Nietzsche over jezus

Met al zijn afkeer van het christendom was Friedrich Nietzsche een bewonderaar van Jezus. Maar dat is dan ook een heel andere Jezus dan de kerk van hem heeft gemaakt. En trouwens: Jezus heeft nooit ofte nimmer een kerk willen stichten.
De auteur is schrijver van het tot nu toe driedelige Friedrich Nietzsche en de bronnen van de westerse beschaving, verschenen bij uitgeverij Ambo. Dit jaar verschijnt het vierde deel.
FRIEDRICH NIETZSCHE heeft Jezus eens getypeerd als een ‘mengsel van sublieme, zieke en kinderlijke elementen’, terwijl de bizarre wereld waarin de evangelien ons binnenleiden hem voortdurend aan de door Dostojevski beschreven milieus deed denken, een ‘trefpunt van het uitschot der maatschappij, zenuwzieken en idioten’. De laatste kwalificatie gebruikt hij hier overigens niet in de ons vertrouwde betekenis van krankzinnig, zwakzinnig, of als een scheldwoord voor een hopeloos dom iemand, maar voor mensen zonder ontwikkeling en cultuur, die zich aan alle politiek en verantwoordelijkheid voor het openbare leven onttrekken.

In overeenstemming hiermee kan Nietzsche dan ook schrijven dat een leven zoals dat door Jezus werd gepredikt en voorgeleefd, alleen als ‘een sterk geisoleerde, hoogst individuele levenswijze’ mogelijk is en een 'intieme, teruggetrokken, volkomen onpolitieke samenleving’ veronderstelt, waarin men zich met veronachtzaming van alle wereldse zaken als 'heilige dwazen’ aan de 'blijde boodschap’ vastklampt.
Omdat de pas vele decennia na zijn dood op schrift gestelde verhalen over Jezus zijn vermengd met legenden, gekleurd door persoonlijke interpretaties en aangepast aan latere verklaringen waarin hij met de messias werd geidentificeerd, als gevolg waarvan een sterk vertekend beeld van hem is overgeleverd, heeft Nietzsche in De antichrist een poging gedaan een psychologisch beeld van hem te schetsen. Hoewel ik er alle begrip voor heb wanneer dit beeld bij de meeste orthodoxe christenen ergernis wekt - we worden nu eenmaal liever in onze overtuiging bevestigd dan dat we met visies worden geconfronteerd die ons geloof daarin schokken en ons nopen die te herzien - acht ik het psychologische portret dat Nietzsche van Jezus ontwerpt realistischer en meer levensecht dan alle beschrijvingen van theologen en romanciers voor hem. Het minste wat ik wel kan zeggen is dat, vergeleken bij Nietzsches karakterisering, die natuurlijk ook een hypothese blijft, alle andere mij bekende pogingen om van Jezus een enigszins menselijke, voor ons voorstelbare figuur te maken opvallend abstract blijven.
Nietzsche was, zoals bekend mag worden verondersteld, een verklaard tegenstander van het christendom - reeds in 1882 voorspelde hij het einde daarvan en kondigde hij de nihilistische crisis aan waarin wij ons vandaag bevinden. Maar hij voelde een onmiskenbare eerbied en achting voor Jezus, die hij dan ook vrijspreekt van de meeste beschuldigingen waarmee hij het christendom belaadt. Kenmerkend voor Jezus beschouwt de Duitse filosoof en predikantenzoon, die het geloof reeds op vroege leeftijd ontgroeide, de volkomen eenheid van boodschap en leven. Hij is op een zo volkomen wijze zijn boodschap dat leven en boodschap niet meer van elkaar te scheiden zijn. En deze boodschap is geen nieuw geloof, geen nieuwe leer, doch een nieuwe levenspraktijk, die een praktijk van een leven in de liefde is. Ze heeft niets met dogma’s, wetten, cultusvoorschriften en 'moraal’ van doen, maar alles met een innerlijke gesteldheid, met een 'toestand in het hart’.
