Nietzsche is de hoogmoed, cioran de val

Van Cioran verschenen tot nu toe bij uitgeverij De Arbeiderspers: Geboren zijn is ongemak (vertaling Edu Borger, 1985) en Bittere syllogismen (vertaling Huug Kaleis, 1993; besproken in De Groene Amsterdammer van 1 september 1993 door Ger Groot).
E.M. Cioran, de Franse denker van Roemeense afkomst, mag zich in ons land in een groeiende populariteit verheugen. Zowel bij uitgevers, die dit jaar met nieuw vertaald werk van hem komen, als bij critici, die in steeds groteren getale ontdekken hoezeer deze diepzwarte denker de geest van de tijd weet te treffen. Een nieuwe Nietzsche!, roepen ze in koor. Nee dus. Want zoals Cioran in zijn hele werk al heeft beklemtoond: de verschillen zijn groter dan de overeenkomsten.

E.M. Cioran, de Franse denker van Roemeense afkomst, mag zich in ons land in een groeiende populariteit verheugen. Zowel bij uitgevers, die dit jaar met nieuw vertaald werk van hem komen, als bij critici, die in steeds groteren getale ontdekken hoezeer deze diepzwarte denker de geest van de tijd weet te treffen. Een nieuwe Nietzsche!, roepen ze in koor. Nee dus. Want zoals Cioran in zijn hele werk al heeft beklemtoond: de verschillen zijn groter dan de overeenkomsten.
Susan Sontag was de eerste. Al in 1967 schreef zij dat Friedrich Nietzsche van grote invloed is geweest op E.M. Cioran, de Franse filosoof van Roemeense afkomst. En daarmee zette ze de toon. Want in bijna iedere bespreking en recensie die daarna verscheen keerde deze gemakkelijke, oppervlakkige waarneming terug. Wat ze dan precies schreef? Dat Cioran ‘na Nietzsche (komt), die een eeuw geleden Ciorans positie bijna helemaal neerzette’. En dat hij 'zegt wat voor het grootste deel al is gezegd’. Je zou warempel bijna in de eeuwige terugkeer gaan geloven.
Ach, het is zo klaar als een klontje dat Cioran beinvloed is door de filosoof met de bromsnor. Hij geeft dat ook ruiterlijk toe, bekent dat hij diens werk in zijn jonge jaren veel gelezen heeft. Zijn debuut draagt er de onmiskenbare sporen van. De agressieve, lyrische uitbarstingen in Op de toppen van de wanhoop herinneren aan de lyriek van de raaskallende man die op het laatst van zichzelf zei: 'Ik ben geen mens, ik ben dynamiet.’
Maar meteen al in datzelfde debuut neemt de tweeentwintigjarige Cioran afstand van Nietzsche en noemt hij diens conceptie van de Ubermensch 'een belachelijk idee’. Later, in 1984, zou hij ten overstaan van de interviewer Gerd Bergfleth zijn eerste 'totaal krankzinnige’ boek afzetten tegen het laatste werk dat Nietzsche voltooide voordat hij krankzinnig werd. Let wel: Cioran begon als een krankzinnige, Nietzsche eindigde werkelijk krankzinnig.
Na zijn debuut zou hij Nietzsche telkens weer afvallen, alsof hij bang was met hem te zullen worden verward. In praktisch ieder boek heeft Cioran zich over zijn grote voorganger uitgelaten. En steeds in negatieve zin. Hier en daar door een steek onder water, soms zelfs ronduit honend. Nietzsche - maar het staat nergens met zoveel woorden - heeft afgedaan voor Cioran. Hij ontbreekt dan ook in Exercises d'admiration, Ciorans boek vol oden aan zielsverwanten.
Er zijn veel overeenkomsten. Zeker. Maar vooral op ondergeschikte punten. De verschillen zijn van groter belang, essentieler. De invloed van Nietzsche op Cioran beperkt zich, afgezien wellicht van wat losse ideeen, tot de stijl, de lyrische vorm - en dat geldt dan alleen nog voor Ciorans vroege boeken, de boeken die hij in een vlaag van - ja, van wat? - van waanzin op papier slingerde. Als hier trouwens al sprake is van invloed! Want het is een stijl, een schrijfwijze, die voortvloeit uit hun beider heftige temperament. (Ziedaar een echte overeenkomst.)
