Niets noemenswaardigs

Margriet de Moor, Ik droom dus, Contact, 197 blz, f29,90
HET SCHRIJVEN VAN verhalen is de vakantie van een schrijver. In de ‘notities’ waar Ik droom dus, de nieuwe verhalenbundel van Margriet de Moor, mee besluit, vertelt ze dat de vijftien opgenomen verhalen allemaal ‘tussendoor’ zijn geschreven. Soms om even afstand te nemen van de roman waar ze aan werkte, soms omdat het verhaal zich als een onuitgenodigde bezoeker opdrong. Veel verhalen zijn op verzoek van redacties van kranten en tijdschriften ontstaan, ze stelden haar in staat om een aangename ‘zijsprong’ te maken.

De roman is, zo wordt over het algemeen gedacht, het echte werk, het verhaal het uitstapje, het verlof. Margriet de Moor lijkt dat ook te suggereren als ze aangeeft dat het verhaal uitnodigt tot twee dingen die als een chemische verbinding van elkaar zijn doordrongen: ‘Het ene is: het nemen van technische risico’s. Het andere: elk onderwerp dat je aandacht trekt, aan te pakken. Literaire onderwerpen zijn in principe in een oneindige voorraad voorhanden. Alleen al achter de levensgeschiedenis van ieder mens schuilt een roman.’
HET OPMERKELIJKE aan de verhalen uit Ik droom dus is dat de onderwerpen klein, heel klein zijn. Ze vertellen over gewone, beschaafde mensen die zich in niet bijster spectaculaire situaties bevinden. En tegelijk zijn ze intrigerend en raadselachtig omdat er iets gebeurt dat de vredige rust lichtjes verstoord, iets dat de vanzelfsprekendheid van het bestaan zachtjes doet wankelen.
Neem het titelverhaal 'Ik droom dus’. De ik, Eva Duyf, wordt na haar scheiding en verhuizing opgebeld door haar voormalige overbuurman die haar vertelt dat zijn inmiddels overleden vrouw een diepe sympathie voor haar koesterde. Als hij haar vraagt of ze hem wil bezoeken, stemt ze, alsof het de gewoonste zaak van de wereld is, daarmee in.
De man vertelt dat zijn zieke vrouw opleefde als ze haar kon zien vanuit haar piepkleine zolderkamertje, waarin tafel en stoel voor het raam waren geschoven. Ze tuurde, soms acht uur per dag, behoedzaam naar het huis aan de overkant en zag de primula’s die ze water gaf, de feestjurk die ze droeg, het tuinfeest waar haar twee zusters rondliepen - 'Ik heb geen twee zusters’ - het haar in de nek. Ze had zogezegd een verhaal van Eva’s leven gemaakt, een verhaal van lichtheid, warmte en geluk. Toen de verhuiswagens voorreden en de helft van de boedel verdween, stortte het verhaal - en het leven van de zieke vrouw - in als een kaartenhuis.
Margriet de Moor heeft voor 'Ik droom dus’ inderdaad niet alleen een ogenschijnlijk willekeurig onderwerp, zo een uit de 'oneindige voorraad’, bij de kop gepakt, ze heeft het verhaal ook bijzonder ingenieus in elkaar gezet. De simpele geschiedenis blijkt uit allerlei lagen te bestaan: Eva vertelt in de ik-vorm over de ontmoeting met de overbuurman en reproduceert de gelukzalige contouren die haar leven in de fantasie van de zieke vrouw heeft aangenomen. Uiteindelijk verplaatst ze zich zelfs in het verhaal dat de vrouw van haar heeft gemaakt en ze ziet zichzelf staan in de keuken, zoals elke dag, ziet hoe haar zoon de tafel dekt en haar dochter Duitse woordjes leert. Ze is onmiskenbaar gelukkig.
