Niets te zien

Een enigszins hautaine houding tegenover toerisme brengt mij met enige regelmaat naar buitenwijken van wereldsteden waar bitter weinig is te beleven en zelfs naar bestemmingen die bij aankomst compleet in rook opgaan. Ik weet hoe de Eiffeltoren eruitziet, dus die hoef je niet te bezoeken, dat is ongeveer het idee. Ook veel kathedralen sla ik over. De onaanzienlijke straat in Buenos Aires daarentegen waar de meesterlijke roman Het korte leven van Juan Carlos Onetti begint, daar moest ik heen, naar de flat waarin de hoofdpersoon zich realiseert dat er naast hem precies zo’n zelfde woning is, slechts van hem gescheiden door een dunne wand, en dat hij dus even goed daar zijn leven verder zou kunnen leiden, wat hij dan ook doet, en dan wordt alles anders.

Straat gevonden, huisnummer blijkt niet te bestaan. Toch is de reis dan niet zinloos geweest. Precies vinden wat je zocht, dat is pas stom.

In het korte verhaal Ding-Dong van Samuel Beckett tracht een jongeman ‘in de laatste fase van zijn solipsisme’ zijn bestaan zin te geven door voortdurend in beweging te blijven. Graag zou hij verre landen bezoeken, reizen maken overzee, maar daar heeft hij het geld niet voor. Dus kaatst hij als een boemerang door de stad, door Dublin, van winkelstraat naar viaduct, van marktplein naar kroeg, hij schiet heen en weer tussen overbekende locaties en is getuige van nietszeggende gebeurtenissen. Het is dan ook de verplaatsing en niet de plaats waar het hem om gaat. Een plotseling moment van stilstand is er wanneer hij een arme oude vrouw ontmoet, een vrouw zonder hoed, die plekken in de hemel verkoopt. Eén zetel voor twee pennies, korting vanaf vier. Haar gezicht is zo vol van licht dat het geen spoor van lijden vertoont, alsof het van ver komt, alsof het nu naar de sterren staart – en daarmee lijkt het op een ander gezicht, een gezicht dat in de National Gallery hangt en diezelfde vernauwde blik vertoont maar dan getourmenteerder, een portret geschilderd door de Meester van de Vermoeide Ogen.

Zoals wel vaker bij Beckett vind ik dat het mooi klinkt, voel ik dat het iets betekent en zou ik niet kunnen zeggen wat dat is. Maar we waren in Dublin en de National Gallery werd weliswaar verbouwd maar was wel open. Breughel, Velazquez, Vermeer, Ierse schilders toegelicht door Ierse schrijvers, het viel er helemaal niet tegen. Van de Meester van de Vermoeide Ogen echter geen spoor.

Een vrouw zonder hoed verkoopt plekken in de hemel

Zijn naam wilde niet meer uit mijn geheugen. Bij thuiskomst dus maar eens een bericht naar de publieksservice van het museum gestuurd. Waar hebben ze dat vrouwenportret weggestopt? Of heeft de schrijver het gefantaseerd, en de onbekende meester erbij?

Andrew Moore, assistent in de bibliotheek, geeft nog dezelfde middag uitvoerig antwoord. Citeert uit de correspondentie van Beckett met de toenmalige directeur van het museum en uit de catalogus van een expositie gewijd aan Beckett en de beeldende kunst. Het Portret van een vrouw is er nog wel, maar het is niet meer van de Meester. Dat was het alleen maar tussen 1932 en 1981. De bibliothecaris stuurt een afbeelding mee van een in het zwart geklede dame met gevouwen handen, een bleek gezicht en diepe wallen onder haar ogen (‘Vlaamse school, ca. 1540’).

Ik schrijf terug. Suggereert de vervallen titel niet dat er een schilder is geweest wiens eigen naam wij niet kennen maar die meer soortgelijke portretten heeft geschilderd, van mensen die moe zijn van de wereld, moe van het kijken? Jazeker, antwoordt Andrew prompt, dat beweerde de kunsthistoricus Max Friendländer inderdaad. Hij kende nog twaalf schilderijen met die kenmerken, elders in Europa. Dat staat op het certificaat van echtheid en zo was de Meester destijds ontstaan: niet door biografisch bewijs, zijn identiteit kwam voort uit zijn werk.

Friendländer was meer een connaisseur dan een systematisch onderzoeker, joods, geboren in Berlijn, hij overleefde de oorlog in Amsterdam onder bescherming van Göring. Hij vertrouwde op zijn kennersogen. Maar die andere twaalf schilderijen zijn inmiddels aan anderen toegeschreven, ze horen niet meer bij elkaar. En daarmee verdween ook hun maker weer, een schim in fluwelen gewaad, met snor en weelderig haar, misschien werkte hij aan het hof van Maria van Oostenrijk, maar voor de kunstgeschiedenis heeft hij nu alleen maar in de twintigste eeuw bestaan. Hij is letterlijk een kunstmatig personage, een figuur zoals de blinde schrijver Luis Borges ze verzon.

Maar ook een vacature. De lege naam is er nog. Ik solliciteer en neem ’m in bezit. Die vermoeide ogen kijken mij namelijk iedere morgen vanuit de spiegel aan. Ik denk soms ook dat er te veel is om te zien. Ik ben gemotiveerd, ik ga op zoek naar frisse beelden, ik zet ze op mijn website meestervandevermoeideogen.nl en vind een verdienmodel. Iets nieuws begint vaak met een woord, de werkelijkheid past zich heus wel aan.