Niets is dood

Ali Smith schrijft over de acute, drukkende, veranderende wereld zonder intellectualistisch abstract of gezocht politiek te worden.

Ali Smith thuis in Cambridge © David Sandison / eyevine / HH

Wat maakt een roman politiek? De personages, het onderwerp? Moeten er parlementariërs voorbijkomen? Of is elk boek dat zich op een specifiek moment op een specifieke plek afspeelt per definitie politiek, omdat plekken en tijdstippen altijd door politiek geraakt worden? Ali Smith kondigde aan dat ze een cyclus van vier romans zou schrijven die over de Brexit zouden gaan en sinds dat moment probeert ze er enigszins onderuit te krabbelen. Tenminste, zo lijkt het. De Schotse Smith (1962) is een publiekslieveling, verkoopt goed, heeft meerdere keren de shortlist van de Booker Prize gehaald. De Britse media doken gretig op haar mededeling, zo zeer dat ze het sindsdien probeert te downplayen.

In een interview in The Paris Review vorig jaar legde ze uit hoe het zat: al twintig jaar liep ze rond met het idee een serie boeken te schrijven over ouder worden, lang te leven, terwijl de wereld om je heen steeds sneller verandert. In de aanloop naar het EU-referendum reisde ze door Noord- en Zuid-Engeland en stond ze versteld hoe anders daar over Europa werd gedacht en gesproken dan in Londen en Cambridge, waar ze woonde. Opeens voorvoelde ze dat Brexit de verandering was waartegen ze haar personages moest aftekenen. Dus nee, ze wilde geen roman schrijven over Boris Johnson en Theresa May, maar over verandering. Daarom zou ze haar romans vernoemen naar de seizoenen.

Smith werkte al aan Herfst (2016; de vertaling verscheen vorig jaar) toen de uitslag van het referendum binnenkwam. In hoofdlijnen stond haar verhaal. Het is het verhaal van een 101-jarige man, Daniel Gluck, die in een ziekenhuisbed ligt terwijl zijn brein zich langzaam uitdraait. Hij heeft moeite zijn ogen open te houden en moeite ze dicht te doen. Onder zijn trillende oogleden komt het licht binnen en met dat licht beelden van vrienden en geliefden van vroeger, familieleden die aan de holocaust ontsnapten, kunstenaars en muzikanten die hij in de jaren zestig leerde kennen.

Bij hem in de kamer zit zijn oude buurmeisje, Elizabeth (die met de nodige snark door Smith wordt voorgesteld: ‘thirty-two years old, no-fixed-hours casual contract junior lecturer at a university in London, living the dream, her mother says, and she is, if the dream means having no job security and almost everything being too expensive to do and that you’re still in the same rented flat you had when you were a student over a decade ago’).

Ook Elizabeth zit vast in haar leven, op een typisch millennial-achtige manier; ze kan geen vaste baan krijgen, geen eigen huis, en in haar specifieke geval ook geen paspoort – in een reeks uitgesponnen kafkaëske scènes worden haar aanvraagformulieren steeds afgewezen. Bijvoorbeeld omdat haar pasfoto niet goed is. Je haar, zegt de man bij het loket, zit te dicht bij je gezicht. Maar mijn haar zit op mijn hoofd, zegt Elizabeth, en mijn gezicht zit ook op mijn hoofd.

In een aantal losse lyrische beschrijvingen somt Smith de staat van het land op. Haar taal is geënt op het beroemde openingshoofdstuk van A Tale of Two Cities van Dickens (‘It was the best of times, it was the worst of times’), waarbij ze de gekte in het land in tegenstellingen vangt. Door het hele land vinden mensen dat ze hebben verloren. Door het hele land vinden mensen dat ze hebben gewonnen. Door het hele land vinden mensen dat ze het juiste hebben gedaan en dat de andere mensen het verkeerde hebben gedaan. Door het hele land googleden mensen: wat is de EU?

Zou je Herfst als een Brexit-roman aanmerken als je niets van de intenties van de schrijver zou weten? De thematiek is aanwezig. In lange herinneringen krijg je te zien hoe de vriendschap tussen de oude Daniel en de kleine Elizabeth ontstaat. Haar moeder vindt het maar niets dat zij als schoolmeisje geïnteresseerd raakt in de buurman, met zijn vreemde buitenlandse naam en zijn buitenlandse manier van doen. Als ze hem wil interviewen voor een huiswerkopdracht stelt de moeder dat ze het interview maar verzint. Maar Elizabeth gaat toch en ontdekt dat Daniel een soort grootvaderfiguur is, dat op elke vraag een tegenvraag heeft, uitdagend en wijs. De gesprekken vormen het hart van de roman, ze zijn wijs en lief en geestig. Voor zover Herfst een Brexit-roman is, is het dus een anti-Brexit-roman: Herfst gaat over goede buren.