DIT NOEMT NIETZSCHE Jezus’ 'blijde boodschap’: het ware leven, het eeuwige leven, is niet iets dat in het vooruitzicht wordt gesteld en 'na de dood’ aan de orde komt, nog minder iets dat van een theoretisch 'geloof’ of van de naleving van een aantal voorschriften afhankelijk is, maar het 'rijk Gods’ is zuiver innerlijk en moet hier en nu, 'in u’, verwezenlijkt worden als een leven in de liefde, zonder beperking, uitsluiting of distantie. Het is ook geen 'geloof’ dat de eerste christenen kenmerkt, maar een handelen, een ander handelen: zij verzetten zich niet tegen degenen die hun kwaad doen; maken geen onderscheid tussen vreemdelingen en landgenoten, tussen joden en niet-joden; schatten niemand gering; streven niet naar aards bezit; vermijden alles wat de vrede in hun hart kan verstoren, en wanneer die verstoord is, doen zij alles om die zo spoedig mogelijk te herstellen; alles wat zij bezitten delen zij met anderen, enzovoort. Het is deze praktijk die de toestand nabij brengt waarnaar het menselijk hart verlangt: allen broeders en zusters, iedereen in vrede met iedereen…
Tot zo ver zullen de meeste christenen geen moeite hebben om Nietzsche te volgen en zelfs hun instemming met zijn beeld van Jezus kunnen betuigen. Vermoedelijk wordt dat anders wanneer hij hem van de vertekeningen van bijna tweeduizend jaar theologische interpretaties en aanpassingen aan burgerlijke voorstellingen probeert te zuiveren en zijn authentieke karakter tracht te reconstrueren dat, hoezeer ook versluierd, toch bewaard gebleven zou kunnen zijn in de evangelien. De Jezus die Nietzsche dan aanschouwelijk maakt, is volmaakt enig in zijn soort door zijn bijna algehele vergeestelijking en wereldvreemdheid, door zijn 'geheel innerlijk-zijn’, maar hij is tegelijkertijd volkomen overtuigend en welhaast fysiek aanwezig.
Het geloof dat hier een stem krijgt, aldus Nietzsche, is geen geloof dat bevochten is, maar 'een vorm van kinderlijk geloof dat onaantastbaar is en waarop de realiteit geen vat heeft’. Dit geloof veroordeelt niet, bekritiseert niet en bewijst zich niet, niet door wonderen, noch door beloningen en beloften, maar is van moment tot moment zijn eigen wonder, bewijs, zijn eigen 'rijk Gods’. Dit geloof wordt ook niet geformuleerd, het verzet zich juist tegen alle formules, want Jezus heeft niets op met alles wat vast is: het woord doodt, alles wat vast is, doodt. Voor de 'anti-realist’ Jezus is het zelfs een voorwaarde dat geen enkel woord letterlijk wordt opgevat. 'Hij spreekt uitsluitend over het diepste innerlijk: “leven” of “waarheid” of “licht” is zijn woord voor het diepste innerlijk - al het overige, de hele realiteit, de hele natuur, zelfs de taal, heeft voor hem enkel de waarde van een teken, van een gelijkenis.’
EN DAARMEE KOMT Nietzsche tot een ander voor hem zeer opvallend aspect van Jezus, dat in zijn tijd en milieu waarschijnlijk minder zonderling was, maar hem zelfs daarin toch tot een uitzonderlijke figuur gestempeld moet hebben: hij wordt zozeer door zijn eigen geloof en boodschap beheerst dat hij, niettegenstaande dat de (joodse) religie en cultusvoorschriften even vanzelfsprekend voor hem zijn als de lucht die hij inademt, in wezen buiten alle religie, cultusopvattingen en historie staat. Hetzelfde geldt voor de staat, de politiek, de oorlog, wetenschap, kunst, dagelijkse arbeid, het huwelijk, ziekte en dood, kortom, voor de hele burgerlijke orde en samenleving zoals wij die kennen. 'Hij heeft zelfs nooit ook maar een vermoeden gehad van het kerkelijke begrip “wereld” en kent het begrip “cultuur” niet eens van horen zeggen.’ Zonder die te veroordelen, want veroordelen is hem onmogelijk, heeft hij heel de joodse leer van zonde, schuld en boete overwonnen, omdat hij weet dat het alleen de praktijk van het leven, van het leven in de liefde is, waarin men zich 'zalig’ en 'kind van God’ voelt. Het is deze praktijk die zijn 'blijde boodschap’ is.