Ook in andere verhalen weet Margriet de Moor razendknap een minimale inhoud grote spanning te geven. In 'Matthaus-Passion’ beschrijft ze de gedoodverfde nachtmerrie van elke koorzangeres: in onbedaarlijk hoesten uitbarsten tijdens een van de ijle solopartijen. Ze spint uit over de kriebels van de vrouw, vervlecht de uitvoering van Bachs koorwerk met huiselijke zorgen en herinneringen, en doet dat zo dat de angst opeens niet meer banaal is. De spanning wordt vooral bereikt door de uitgekiende compositie. Net als haar onderwerpen is De Moors stijl niet opvallend of behaagziek, maar met haar sobere, muzikale zinnen kan ze heel goed van het ene naar het andere perspectief springen, van de ene naar de andere verhaallijn. Ze is de meesteres van de subtiele perspectiefwisseling.
In 'Malkiki’ rijmt ze, zonder dat een van tweeen het weet, een imbeciel meisje aan een leraar Frans door het perspectief van een schoolgaand zusje te kiezen. In 'Kerstmis’ beschrijft ze het overspel van een vrouw door de ogen van de bedrogen echtgenoot - de spanning bestaat eruit dat hij niet jaloers is, maar er zich voornamelijk om bekommert of de minnaar wel zorgzaam genoeg voor haar is.
Natuurlijk kennen de verhalen ook een inhoudelijke spanning, die ligt in de frictie tussen droom en werkelijkheid. De Moors personages kleuren de werkelijkheid laconiek naar hun fantasie. Zoals de ik-figuur in 'Jennifer Winkelman’, een wat eenzelvige lerares Engels die in de kapsalon een vrouw ziet die ze ergens van meent te kennen. Ze achtervolgt haar op straat, zoekt haar telefoonnummer op, bezoekt haar zelfs thuis en werpt de ene na de andere herinnering op. Of ze niet ook toen op dat Leidse studentenfeest was aan de kust. Nee, de vrouw heeft aan het conservatorium in Den Haag gestudeerd. Of ze niet ooit als kind haar been heeft gebroken en naast haar heeft gelogeerd. De vrouw neemt niet eens meer de moeite te ontkennen.
Het verhaal maakt niet duidelijk of de ik de vrouw ooit daadwerkelijk heeft ontmoet - waarschijnlijk niet. Maar tegelijk doet het er niet zo toe, want in de verbeelding van de vrouw is de connectie er ontegenzeglijk.
Zo is het ook de verbeelding die de herinnering aan de liefdesgeschiedenis van de bejaarde tweelingzussen in 'Tweede keer’ beinvloedt. Hun oog valt, bij toeval, op een overlijdensadvertentie in de krant: het blijkt dat het hun eerste - en enige - gemeenschappelijke liefde was, die anders dan gedacht geen priester is geworden, maar daarentegen een omvangrijk nageslacht heeft. Ze halen samen herinneringen op aan hun jeugdige verliefdheid en de liefdesroman die ze toen samen lazen. Boek en werkelijkheid zijn, als ze de roman na zoveel tijd herlezen, volkomen in elkaar overgelopen. De fictie heeft hun verliefdheid gestuwd, hun herinnering de fictie gekleurd.
De lezer is dan ook geneigd de titel Ik droom dus cartesiaans aan te vullen met 'ik ben’. Ik droom dus ik ben.
IN DE APPENDIX bij de verhalen zegt Margriet de Moor dat ze jarenlang dacht alleen een lezer te zijn, totdat het lezen op een dag om uitbreiding begon te vragen: 'Wat te schrijven? Is het niet om radeloos van te worden uit het oneindige aantal gebeurtenissen er een paar apart te nemen en die in een zingevende compositie met elkaar in verband te moeten brengen?’
Het moge duidelijk zijn: Margriet de Moor is een echte verhalenverteller. Achter ieder mens, hoe beschaafd gewoon ook, vermoedt ze een bevreemdende levensgeschiedenis. Er is een oneindig aantal gebeurtenissen dat haar tot schrijven uitnodigt.
In Ik droom dus staan veel geraffineerde verhalen die Margriet de Moors gelijk bewijzen - de mogelijkheden van de schrijver zijn legio. Sommige verhalen zijn mij iets te zeer een gelegenheidsverhaal, laat ik ze met de verplichte excursies tijdens een vakantie vergelijken.
En dat ik niet alle verhalen even opwindend vind? Ook dat is net als met vakantie: de ene dag regent het, de andere dag schijnt de zon, de ene dag gebeurt er niets noemenswaardigs, de andere is een groot avontuur.