Net als Herfst is het nu verschenen Winter speels, los-vast, met een ongrijpbare verteller, die tussen perspectieven schakelt – van een alwetende naar een personale – en nu eens door de blik van de personages kijkt en dan weer boven het land hangt. Smith begint Winter met: ‘God was dood: dat om te beginnen. En de romantiek was dood. Ridderlijkheid was dood. Poëzie, proza, schilderkunst, ze waren allemaal dood, en kunst was dood. Theater en film waren allebei dood. Literatuur was dood. Het boek was dood. Modernisme, postmodernisme, realisme en surrealisme waren allemaal dood. Jazz was dood, popmuziek, disco, rap, klassieke muziek, dood. Cultuur was dood. Fatsoen, maatschappij, familiewaarden waren dood. Het verleden was dood. Geschiedenis was dood. De verzorgingsstaat was dood. Politiek was dood. Democratie was dood. Communisme, fascisme, neoliberalisme, kapitalisme, allemaal dood, en marxisme, dood, feminisme, ook dood. Politieke correctheid, dood. Racisme was dood. Godsdienst was dood. Nadenken was dood. Hoop was dood.’

Voor zover Herfst een Brexit-roman is, is het een anti-Brexit-roman: Herfst gaat over goede buren

Winter is somberder dan Herfst. Dat hoort, maar het neemt niet weg dat alles afhangt van hoe je het leest of voorleest. Smith is goed in sarcasme. In dit geval lijkt ‘alles is dood’ een beginselverklaring van de stand van het land en de cultuur, maar gedurende het boek blijkt ook dat die dingen toch nog leven, op hun eigen manier.

Winter heeft andere hoofdpersonen dan Herfst: de zussen Sofia en Iris, hun zoon (ze hebben hem ongeveer samen opgevoed) Art en diens vriendin, Charlotte. Ze komen bij elkaar voor een kerstdiner (dus familie is niet dood). Hoewel opticiens niets kunnen vinden, heeft de strenge, cynische, gepensioneerde zakenvrouw Sofia een vlekje in haar oog dat langzaam maar zeker de vorm van een babyhoofdje aanneemt. Zelf zou ze zich liever in een meer conventionele roman aantreffen, zegt ze, maar ze begint tegen het hoofdje te praten, dat vrolijk naar haar teruglacht. Iris is onconventioneel, een wereldburger die zojuist bootvluchtelingen heeft opgevangen in Griekenland – diezelfde bootvluchtelingen die Art zijn relatie kostten.

Art is een van de paradoxen waar Smith zo goed in is. Hij heet Art – maar zijn werk is het opsporen van copyright infringements door kunstenaars. Hij heeft een blog over natuur, maar kan zich niet heel druk maken over het effect van biologisch onafbreekbare plastic zakjes die in de oceanen terechtkomen. Hij stelt zich voor als ‘Arthur, van de Ronde Tafel’ maar is zelf degene die googlet (zoals in de openingsscène van de roman) ‘Ridderlijkheid is’, waarop Google voorstelt ‘is dood.’

Wanneer hij zich tegen Charlotte laat ontvallen dat hij zich niet heel druk kan maken over kapseizende bootjes vol vluchtelingen op de Middellandse Zee – want ze hebben er zelf voor ‘gekozen’ in die gammele bootjes te stappen – is voor haar de maat vol. Ze begint met deuren te slaan. Ze hackt zijn blog, begint radicale dingen te posten. Zijn ‘automatische egoïsme’ is abject, maar het lukt hem op een fundamenteel niveau niet haar woede serieus te nemen. Hij gelooft simpelweg niet dat haar politieke geweten echt is.

Wat doe je dan, als Kerst voor de deur staat? Art bedenkt dat zijn moeder Charlotte nooit heeft ontmoet en dus vraagt hij een ander meisje zich voor te doen als Charlotte en met hem mee te gaan naar het kerstdiner.

Politiek is dus niet dood, liefde ook niet, Kerst is niet dood, cadeautjes, fatsoen, maatschappij, debat zijn niet dood – want daar gaat het over tijdens de kerstdagen. De zussen zijn elkaars tegenbeelden, rationeel versus empathisch, nationalistisch versus kosmopoliet, cynisch versus naïef. Iris en Sofia verwijten elkaar van alles. Na afloop van een discussie over of Europa wel of geen vluchtelingen moet toelaten staan ze bijna hijgend tegenover elkaar, als boksers. En dan schrijft Smith: ‘Iris stak haar arm omhoog. Ze deed het zodat Sofia eronder kon komen. Sofia gaf zich gewonnen. Ze kwam onder de arm, legde haar hoofd op Iris’ borst.

Ik haat je, zei Sofia tegen Iris.
Iris blies warme lucht in het haar op Sofia’s kruin.
Ik jou ook, zei ze.’

Zulke haat is natuurlijk liefde. De grote klasse van Ali Smith is dat ze over de acute, drukkende, veranderende wereld schrijft, zonder ooit intellectualistisch abstract of gezocht politiek te worden; Herfst en Winter zitten vol ideeën en toch voelen ze niet aan als ideeënromans. Op een volkomen vanzelfsprekende manier komen de thema’s in de levens van haar personages ter sprake die in de rest van de maatschappij doorspelen. Solidariteit, verandering, het zoeken naar een thuis, de angst voor het onbekende, de frustratie met het bekende, de onzekerheid over de eigen identiteit. Brexit dus, al kun je daarbij stellen dat die thema’s voor alle landen in Europa spelen.