Als Fré Cohen geen mandoline in de hand heeft zit ze onveranderlijk te tekenen, circa 1928; © Museum Het Schip

Fré Cohen (1903-1943) was in de jaren twintig en dertig de belangrijkste grafisch ontwerpster van Amsterdam, en misschien wel de enige vrouw die er in die jaren een fulltime beroep van kon maken. Museum Het Schip in Amsterdam wijdt een tentoonstelling en een kloek boek aan haar. Geheel vergeten was ze niet. In 1993 organiseerde het Amsterdams Historisch Museum ook al eens een overzicht, met publicatie, en ze figureerde in de Amsterdamse School-tentoonstelling in het Stedelijk Museum in 2016. Toch is er sprake van een herontdekking, die volgt op haar verrassende aanwezigheid in de tentoonstelling Engineer, Agitator, Constructor: The Artist Reinvented in MoMA New York, eerder dit jaar.

Daarin werd teruggekeken naar de spannende jaren van net na de Eerste Wereldoorlog, toen alles op z’n kop stond, de Russische Revolutie, de opkomst van het fascisme et cetera. De tentoonstelling liet zien hoe kunstenaars de positie van het kunstenaarschap en de rol van de kunsten in de samenleving opnieuw moesten bepalen. De hoge autonomie van de kunst, ook de moderne, viel; technologie maakte oude praktijken in hoog tempo overbodig, getuige de toegankelijkheid van de fotografie en de film, de ontwikkeling van industrieel design, de versnelling van het internationaal verkeer. De kunstenaar Hannah Höch schreef later: ‘Wij beschouwden onszelf als ingenieurs, we waren ervan overtuigd dat we dingen bouwden, we zetten onze werken in elkaar als lassers.’

Onder deze lassers in de tentoonstelling in MoMA zaten alle grote mannen, Rodchenko, El Lissitzky, Mies van der Rohe, Schwitters, de Nederlanders Mart Stam, Piet Zwart, Hendrik Werkman en Piet Schuitemaker, maar ook een opvallend groot contingent vrouwen: de sovjet-Russinnen Anna Borovskaja, Varvara Stepanova, Lyubov Popova, Elena Semjonova en Maria Bri-Bein, de Poolse Teresa Zarnower en de Nederlandse Fré Cohen. ‘A surprising Dutch discovery’, schreef The New York Times. Nooit eerder was haar werk in zo’n groots internationaal overzicht te zien geweest.

De herwaardering van dat vrouwelijk aandeel was zeer terecht. In die revolutionaire jaren waren de verhoudingen tussen mannen en vrouwen vaak hardnekkig ouderwets gebleven. In de dada-scene van Berlijn, waar toch echt van alles overhoop werd gehaald, maakten George Grosz en John Heartfield nog bezwaar tegen de toetreding van Hannah Höch tot hun blijde kring, want zij was vrouw, wat had ze daar te zoeken; de filmmaker Hans Richter zag haar bijdrage aan de groep later vooral in het feit dat Höch ‘altijd ergens sandwiches, bier en koffie vandaan wist te toveren’. Höch schreef later: ‘Zij bleven ons, vrouwelijke kunstenaars, heel lang zien als charmante en getalenteerde amateurs – ze onthielden ons een echt professionele status.’

De hernieuwde kennismaking met het werk van Cohen is indrukwekkend: het werk is rijk en breed gevarieerd, haar technisch vermogen is van uitzonderlijk niveau en de artistieke drift, de wil om tot een nieuwe vorm te komen, spat van de ontwerpen af.

Haar biografie is even inspirerend. Fréderika Cohen kwam uit een arbeidersgezin uit Amsterdam-Oost. Ze kon naar de mulo, nam teken- en schilderles in de avonduren, belandde in een kantoorbaan bij de Draka-fabriek, waar de vormgever Jan van Heukelom haar af en toe iets liet tekenen. Een advertentie van haar hand werd gezien door de directie van de uitgeverij Ontwikkeling, de voorloper van De Arbeiderspers, en daar werd zij in 1923 in dienst genomen. Ze maakte er ontwerpen voor boekbanden, vignetten, brochures en krantjes, illustraties voor het blad De Proletarische Vrouw en ook de kalender van de drukkerij, een prestigeopdracht, waarmee een drukkerij aan zijn klanten liet zien wat ze konden. De sterauteur A.M. de Jong was er vol lof over: ‘Onze drukkerij heeft dit jaar gebroken met de traditie en een geheel andere kalender gebracht. De nieuwe heeft zich op zeer gelukkige wijze aangepast aan de moderne eisen en legt in haar smaakvolle verdeling van kleur en lettertype getuigenis af van het kunnen der drukkerij en van de bekwaamheid van Fré Cohen.’

De context van haar ontwikkeling is die van een bevlogen socialisme. Het sprak vanzelf dat Cohen op haar vijftiende lid werd van de ajc; veel van haar vroegste werk bestond uit kampkrantjes, affiches en brochures voor de Paasheuvel. Foto’s tonen haar in de beginjaren van die beweging tussen de blijmoedige wereldverbeteraars, losjes, goedlachs, jong, overduidelijk pienter, en altijd actief: als ze geen mandoline in de hand heeft zit ze onveranderlijk te tekenen. Je ziet iemand die geheel in de greep is van een feestelijk, assertief, om niet te zeggen spiritueel optimisme. In zekere zin was Fré Cohen de verheffing van de arbeidersjeugd in eigen persoon.

