Niets versierd

In Frans Hals’ portret van de regentessen van het Oudemannenhuis zie je een statige mise-en-scène van bleke gezichten boven een los arrangement van handen en manchetten. Dat is meesterlijk.

Frans Hals was net in de tachtig toen hij in 1664 de Regentessen van het Oudemannenhuis portretteerde: vier deftige, geduldige dames in stemmig zwart. De vijfde vrouw, helemaal rechts, die kennelijk een briefje aanreikt, is de binnenmoeder. Dat is de inwonende bedrijfleidster van de instelling. Het gezicht van deze heel niet deftige, werkende vrouw is veel frisser van kleur. Maar het laat ook zien hoe alert de ogen nog waren van de oude Hals als het ging om zijn koloristische veelzijdigheid. Zijn bewonderaar Van Gogh merkte in een brief op dat hij wel over 27 zwarten kon beschikken. Dat was ook een commentaar op de vlotte manier van schilderen – met korte, wendbare penseelstreken. Die verschillend geplaatste toetsen van smeuiige verf, over en door elkaar heen, vingen het licht anders op zodat de streken anders gingen oplichten. Een toets van hetzelfde zwart kon zich mat en dof voordoen maar ook, naar gelang de lichtval, lumineus glanzend of zelfs vonkend. Net zo veel variaties zitten er in het wit. Kijk hoe, in de Regentessen, helder wit de ruime schouderkraag is van de zittende, oudere dame rechts. Dat wit is dan ook strak geschilderd zodat het heel effectief het volle licht kan vangen en kan stralen. Van de frontaal staande vrouw naast haar (met in haar handen een gesloten waaier en losse handschoenen) is de kraag van een fijnere stof en zo geschilderd, met dunne streken wit en heel licht grijs in elkaar verweven, dat zij doorschijnend lijkt. Het stevige wit van de ene kraag reflecteert het strakke licht terwijl de doorzichtige kraag het licht voor een deel ook absorbeert en er dus zacht uitziet als organza.

Maar misschien hebben niet alle dames in hetzelfde licht zitten poseren. Zo samen als groep hebben ze waarschijnlijk nooit model gezeten. Hooguit heel in het begin, denk ik, toen Hals met het eerste ontwerp van de compositie bezig was. Bij de opdracht had hij dit formaat opgekregen omdat het goed zou passen in de bestuurskamer en ook net genoeg ruimte bood om de dames min of meer levensgroot uit te beelden. Omdat het om een deftig bestuur ging met ernstige plichten moest hij ze wel aan een tafel neerzetten. Van die tafel, met een donkerrood kleed, is door het nadonkeren van de verf de vorm nu, zeker in een reproductie, vrijwel onzichtbaar geworden. We kunnen ons die voorstellen bij waar het notulenboek ligt, rood op snee, tot aan waar de linkerhand van de regentes links op de rand rust. In de simpele tafelschikking zit de dame links aan de korte kant, de twee volgende zitten en staan erachter terwijl rechts de oudere dame voor het andere uiteinde is geplaatst. Dat was de gangbare opstelling – in dat stramien moest de kunstenaar een levendige en voorname groepering maken van, eigenlijk, individuele portretten. Van Hals zijn geen voorstudies en tekeningen bekend, hij heeft de dames denk ik één voor één, apart poserend, geportretteerd en zo het schilderij geleidelijk in elkaar gebreid. In de bijna monochromie van zwart en wit was dat goed te doen.

Het indrukwekkende is de afgemeten ritmering in de compositie. De dames zitten apart en zijn toch met elkaar verbonden. De ruimtes tussen de hoofden, in bedaarde cadans, van de vier hoofdpersonen zijn bijvoorbeeld vrijwel gelijk. Voor het oog schept dat afstand en tegelijk verbinding. Onder dat verloop zijn er de kragen die, hoewel van dezelfde soort, in vorm en witheid toch allemaal verschillend zijn. Omdat van hun meer of mindere wit het licht als het ware terugkaatst op de gezichten ontstaan ook daar lichte differentiaties. Dat zijn allemaal effecten die het geheel discreet verlevendigen. Dan is er, onderin, de guirlande van fragiele handen, elk anders gevouwen, die als een ketting de vrouwen onnavolgbaar maar zichtbaar met elkaar verbindt. Als je dan een stap terugdoet en je stelt je daarbij ook nog het donkere rood voor van het tafelkleed, dan zie je een statige en stille mise-en-scène van bleke gezichten boven een veel beweeglijker, los arrangement van manchetten en handen en dingen daaronder. Dat is meesterlijk.

Ik heb Karel Appel zien schilderen toen hij bezig was met een portret van mij, net zo oud als toen Frans Hals aan de Regentessen werkte. Als je zo oud bent, gaat het schilderen gebrekkiger. Maar in de langzame, bevende hand zitten nog steeds alle behendigheden van meer dan zestig jaar ervaring. De bewegingen verleer je niet. Ik zag dat Appel toch de neiging had om penseelstreken in te korten en kariger te maken. Bravoure hoeft niet meer. In hoe Hals dit ontroerende laatste meesterwerk heeft geschilderd, vooral die magere broze handen, zie ik dat het hem net zo toeging. Niets hoefde nog versierd te worden.