van.’ Toch schetst hij een beeld dat aansluit bij Kleps stelling dat de militaire uitvoerbaarheid ondergeschikt was aan het politieke doel: '2007 was een heel grimmig jaar. We werden bijna teruggeslagen op de kampen. Dat was niet aangenaam. Er zijn momenten geweest dat commandant der strijdkrachten Dick Berlijn (hoogste militair en adviseur van de minister - jb) en ik beseften dat de situatie serieus was, afgezet tegen de verwachting dat we er een succes van zouden maken. Dat we die verwachting hadden mag je naïef noemen. Maar niet iedereen kent de complexiteit van Afghanistan en van zo'n missie.’

Bert Bakker zat ruim twaalf jaar voor D66 in de Tweede Kamer, onder meer als woordvoerder defensie, en leidde in 2000 een commissie die het Toetsingskader evalueerde: 'Binnen de commissie vonden we dat er helder gesproken moest worden over de échte motieven om Nederlandse militairen op pad te sturen. Iedereen weet toch dat het bij ingrijpen in het Midden-Oosten draait om olie? Zeg dat dan gewoon. Dat geldt ook voor Uruzgan. In de publieke communicatie werd het volledig gegooid op de wederopbouw. Maar de hoofdreden om die missie te willen was dat we een grote rol wilden spelen in Afghanistan, en dat we daarmee wilden laten zien dat we een goede bondgenoot waren. Je kunt niet zeggen dat je schoolschriftjes gaat brengen terwijl er een hoop militairen sneuvelen. Mensen laten zich niet voor de gek houden, ze voelen dat er meer achter zit.’

CHRIST KLEP STELT voor dat het parlement vroeg in de besluitvorming de commandant der strijdkrachten (CDS) mag horen. In het openbaar, en niet geflankeerd door zijn minister. Bert Bakker vindt dat een goed idee. Hij denkt dat openbare hoorzittingen de militairen kunnen helpen hun zuiver militaire rol te spelen: 'Zodat ze als het nodig is in het openbaar durven te zeggen: dit neem ik niet voor mijn rekening.’

Oud-CDS Dick Berlijn vindt het geen goed idee: 'Ik vraag me af hoe zich dat verhoudt met ons parlementaire systeem. Wat als de CDS van alles roept wat de Kamer verontrust? Moet je dan weer de minister vragen wat hij daarvan vindt? Mijn ervaring is dat ministers zeer goed luisterende mensen zijn. Ik heb nooit de behoefte gevoeld om ook het parlement te informeren.’

Toen in 2007 de eerste verlengingsdiscussie begon te spelen, stak Berlijn niet onder stoelen of banken dat hij vond dat Nederland moest blijven. Dat deed hij in krachtige morele termen. In NRC Handelsblad sprak hij van 'een moreel failliet’ als het rijke Nederland de mensen- en vrouwenrechten in Afghanistan aan zijn de laars lapte. Daarmee nestelde de militair zich in de stoel van de politicus. Dat viel de minister van Defensie destijds óók op. Van Middelkoop: 'De CDS is een publiek figuur, daar moet je als minister wel tegen kunnen. Maar er is er maar één verantwoordelijk en dat is de minister.’ Nu, drie jaar na dato, wil hij zijn voormalige CDS niet alsnog afvallen, zegt hij.

Ook Bert Bakker ontgingen Berlijns morele imperatieven niet: 'Daar werd hij politicus. Dat zou ik als minister niet goed vinden. Ik waardeer hem, en ik begrijp ook dat militairen betrokken raken bij zoiets heftigs als Afghanistan en dat je dan van je hart geen moordkuil maakt. Maar Berlijn overschreed de grens, en behoorlijk ook.’

Dick Berlijn kan het zich niet meer precies herinneren: 'Het was in elk geval geen bewust plan. Ik heb me wellicht laten verleiden door de journalist, en het gevoel gehad dat ik er op dat moment wel iets over kon zeggen. De politieke afweging of we moeten deelnemen of niet is een zaak van de regering. Daar horen niet de militairen over te gaan, daar ben ik het volstrekt mee eens.’

Ook rond de missie naar Kunduz is sprake van het schuiven van competenties. GroenLinks, ChristenUnie en D66 hebben een groot aantal wijzigingen afgedwongen in de artikel 100-brief van de regering die niet allemaal even realistisch lijken. Van Middelkoop uitte zijn zorgen reeds in het Radio 1-programma Argos. Dick Berlijn en Bert Bakker sluiten zich daarbij aan. Bakker: 'Kamerleden zijn op de stoel van de regering gaan zitten, en wat nog erger is: ook op de stoel van de militairen. Kamerleden missen daarvoor de expertise. Ze hebben het over “terugkomdagen” voor de agenten. Dat is welzijnstaal! Ik had het in 2000, tijdens ons onderzoek, niet voor mogelijk gehouden dat het ooit zo zou gaan. Ik vind echt dat we moeten oppassen.’