Later legt Cioran zich meer en meer toe op het aforisme, dat voor hem als 'kunst van de nuance’ meer overeenstemt met de wantrouwige geest van het scepticisme. Daarbij blijft dat temperament (en dat wantrouwen!) een belangrijke rol spelen: 'Mijn aforismen zijn geen eigenlijke aforismen, het is telkens een slotregel van een bladzijde, het einde van een kleine epilepsie- aanval.’ Ook Nietzsche heeft aforismen gescheven, maar hij werd daar min of meer toe gedwongen door zijn kwalen, die hem langdurig schrijven onmogelijk maakten. Ik geloof dat hij er de man niet naar was. Dionysos die zich met splinters inlaat? Voor Nietzsche vermoedelijk een gotspe. Als hij het kon liet hij die korte vorm los om iets groots, iets veelomvattends te scheppen. Nietzsche was ontvankelijk voor visioenen. Trouwens, de meeste fragmenten van zijn hand lijken nog het meest op ontplofte aforismen.
Heel expliciet spreekt Cioran zich over Nietzsche’s invloed uit in Bittere syllogismen: 'Men beproeft als men jong is de filosofie niet zozeer om er een visie in te vinden als wel een stimulans; men beijvert zich voor de ideeen, men gist naar het delirium dat ze voortbrengt, men droomt ervan het te imiteren en het te overtreffen. De jeugd schept behagen in de jongleurskunst met hoge opgooien; in een denker bewondert zij de circusartiest; in Nietzsche hielden we van Zarathoestra, zijn posen, zijn mystieke clownerie, een ware kermis van hoogtepunten.’ Maar, voegt hij er onmiddellijk aan toe, daar moet je doorheen, door die filosofische orgie, door die cultus van de vitaliteit, want anders leer je nooit de 'bronnen van de teleurstelling’ kennen. Want 'dank zij de rijpheid van ons cynisme zijn we verder gegaan dan hij’. Nietzsche stond aan het begin. 'Hij heeft de eeuw van de “complexen” geopend.’
Nietzsche stierf in 1900, elf jaar later werd Cioran geboren. De negentiende en de twintigste eeuw: een wereld van verschil. Als Nietzsche aan het begin van deze eeuw de heraut was van het elan, van het gevaarlijke leven, dan is Cioran de belichaming van het vermoeide Europa aan het eind van die eeuw, een soort ridder van de droevige figuur.
Ook wat hun levensloop betreft zie ik, voor zover bekend, weinig overeenkomst. Wel is bemerkenswaardig dat hun vaders allebei predikant waren. Maar ook hier een niet te veronachtzamen verschil: Nietzsche’s vader was dominee, Ciorans vader een Grieks-orthodoxe priester.
Wat hebben we verder nog? Dit: beide filosofen bleven ongehuwd. (Over de publieke vrouw lieten zij zich alletwee in gunstige zin uit.)
Hoewel hun werk teruggaat op velerlei antieke en klassiek geworden filosofen en schrijvers, maken zij toch geen deel uit van de een of andere bestaande traditie, zoals Schopenhauer naar eigen zeggen onbegrijpelijk is als je Kant niet gelezen hebt en Alfred Ayer voortborduurt op het werk van vooral Bertrand Russell. Overigens, met 'postmodernisme’ heeft hun eclecticisme niets uit te staan. Alleen het woord al zou ze vermoedelijk doen gruwen - en terecht.
Van de filosofie van deze twee genieen kun je, zoals door commentatoren dikwijls bijna wanhopig wordt opgemerkt, niet zoiets als een samenvatting geven. Het zijn ideeenwerelden - en hoe moet je een wereld samenvatten?
