De avonturen van Adam VII

Niets veranderd

Ik breng deze maand twee weken door op Terschelling: de voorstelling waar ik de afgelopen maanden aan heb gerepeteerd gaat in première tijdens het Oerol-festival.

Bijna een jaar kijk ik uit naar deze twee weken van afzondering. Dat uitkijken is puur egoïstisch. Geen flesje voor Adam in de vroege ochtend, niet meer ’s nachts uit de hoogslaper klauteren om onze huilende zoon weer in slaap te troosten, geen kakluiers op de nuchtere maag, geen snotneuzen op mijn mooiste overhemd, geen gehaast naar de crèche, kortom: twee weken leven op een eiland als een vrijgezel in een kinderloze hemel.

Ik zit met collega’s in een heerlijk resort met sauna, zwembad; de regisseur is in zijn vrije tijd hobbykok en bereidt de ene na de andere overheerlijke maaltijd. De eerste paar dagen moeten we hard repeteren maar na de première wordt dat werken beloond met tweemaal daags applaus en mooie recensies in de dagbladen.

Elke avond trek ik er met collega’s op uit en drink ik drankjes met alle andere artiesten die op het festival staan. Ik vermaak me kostelijk op feestjes in de duinen, overdag slaap ik uit en speel ik met een medespeler FIFA 15 op mijn PS4.

Zo nu en dan krijg ik van mijn lief foto’s van Adam opgestuurd (Adam in bad, Adam in het park, Adam die huilt, Adam in het kinderzitje op de fiets) en heel af en toe sms’t ze me laat in de nacht dat de kleine man al veel te lang ligt te jengelen.

Het bereik op het eiland is zo slecht dat ik maar mondjesmaat met het thuisfront kan communiceren. Het nieuws in de rest van de wereld volg ik helemaal niet.

Na twee weken keer ik huiswaarts. Ik ben moe en voldaan.

Thuis word ik opgewacht door mijn vrouw en zoontje. Die laatste moet duidelijk weer aan me wennen. Wie is die vreemde man met die baard en de stem van baba, zie ik hem denken.

Na een klein half uurtje ravotten begint hij gelukkig te ontdooien. Adam heeft inmiddels een nieuwe manier van genegenheid uiten: hij stort zich op mijn benen en begint me met zijn zes tandjes te bijten.

Tijdens mijn afwezigheid heeft het kereltje nog veel meer geleerd en hij maakt gebruik van de gelegenheid om zijn kunsten te vertonen. Adam kruipt door het huis, stopt met kruipen om te kijken of ik hem volg en vervolgt dan zijn weg. Hij wijst. Dat deed hij eerder nooit. Zijn wijsvingertje priemt in de lucht.

‘Dieh!’ kirt Adam.

Ik til hem op en kijk in de richting van waar hij wijst.

‘Ja, dat is een lamp!’ zeg ik.

Adam kijkt me aan en drukt zich met zijn handjes tegen mijn borst af. Hij wil weer op de grond gezet worden.

We gaan verder. Adam kruipt naar een hoek van de keuken waar een stapel opgehoopte kranten ligt. Hij trekt een paar kranten uit de stapel. Schietpartij in een kerk in Charleston, lees ik. Een bericht dat ik op het eiland heb gemist.

Adam begint op de krant te kluiven en protesteert lichtjes wanneer ik het papier uit zijn mond haal.

Na de krant is het de beurt aan de radio. Die staat aan de andere kant van de keuken; een afstand die Adam binnen een paar tellen heeft overbrugd.

Ongelooflijk, denk ik, wat heb ik veel gemist in die twee weken.

Ik raap de kranten die Adam over de grond heeft geslingerd op en in een oogopslag zie ik dat er naast die schietpartij nog steeds vluchtelingen op gammele bootjes Europa proberen te bereiken en Griekenland misschien uit de euro moet.

Ik schrik op door het geluid van de radio. Adam heeft ook ontdekt hoe de volumeknop werkt. Uit de kleine speakers schalt een stem die het heeft over een tweet van Mark Rutte die, zeer tegen de zin van een andere Nederlandse politicus, de anderhalf miljoen moslims in Nederland een gezegende ramadan heeft gewenst. Ik draai het volume zachter en bedenk dat ik mijn vastende ouders op de hoogte moet brengen van de heilwens van onze premier.

Adam staat nog steeds naast de radio en kijkt naar me op. Ik kniel naast hem neer en aai hem over z’n krullen.

‘Dankjewel kleine pasja’, fluister ik, ‘dat je me laat zien dat er in die twee weken niets is veranderd in de wereld.’

Heel even kijken we elkaar zwijgend aan.

Adam grijpt weer naar de radio en zet het volume weer luider.

‘Bravo!’ roep ik, waarna Adam, in een koddige poging te applaudisseren, zijn handjes een paar keer op elkaar drukt.

Nee, er is niets veranderd bedenk ik terwijl ik de tranen in m’n ogen voel opwellen, niets is erop vooruitgegaan, behalve dan misschien onze kleine Adam.