Zoals gezegd moet ook dit beeld in laatste instantie hypothetisch blijven, zij het dat ik er onmiddellijk zo veel voor Jezus kenmerkende trekken in herken dat het voor mij niets meer of minder dan een revelatie is. Ik ben zelfs geneigd om te zeggen dat wie niet bereid is dit even ongewone als in zijn coherentie zeer overtuigende beeld van Jezus als een serieuze mogelijkheid in overweging te nemen, nooit iets van hem begrepen heeft.
NA MET GENIALE psychologische scherpzinnigheid dit harmonieuze en treffende beeld van Jezus te hebben geschetst, bevreemdt het des te meer wanneer Nietzsche Jezus’ 'afkeer van de realiteit’ en diens 'onmacht tot strijd, verzet en vijandschap’ herleidt tot 'een extreme vatbaarheid voor pijn en prikkels’, dus tot een aangeboren constitutie. 'De vrees voor ongenoegen, zelfs voor het oneindig kleine ongenoegen - kan gewoon nergens anders op uitdraaien dan op een religie van de liefde’, aldus Nietzsche.
Deze 'verklaring’ is niet alleen teleurstellend en onbevredigend, omdat men op die wijze alle kenmerkende eigenschappen van mensen tot hun geaardheid kan herleiden zonder daarmee iets te verhelderen, maar betekent na het voorafgaande psychologische portret ook een ontnuchterende zwenking. Niets zou immers meer voor de hand hebben gelegen dan dat hij de lijnen die heel Jezus’ optreden kenmerken, had doorgetrokken naar het punt waar zij samenkomen en hun verklaring vinden: namelijk in Jezus’ overtuiging dat het einde van de wereld ophanden en de komst van het 'godsrijk’ nabij was. Dit is te meer verwonderlijk omdat de niet-gerealiseerde godsrijkverwachting van Jezus een van de hoofdthema’s vormde in het denken van zijn vriend, de vrijzinnige theoloog Franz Overbeck. Nietzsche kende deze visie niet alleen, blijkens vroegere uitspraken in zijn werk deelde hij die ook volledig.
Dat in Jezus’ prediking de 'blijde boodschap’ van de komst van het godsrijk - van een plotseling ingrijpen door God, dat een einde zou maken aan de lijdensgeschiedenis van het joodse volk - centraal heeft gestaan, mag voor veel leken nieuw zijn, onder de hedendaagse nieuwtestamentici bestaat daar nauwelijks nog verschil van mening over. Integendeel, veel tegenstrijdigheden in de evangelien zijn daardoor verklaarbaar geworden. Enerzijds vindt men daarin immers op een vaak levendige wijze het van dag tot dag uitzien naar het verwachte 'eindgebeuren’ overgeleverd, terwijl anderzijds veel latere 'overschilderingen’ deze verwachting niet alleen naar de achtergrond proberen te dringen en naar een onbestemde toekomst te verschuiven, maar ook te vervangen door een boodschap van een geheel andere aard, namelijk die van een nieuwe godsdienst en godsdienstige leer die zich als de enig gelukzaligmakende, door God zelf geopenbaarde leer presenteert.
Zowel de evangelien als een deel van de brieven van Paulus zijn van deze tweeslachtigheid doortrokken. De theoloog Bultmann acht het dan ook waarschijnlijk 'dat in de prediking van Jezus de eschatologische boodschap een veel grotere plaats heeft ingenomen dan nu uit de synoptische evangelien blijkt’, terwijl het voor hem tevens evident is 'dat Jezus zich met de verwachting van het nabije einde van de wereld heeft vergist’. Ook E. Schillebeeckx kan niet loochenen dat 'voor hem (Jezus) het eindgebeuren zeer nabij was’. Soortgelijke uitspraken zou ik van alle moderne theologen van enige naam en faam kunnen aanhalen. Het is Johannes Weiss geweest die er in 1892 als eerste op heeft gewezen dat men Jezus’ prediking alleen kan verstaan in het licht van het door hem verwachte en aangekondigde godsrijk. En het was Albert Schweitzer die vanaf 1906 deze nieuwe visie op de evangelien met kracht heeft gepropageerd.