In zekere zin was Fré Cohen de verheffing van de arbeidersjeugd in eigen persoon

In 1928 nam ze deel aan een besloten prijsvraag voor het ontwerp van de Amsterdamse gemeentekalender van 1929. In de jury zat Jet van Dam van Isselt (1895-1972), het legendarische hoofd van het Bureau Kunstzaken van de gemeente, die al vroeg haar oog op Cohen had laten vallen. Cohen won de prijsvraag; Van Dam stelde vervolgens een functieomschrijving op voor een ontwerper voor de Stadsdrukkerij, die Cohen op het lijf geschreven was. Ze kreeg haar zin. Fré Cohen werd op 1 september 1929 aangesteld. Haar werk bestond uit het verzorgen van al het ‘lopende werk’ van de gemeente, drukwerk, omslagen, formulieren, brochures, kortom: alles. Ze werd letterlijk beeldbepalend.

De vormgeving van het toen tamelijk vooruitstrevende Amsterdamse bestuur was haar op het lijf geschreven. Ze was klein van stuk, bedrijvig en veelzijdig, maar kon ook ongeduldig en autoritair zijn. Haar medewerkers in de Stadsdrukkerij noemden haar ‘Saartje Wip’. Als ontwerpster had ze het rijk alleen, ze bemoeide zich met de techniek van de drukkerij, de lay-out en de lettertypes, en daar waren de heren niet altijd van gediend, en ook niet van dat ze – soms letterlijk – op de stoel van de directeur of het hoofd Kunstzaken ging zitten.

Binnen de gemeente Amsterdam werkten nogal wat vormgevers en architecten die onder het containerbegrip ‘Amsterdamse School’ worden samengepakt – dat is hier, vind ik, een onhandig vaandel. Cohen zal zeker veel gekeken hebben naar het tijdschrift Wendingen, van de architect-vormgever Th.H. Wijdeveld, die meer dan eens haar concurrent was bij het binnenhalen van gemeenteopdrachten, maar even invloedrijk als de Amsterdamse School was de tegenhanger ervan, de Nieuwe Zakelijkheid. De montages die Cohen in 1931 maakte voor een informatiebrochure over de haven, met scherpe diagonale lijnen en verknipte foto’s horen daartoe. Een van haar kalenders in die stijl werd echter weer bekritiseerd, omdat die ‘te veel de Wendingen-stijl’ zou vertonen. U mag het zeggen.

Cohens productie was enorm. Ze maakte promotiefolders voor de haven en Schiphol; voor de Gemeentelijke Electriciteitswerken advertenties, omslagen voor prijscouranten en folders; voor de Woningdienst omslagen voor rapporten, voor Onderwijs etiketten voor schoolschriften, voor de Stadsreiniging briefkaarten die het gebruik van de nieuwe openbare prullenbakken uitlegden, en verder ontwerpen voor giroboekjes voor de Gemeentelijke Girodienst, het getuigschrift voor de ulo, gestileerde stadswapens voor de gemeentekalender, en ze ontwierp ook nog het ‘trouwboekje eerste klas’. De gemeente was er tevreden over. Een overzicht van haar werk werd ingezonden naar een tentoonstelling in het Kunstnijverheidsmuseum in Zürich.

In februari 1932 was de gemeente echter door de crisis gedwongen haar baan op te heffen. Als freelancer had Cohen het daarna zo mogelijk nog drukker. Voor De Arbeiderspers, Querido en de Wereldbibliotheek maakte ze in een paar jaar niet minder dan zeventig boekbanden. De Stadsdrukkerij bleef haar benaderen met opdrachten, een brochure voor het eeuwfeest van de universiteit, een omslag voor de programma’s van de Stadsschouwburg, boekjes over Schiphol, enzovoort. Ze maakte koppen voor rubrieken in vrouwenbladen en ze werd zich sterker bewust van haar joodse identiteit – ze deed in toenemende mate werk voor joodse kranten en tijdschriften.

Ze ondervond ook internationaal belangstelling. In 1934 reisde ze naar Engeland om zeven lezingen te houden over ‘Modern Lay-out in Holland’, wat haar niet makkelijk viel, want ze sprak slecht Engels. Ze ging daar in op de vele stijlen die in het moderne Nederlandse drukwerk te zien waren, van de Amsterdamse School tot Wendingen, en steeds uitte ze haar opvatting dat ook gewone gebruiksvoorwerpen ‘things of beauty’ dienden te zijn: ‘niets is mooi genoeg voor de arbeider, die al zo lang zonder schoonheid heeft moeten leven’.

Haar laatste folder, De Haven van Amsterdam, is van 1941. De gemeente Amsterdam mocht haar daarna geen opdrachten meer geven. De regeringscommissaris bepaalde zelfs dat al het gemeentelijk drukwerk weer moest worden voorzien van het oude, uit 1898 daterende, stadswapen. Het gebruik van het moderne, gestileerde wapen dat Cohen had ontworpen, was niet langer toegestaan.

Toen haar vader en andere familieleden werden opgepakt en op transport gezet dook ze onder, eerst in Amsterdam en daarna in Diemen, Winterswijk en Rotterdam. Op 10 juni 1943 werd ze op een schuiladres in Borne gearresteerd. Onderweg naar het bureau nam ze het vergif in en stierf in een ziekenhuis in Hengelo. Ze werd daar op de joodse begraafplaats begraven. Haar atelier werd ontruimd door de SD. Veel van haar werk was gelukkig in veiligheid gebracht.

Fré Cohen: Vorm en idealen van de Amsterdamse School.Museum Het Schip, Amsterdam, t/m 4 september 2022; hetschip.nl