In mijn tijdlijn was de afgelopen weken de opwinding groot over het gebrek aan urgentie aan het Binnenhof. We zitten midden in de diepste crisis sinds 2008, de formatiebesprekingen zitten na pakweg 175 dagen nog altijd muurvast, en de hoofdpersonages gaan doodleuk op vakantie. Wie denken ze wel dat ze zijn? Is bij hen het landsbelang wel in goede handen? Snappen ze niet dat ze aan de bak moeten? Dat was zo ongeveer de teneur.

Ik heb altijd wat moeite met dit soort verwijten. Ze maken de politiek namelijk belangrijker voor het reilen en zeilen van samenleving en economie dan ze in werkelijkheid is. In landen als Nederland bestaat de economie zowel gemeten in toegevoegde waarde als in werkgelegenheid weliswaar voor pakweg de helft uit de publieke en semi-publieke sector en omvat dat activiteiten die inderdaad tot de basis van ons bestaan gerekend kunnen worden – zorg, onderwijs, infrastructuur, afvalverwerking, transport, mobiliteit, rechtsstaat, et cetera.

Tegelijk functioneren de meeste van de organisaties die hiermee zijn belast het best als de politiek zich er zo min mogelijk mee bemoeit. Zet het op, financier het, maar laat vervolgens de verantwoordelijken zelf bepalen wat ze willen doen en hoe, en hoe ze de kwaliteit ervan willen garanderen. En daarmee bedoel ik dat politiek geïnitieerde veranderingen weliswaar voortkomen uit de beste bedoelingen maar tevens vaak verprutsen wat eigenlijk best goed werkt. Kijk maar naar de grote stelselherzieningen in de volkshuisvesting, de gezondheidszorg of het onderwijs. Politiek gepruts zorgt er meestal voor dat een sector duurder en slechter wordt, en jarenlang veel met zichzelf bezig is in plaats van met de burger. Nietsdoen is beter.

De essentie van politiek is het verwerven van steun van de kiezer voor het gevecht om de zetels van waaruit het bureaucratisch-administratieve apparaat van de staat kan worden gebruikt om politieke wensen te verwerkelijken. Dat apparaat staat echter niet stil om na iedere verkiezing iets anders te kunnen doen maar is in feite een groot continubedrijf, of er nu een kabinet zit of niet. Vuilniszakken moeten opgehaald, paspoorten uitgereikt, zorg moet worden verleend, veiligheid gewaarborgd, rechterlijke uitspraken moeten worden gedaan en zieken moeten worden verpleegd.

Geen nieuwe plannen maken is een zegen voor het land

Dat betekent dat de politiek alleen belangrijk is op de initiërende momenten, wanneer nieuwe taken worden opgepakt, nieuwe programma’s in gang worden gezet, en nieuwe organisaties worden opgetuigd. En dat gebeurt meestal alleen na diepe crises of andere scheuren in het weefsel van de staat, zoals oorlogen, vredes en revoluties. Daarbuiten past de politiek vooral bescheidenheid. Ruimte voor nieuw beleid is er normaal gesproken namelijk nauwelijks: alle bestedingsruimte is opgevreten door bestaande wetgeving, lopende programma’s en huidige contractuele verplichtingen.

De Duitse sociologen Wolfgang Streeck en Daniel Mertens hebben dat onderzocht door naar de omvang van de begrotingsruimte voor nieuw beleid in ontwikkelde verzorgingsstaten als de Nederlandse te kijken. Vanaf het einde van de jaren zeventig is die ruimte sterk geslonken waardoor in periodes van normale politiek het politieke debat voornamelijk betrekking heeft op onderhoudsvragen: kleine aanpassingen. En marginale vernieuwingen alleen als ze budgetneutraal zijn. Of onderwerpen die grotendeels symbolisch van karakter zijn en nauwelijks iets kosten, zoals meer of minder euthanasie, multiculturalisme, identiteitspolitiek.

Het belang van nietsdoen werd voortreffelijk geïllustreerd door het wedervaren van de Belgische economie tijdens de eurocrisis. Terwijl de kabinetten-Rutte I, II en III fluks aan het bezuinigen en lasten verzwaren sloegen en daarmee veel politieke daadkracht demonstreerden, boekte de Belgische politiek een wereldrecord: 541 dagen duurden de formatiebesprekingen in 2010-11. Dat betekende niet dat er in België geen zieken meer werden verpleegd, vuilniszakken opgehaald, uitkeringen betaald of woningen gebouwd. Maar alleen dat er geen nieuwe plannen werden gemaakt.

En dat was een zegen voor het land. Terwijl in Nederland alle reserves uit de statelijke machinerie werden geschraapt – met grote systemische tekorten als gevolg – kon het Belgische machientje gewoon blijven draaien. Gedurende de hele eurocrisis waren de economische prestaties van België dan ook beter dan de Nederlandse.

Omdat politieke daadkracht meer kapotmaakt dan ons lief is, wens ik Den Haag een lange zwoele nazomer.