Systeembouwers zijn het niet, al was dat op het laatst wel Nietzsche’s streven. Veel eerder zijn het vernietigers. Nietzsche teneinde weer wat op te bouwen, Cioran omdat hij niet anders kan. Bij de laatste word je onwillekeurig herinnerd aan de gedachten van Arthur Muttah uit De tranen der acacia’s: 'In puinhopen voel ik mij prettig, ergens anders hoor ik niet thuis.’
Het nihilisme was voor de latere 'Nietzsche Caesar’ een overwonnen standpunt. Hij verzamelde al zijn krachten om nog in het leven te kunnen geloven. Voor Nietzsche was het ja-zeggen tegen het leven een dogma. Met een hamer kun je per slot van rekening ook bouwen, nietwaar? Desnoods een kerk. (Maar dan een antichristelijke kerk.) Maar daarmee werd Nietzsche voor Cioran meteen een achterhaald denker. Cioran probeert er juist uit alle macht niet meer in te geloven. Hij heeft er geen vrede mee, maar berust erin. Het is een ander stuk gereedschap dat hij hanteert: het ontleedmes, en daarmee snijdt hij in het dode vlees van de illusie.
Sommige critici, vaak die met een religieuze achtergrond, bestempelen filosofen die zich niet meteen laten indelen bij de een of andere stroming en toch het woord 'God’ wel eens laten vallen, tot de zogenaamde mystieke denkers. Kierkegaard en Nietzsche ondergingen dit lot, en onlangs nog Wittgenstein. Het jongste slachtoffer is Cioran. Maar wat is mystiek? Bertrand Russell, in dezen een onverdachte want wantrouwige autoriteit, schreef: 'Mystiek is, in essentie, weinig meer dan een zekere intensiteit en diepte van gevoel ten aanzien van opvattingen omtrent het universum.’ Russell, ooit nog eens onderscheiden met de Nobelprijs voor literatuur (als mens, niet als dynamiet!), was bepaald geen begenadigd stilist. 'Een zekere intensiteit’? Vaag hoor. En wat Nietzsche en Cioran betreft wel erg zwak uitgedrukt.
Toch is het nuttig nog even bij Russell te verwijlen omdat hij in het essay waaraan ik het bovenstaande ontleen ('Mystiek en logica’) nog meer relevante opmerkingen maakt. Daarin heeft hij het namelijk over Heraclitus, de figuur die zo'n indruk maakte op Nietzsche. Dat laatste is niet verwonderlijk, want wat merkt Russell op over de aard van deze Griekse filosoof? 'Wetenschappelijke feiten zoals ze zich aan hem voordeden, voedden de vlam in zijn ziel, en in haar licht, door de weerspiegeling van zijn eigen dansend, snel indringend vuur zag hij in de diepte van de wereld.’ Het lijkt wel of hij het over Nietzsche heeft! Althans, de Nietzsche van Menselijk, al te menselijk en De vrolijke wetenschap, uit de periode waarin wetenschappelijke theorieen zijn toch al levendige geest aanwakkerden, maar tegelijkertijd zijn ongebreidelde lust tot fabuleren intoomden. Het is de periode waarin hij nog onder invloed stond van de contemporaine, positivistische Engelse filosofen ('het enige goede gezelschap dat nu bestaat’) en Paul Ree, aan wie hij schreef: 'Steeds meer bewonder ik overigens hoe goed uw uitbeelding gewapend is in logisch opzicht. Ja, tot zoiets ben ik niet in staat, hoogstens tot een beetje zuchten of zingen - maar bewijzen, zodat je een prettig gevoel in je hoofd krijgt, dat kunt u, en daaraan is honderd keer meer gelegen.’ Hoe vaak heeft hij niet met het plan gespeeld om natuurwetenschappen te gaan studeren om zijn filosofie van een fundament te voorzien? Het zou er niet van komen.
