In wat nu ‘onze nieuwe keuken’ heet zit een vrouw op het aanrecht. Een forse vrouw met een imponerende bos donkere krullen, een jas vol paletten en paarse gelnagels. Ze heeft een handtas met pantervlekken naast zich neergezet. Ze zit op het aanrecht als op een troon, de schouders hoog, in een pose van onverzettelijkheid – hier zit ik, knappe jongen die mij nog weg krijgt – maar haar blik is op de keukenvloer gericht, glijdt langs de kastjes, dwaalt langs de plint. Er spreekt een matte berusting uit. Ze zit er nu al twee weken, op dat aanrecht, sinds de bezichtiging waarvoor we bij godsgratie waren uitgenodigd. Wij en zes anderen, veelal rondlopend, keurend en hopend. Alleen zij was gaan zitten. Die handtas, meende ik te begrijpen, was het equivalent van een handdoek op een strandstoel; een poging ergens bezit van te nemen, iets te claimen. Dit zou háár huis moeten worden, dit zou háár keuken moeten zijn.

Toen vier dagen na de bezichtiging het verlossende telefoontje kwam schaamde ik me, zoals ik me altijd schaam voor goedaardig toeval – geluk is gevaarlijk. Daarna schaamde ik me voor die schaamte. Na drie jaar zoeken, hopen, bellen, kijken en vruchteloos bieden is er niet alleen het recht op blijdschap maar zelfs de plicht om joelend door de kamer te springen.

Ik weet nog hoe we begonnen. De glas-in-loodramen waar we onszelf, omringd door boekenkasten, achter zagen zitten. De tuin waarin we een boom zouden planten die we langzaam groter konden zien worden, waarin de seizoenen zouden verstrijken; het felgroene van wat tot leven komt, het vaalbruine van wat vergaat. De geur van stoofpeertjes. Het vloerkleed waar vlekken in zouden komen van gemorste koffie. De stappen die jaar na jaar een spoor van patronen zouden trekken over de vloeren en traptreden. De streepjes met de namen van de kinderen die ons boven het hoofd zouden groeien; hun rondslingerende lego, verkleedkleren en treinbanen. Overmoedig riep ik uit dat we dan ook zo’n kitscherige globe zouden kopen, die je open kunt klappen en waar dan flessen drank in staan. Mijn man wilde dan ook een krantenbak.

Nu staan we in een huurhuis in een buurt waar we destijds niet eens aan dachten, zonder tuin en zonder boom, zonder glas-in-lood bovendien, maar we staan er. Met fonkelnieuwe sleutels, met meetlinten, met plattegronden en lijstjes. Hier de leeslamp, daar de ets en daar het oude bureautje van oma. Een niemandsland dat we in mogen nemen, waar over een week of wat de geur van stoofpeertjes rondwolkt. Alleen zit die vrouw nog steeds op het aanrecht. De droeve koningin van alle moedelozen, misgrijpers en klemzitters. Ik kan intussen enigszins door haar heen kijken, naar de lege keukenkastjes, naar de witte tegels. Haar voeten zijn verdwenen omdat ik ben vergeten wat voor schoenen ze droeg. Op een lijstje noteer ik: ‘kinderslot gootsteenkastje’ en ‘lampje afzuigkap’. Maar misschien moet ik nu eerst zo’n kitscherige globe kopen. En een krantenbak.

Wij stonden in de keuken, zij en ik.
Ik dacht al dagen lang: vraag het vandaag.
Maar omdat ik mij schaamde voor mijn vraag
wachtte ik het onbewaakte ogenblik.

Maar nu, haar bezig ziend in haar bedrijf,
en de kans hebbend die ik hebben wou
dat zij onvoorbereid antwoorden zou,
vroeg ik: waarover wil je dat ik schrijf?

Juist vangt de fluitketel te fluiten aan,
haar hullend in een wolk die opwaarts schiet
naar de glycine door het tuimelraam.

Dan antwoordt zij, terwijl zij langzaamaan
druppelend water op de koffie giet
en zich de geur verbreidt: ik weet het niet.

Impasse

Martinus Nijhoff
Uit: Nieuwe gedichten
(1934), Querido