Niets nieuws aan het algerijnse front

Afgelopen week stonden de Nederlandse dagbladen bol van opbeurend nieuws uit Algerije. Zo berichtte de Volkskrant dat de Gewapende Islamitische Groep (GIA) ‘onthoofd’ en ‘vrijwel vernietigd’ was en citeerde de Algerijnse minister van Buitenlandse Zaken, die het afgelopen weekeinde meldde dat ‘het terrorisme aan de verliezende hand is en dat de veiligheidssituatie met de dag verbetert’. Dat de man beroepshalve positieve geluiden spuit, is zijn goed recht. Het is echter discutabel dat zijn uitspraken vervolgens in de westerse media als nieuws worden gebracht. Dat schept valse hoop.

Het tweede positieve bericht, dat de oppositiepartijen FLN en FFS bereid zijn tot de dialoog, kan eveneens met een flinke korrel zout worden genomen. Volgens het door de grote persbureaus verspreide bericht zien waarnemers de toenadering door de oppositie als een belangrijke politieke overwinning van de militaire regering, omdat daarmee de kansen op een door de regering geleid vredesproces zijn toegenomen.
De geciteerde waarnemers behoren echter waarschijnlijk zelf tot die militaire regering. Het bericht wekt namelijk de indruk dat het FLN en het FFS belangrijke partijen zijn die een grote rol spelen in de Algerijnse politiek. Het tegendeel is waar: bij de laatste verkiezingen in 1990 werden ze weggevaagd door het FIS. Niets wijst erop dat ze nu ineens populair zouden zijn, laat staan dat ze enige macht kunnen uitoefenen.
Kennelijk heeft de Nederlandse krantenlezer grote behoefte aan positief nieuws uit Algerije. In de eerste week van dit jaar schreef de Midden- Oostendeskundige van de NRC op de voorpagina van zijn krant dat het Algerijnse leger de opstand onder controle had - informatie uit volgens hem betrouwbare bron. In de daaropvolgende maanden waren er dagelijks aanslagen, met de autobom in Algiers als dieptepunt.
De grote persbureaus zijn wat nieuws uit Algerije betreft de enige bron voor de Nederlandse dagbladen gebleven. Het is onduidelijk hoe de persbureaus op hun beurt aan nieuws uit Algerije komen. Er vertoeven geen buitenlandse journalisten meer in Algiers en het ligt daarom voor de hand dat Algerijnse journalisten de persbureaus van nieuws voorzien. Het valt te prijzen dat zij doorgaan met hun levensgevaarlijke werk. Bovendien zijn de Algerijnse journalisten normaal gesproken een stuk kritischer en betrouwbaarder dan bijvoorbeeld hun Tunesische en Marokkaanse collega’s. Toch blijft het niveau van de Algerijnse journalistiek onder de middelmaat, zeker in vergelijking met de westerse journalistiek. De meeste Algerijnse journalisten zijn felle tegenstanders van de fundamentalisten. De berichtgeving over hun vijanden neigt daarom nogal eens naar pamflettisme.
De persbureaus citeren regelmatig Algerijnse functionarissen. Klakkeloos nemen ze de cijfers over door het Algerijnse leger gedode fundamentalistische moslims over. De getallenstroom uit Algerije wordt steeds absurder. In de afgelopen twee weken zouden er 2800 doden zijn gevallen aan de kant van het verzet. Nooit worden er foto’s of ander bewijsmateriaal vertoond. Het is de vraag of de krantenlezer gebaat is bij de propaganda van het Algerijnse leger.