Zijn biograaf C.P. Janz neigt ertoe om dit als de tragedie van zijn leven te zien. Zelf kan ik mij niet aan de indruk onttrekken dat Nietzsche nastreefde een soort uomo universalis te worden, zoals zijn oude leermeester Schopenhauer dat misschien nog was of dacht te zijn. Daartoe ook verdiepte hij zich in bijna alle wetenschappelijke disciplines. En dat moet ook wel, wil je een wereldomvattende filosofie ontwerpen. Maar bij Cioran krijg je dat idee nooit. Hij beperkt zich tot het noteren van zijn eigen ervaringen ('Ik ben de boekhouder van mijn eigen sensaties’). En ook Nietzsche’s poging was natuurlijk ijdel. Negentiende-eeuws, zoals we nu zeggen. Hij was de rapporteur van zijn dromen. Zijn temperament zat hem in de weg. Een revolutionair als Napoleon was van meer invloed op zijn denken dan bijvoorbeeld Darwin. Terwijl Napoleon voor ons nu niet meer is dan een historische figuur en Darwin pas achteraf beschouwd werkelijk revolutionair bleek te zijn. Cioran legt zich neer bij zijn temperament. Voor hem is de wetenschap iets onpersoonlijks en derhalve niet interessant.
Russell over Heraclitus: 'In een dergelijke natuur zien we de ware vereniging van de mysticus en de wetenschappelijke mens - de meest verheven positie die de mens in het domein van het denken kan bereiken, denk ik.’ Wel, zoiets was niet weggelegd voor Nietzsche, noch voor Cioran. (Wellicht had Russell hierbij trouwens Wittgenstein in het achterhoofd.) Voor de latere, extatische Nietzsche was een wetenschappelijke orientatie een straf, het verhinderde hem te 'zweven’ (daarover heeft hij het steeds vaker, en letterlijk). Terwijl Cioran - al helemaal niet wetenschappelijk onderlegd, Nietzsche was tenminste nog jaren universiteitsprofessor geweest - gered werd door zijn scepticisme. 'Kennis is niet mogelijk en al was dat wel zo, dan zou het niets oplossen. (…) Scepsis is de roes van de uitzichtloosheid.’ Niet voor niets schreef Cioran dat het voor de Duitse filosofie een groot nadeel is geweest dat zij niet begonnen is met een scepticus als Montaigne.
Gezien dit alles is het dan ook niet verwonderlijk dat beide denkers voor de wetenschappelijke filosofie die in de twintigste eeuw zo zou opbloeien, geen rol van betekenis spelen. Wat heet! In Alfred Ayers overzicht Filosofie in de twintigste eeuw worden ze geen van beiden zelfs maar genoemd. Omdat ze niet streng genoeg denken, omdat ze zich goed beschouwd bezighouden met aloude schijnproblemen. Ze zien spoken.
Dat is wel waar, kun je daar dan op antwoorden, maar zo zien ze nou eenmaal. En waar een nuchter denker zou zeggen dat spoken niet bestaan, roept Cioran uit dat onechte ervaringen niet bestaan.
We bevinden ons hier op de grensovergang van filosofie naar psychologie.
Je kunt het ook zo voorstellen: ze houden zich niet aan de regels van het spel. In de voetbalwedstrijd tussen filosofen zoals de geweldige grappenmakers van Monty Python die eens hebben verzonnen, zou het Cioran zijn die de mooiste doelpunten maakt, al zijn ze allemaal buitenspel. En het zou de tegendraadse Nietzsche zijn die de bal oppakt en begint te oreren dat het allemaal anders moet: niks geen voetbal, we doen het allemaal al eeuwenlang helemaal verkeerd! Het spel moet juist met de handen worden gespeeld! En dan niet zo'n slap partijtje handbal maar iets stevigers, een echte strijd. Opdat de sterkste moge winnen! Rugby dus. Ik ben ervan overtuigd dat hij dat een prachtige sport had gevonden.
Nietzsche was een moralistisch denker, want een antimoralist is ook een moralist, zoals een tegenstander tegelijkertijd een voorvechter is. Cioran is eerder een pragmatisch denker: hoe sla ik me door het leven? ('Ik worstel me door de dagen, als een hoer in een wereld zonder trottoirs.’) Hij houdt een monoloog, terwijl Nietzsche in een dialoog verwikkeld was.