Ondanks dat Jezus’ boodschap tijdens zijn leven niet in vervulling was gegaan en zijn optreden in dat opzicht met zijn smadelijke dood aan het kruis in een klaarblijkelijke mislukking eindigde, leefde de parousie-verwachting nog lange tijd onverzwakt voort. Zo verwachtte ook Paulus dat hij de grote eschatologische gebeurtenis, door hem de 'Dingdag’ genoemd, nog persoonlijk zou meemaken{ (1 Thess. 4,15; 1 Kor. 7,29; Rom. 13, 11-12, enzovoort), al toont hij bij het voortschrijden van de tijd een toenemende aarzeling (2 Thess. 2). Nadat van zijn volgelingen, die hij had verzekerd dat zij de 'Dingdag’ nog zouden meemaken, reeds velen gestorven waren en dit bij de achtergeblevenen tot vragen had geleid, antwoordde hij hun dat 'wij die tot de verschijning van de Heer zullen overblijven niets voor zullen hebben op de afgestorvenen. (…) Eerst zullen de doden opstaan, vervolgens zullen wij, die nog in leven zijn, tegelijk met hen in een oogwenk op de wolken in de lucht worden weggevoerd.’ (1 Thess. 4, 15 e.v.)
LATER WERD DE HOOP zwakker en groeide de twijfel. Werd aanvankelijk de tijdspanne tussen de dood van Jezus en zijn wederkomst als een korte periode gedacht, naarmate die wederkomst langer op zich liet wachten, raakte men opnieuw in verlegenheid en drong zich steeds sterker de onvermijdelijkheid van een andere interpretatie van de aankondiging van het godsrijk op. Het was Augustinus die, bijna vierhonderd jaar na de kruisiging, een definitief einde maakte aan de gedachte van de zeer nabije terugkeer van Jezus door het christendom in een historisch perspectief te plaatsen en aan de christenen de opdracht te geven om de aardse stad (staat) te overwinnen en de stad Gods te vestigen. Zo maakte de 'verlossing’ plaats voor een streven naar verlossing, waarbij de nu op zichzelf aangewezen 'zondige’ mens zich moest bewijzen door een 'heilige’ levenswandel. Terwijl Jezus nooit zichzelf maar de ophanden zijnde komst van het godsrijk had verkondigd, werd hij nu zelf de verkondigde, werd de 'zaligheid’ verlegd naar het 'leven’ na de dood en de parousie verschoven naar het 'einde der tijden’, waarbij de wederkomst van Jezus samenvalt met het 'laatste oordeel’ over levenden en doden. De 'verlichting’ door de geest, waarmee de oergemeenten zich begiftigd hadden gewaand, werd na enkele eeuwen het exclusieve bezit van de kerk, die niet was aangekondigd en die Jezus’ 'blijde boodschap’ noch zijn praktijk maar haar eigen leer predikte.
Vandaag weten wij dat de Jezus-sekte slechts een van de vele messiaanse bewegingen is geweest die in die tijd het joodse volk in beroering brachten. Zowel voor, tijdens als na Jezus zijn er voortdurend volksstromingen geweest die het einde der tijden verwachtten. De onheilszwangere tijdgeest inspireerde tot de hoop dat God op een verlossende wijze zou ingrijpen en een einde zou maken aan het lijden van het joodse volk. Zo voorspelde volgens de joodse geschiedschrijver Flavius Josephus een andere profeet in het jaar 70 precies de dag waarop God de wereld zou verlossen. Op die dag vond men in Jeruzalem zesduizend joden bijeen, wachtend op Gods komst. Opvallend is trouwens dat in het Iran van die tijd eveneens sprake is geweest van een godmenselijke verlosser die de eindtijd aankondigde en de gelovigen opriep zich door reiniging en gebed op de dag des oordeels voor te bereiden. (Het geloof in een onsterfelijke ziel en in een hiernamaals was het jodendom tot circa 300 v. Chr. nog onbekend en is, evenals het geloof in het laatste oordeel, de duivel en de hel, waarschijnlijk van Iraanse oorsprong.)