Maar beiden - en dit is misschien wel de belangrijkste overeenkomst - zijn subjectieve denkers, waar Russell, Ayer en de hunnen een objectieve filosofie voorstaan. Zij bedrijven de filosofie als belijdenis. Het zijn filosofen van de emotie. Cioran openlijk, Nietzsche achter een bordkartonnen facade van wetenschappelijkheid en humbug. Want, het moet gezegd, Nietzsche was ambitieuzer, hij wilde toch een soort systeem aanbrengen. Met een slecht resultaat: veel van zijn lezers vinden zijn Wille zur Macht conventionele, onzinnige en vaak vervelende lectuur. Daarin is hij het meest filosoof in de klassieke zin van het woord - en het minst genietbaar. Nee, zowel Nietzsche als Cioran behoren eerder tot de literatuur dan de wetenschap. Zij zijn de dichters onder de filosofen. Taalkunstenaars. Waarbij Cioran een enorme gratie aan de dag legt, en Nietzsche ronkt - hij is de diesel onder de penseurs. Cioran heeft esprit waar Nietzsche Geist bezit.
Nietzsche, zo zou je kunnen zeggen, belichaamt de hoogmoed en Cioran de val. Was Nietzsche als filosoof een aristocraat, Cioran heeft als denker meer weg van een clochard. Het doet me denken aan een mooi gezegde (wie de auteur ervan is, kan ik me zo gauw niet herinneren): als de mens droomt is hij een koning, als hij denkt een bedelaar. Het waren de nazi’s die van Nietzsche’s gedroomde Welt als Wille een nachtmerrieachtige karikatuur maakten, iets wat bij Cioran gewoonweg onmogelijk is, want daarvoor is zijn Welt als Vorstellung te arm aan illusies.
Ook nog een groot verschil: noties als verveling, spleen, mismoedigheid, wanhoop en neerslachtigheid, die je bij Cioran overal aantreft, ontbreken vrijwel in de denkwereld van Nietzsche. Daarentegen heeft hij het veel over dapperheid, moed, heldhaftigheid, enzovoort. En Nietzsche heeft met zijn 'eeuwige wederkeer’ de dood buiten zijn denken weten te houden. Voor Cioran staat dat gruwelijke gegeven centraal: 'Mijn hele leven werd door de dood beheerst’, constateerde hij op hoge leeftijd.
Dit verschil komt ook tot uiting in hun werkwijze: Nietzsche werkte overdag, al wandelend, in de buitenlucht. Hij krabbelde zijn overdenkingen op een notitieblokje. Het waren geen ommetjes die hij maakte, maar stevige wandelingen. Hij was dan ook flink van postuur. Cioran verrichte zijn denkarbeid ’s nachts. Binnen. Op zijn benarde zolderverdieping. Deze kleine man maakte het liefst ’s ochtends in alle vroegte een wandelingetje. In het Jardin du Luxembourg ('mijn foltertuin’) te Parijs, waar het 'goed wanhopen’ is.
Toch rekent Cioran Nietzsche tot de 'meesters in de kunst van het denken tegen zichzelf’, waartoe hij zelf absoluut ook behoort. En terecht. Zei Nietzsche zelf al niet: 'Deze denker heeft niemand nodig die hem weerlegt: daartoe is hij zichzelf genoeg’? Beiden zijn masochistische denkers, waar satirische schrijvers sadistische trekken vertonen. Denken als noodlot. Met als devies amor fati - de passie voor het noodlot. Daarbij heeft de querulant Nietzsche een voorliefde voor de antithese en omarmt de scepticus Cioran de paradox.
Maar Nietzsche hield het niet vol. Later dichtte hij de bekentenis: 'Worstelaar, die zichzelf te vaak bedwong, Die zijn krachten tegen zichzelf verbruikte, Met zijn zege zichzelf wondde en fnuikte.’ Hij verviel in bombast. Bombast als medicijn voor de pijn van de twijfel. De bevrijding door humor is hem onbekend gebleven, het gevoel daarvoor ontbrak hem.
Cioran glimlacht, altijd. Alsof zijn mond zijn hersenen niet serieus neemt. Ironie als tegengif voor de zekerheid.