WE BEGRIJPEN NU dat Jezus zo ver van het gewone leven afstond omdat dit voor hem nauwelijks meer bestond. Hij sprak niet meer vanuit de gegeven realiteit, maar in het perspectief van een - voor hem - nieuwe werkelijkheid, die nog slechts een kwestie van tijd was en van zijn volgelingen een volkomen andere, aan deze ongewone, strikt tijdelijke omstandigheden aangepaste instelling verlangde. In het zicht van het wereldeinde en de komst van het godsrijk verloren alle bestaande ordeningen en waarden hun betekenis en maakten ze plaats voor de voorbereiding op het einde. Wie hem volgen wil, moet niet alleen het onrecht dat hem is aangedaan verdragen, maar zijn tegenstander ook nog 'de andere wang’ toekeren; hij moet zijn vijanden beminnen en bidden voor degenen die hem lasteren en vervolgen, enzovoort. In het betreffende deel van de Bergrede worden opvallend rigoureuze, compromisloze eisen gesteld - geen eisen voor alledag, die met een beetje goede wil te volbrengen zouden zijn. Evenwel, Jezus kon zo spreken omdat hij de grote omwenteling nabij waande en hij meende met zijn boodschap een laatste mogelijkheid tot een innerlijke omkeer te vertegenwoordigen, een uitzonderingstoestand, die slechts van korte duur zou zijn. Daarom worden de volgelingen ook gemaand geen aardse goederen te vergaren, doch nog slechts te denken aan de nooddruft voor een dag (Mt. 6, 25-34), invorderbare schulden kwijt te schelden, et cetera. Werken voor het onderhoud, opkomen voor je recht, strijden voor je bezit, dat alles is nietig. In deze sfeer zijn ook de wet, boete en gebed en zelfs 'vader en moeder’ van geen betekenis meer.
Alle hier door Jezus geformuleerde eisen gaan in tegen de natuurlijke instincten van de mens en kunnen alleen daarom al geen alledaagse moraal zijn of worden, maar aan die mogelijkheid heeft hij dan ook nooit gedacht - hij verkondigde immers geen nieuwe 'leer’, maar het ophanden zijnde godsrijk. Daarom is ook gehoorzaamheid aan de wet en de voorschriften niet meer voldoende, maar moeten zijn volgelingen met heel hun wezen beschikbaar zijn en vraagt hij het uiterste, het in de wereld onmogelijke van hen. Het zijn imperatieven voor mensen die als het ware al niet meer van deze wereld zijn. Jezus’ eist van zijn volgelingen dat ze zo leven als ware het godsrijk reeds aangebroken.
Nu begrijpt men ook waarom 'het hele begrip van de natuurlijke dood in het evangelie ontbreekt’, zoals Nietzsche opmerkt. Bij de komst van het godsrijk wordt de mens immers verondersteld lichamelijk, dat is levend, in het andere leven, de andere wereld over te gaan. Bijgevolg is hier geen sprake van een 'natuurlijke dood’!
VOOR NIETZSCHE IS ER slechts een christen geweest, 'en die stierf aan het kruis’. Wat daarna 'evangelie’ genoemd wordt, is reeds het tegendeel 'van wat Jezus geleefd had’. Het is voornamelijk Paulus geweest die met zijn christologie de basis heeft gelegd voor wat later de verlossingsleer van de kerk is geworden en, volgens Nietzsche, exact datgene was waartegen Jezus gepredikt had. Voor zijn vriend Franz Overbeck was wat later de naam 'christendom’ kreeg wezenlijk gebonden aan de komst van het godsrijk en heeft dat slechts zo lang bestaan als die verwachting levend bleef, omdat de ziel ervan gelegen was in het geloof aan Jezus’ boodschap van de komst van het godsrijk en het einde van de bestaande wereld. Zo lang kon het ook geen theologie ontwikkelen en kerk worden. In overeenstemming met Overbeck begint ook Nietzsches kritiek op het christendom daar waar het oer-christendom - dat wil zeggen de praktijk en 'blijde boodschap’ van Jezus - historisch christendom wordt, dat wil zeggen leer, theologie, kerk.
De beslissende vraag voor mij is nu hoe theologen kunnen erkennen dat Jezus zich in de verwachting van de komst van het godsrijk vergist heeft - en bijgevolg nooit een nieuwe godsdienst kan hebben willen stichten - en vervolgens gewoon tot de orde van de dag overgaan (lees: hun apologie ten behoeve van diezelfde kerk en leer van die kerk voortzetten), alsof die erkenning geen enkele consequentie heeft voor het bestaan van de leer en cultus van die kerk! Ik heb die vraag reeds herhaaldelijk aan katholieke en christelijke theologen voorgelegd, zonder daar ooit een antwoord op te hebben ontvangen…