NAAR EEN MINDER BEKENTENISGERICHT STRAFRECHT

Nieuw bewijs

Een schuldbekentenis geldt in de rechtspraak nog altijd als een van de sterkste vormen van bewijs. Dit staat ter discussie.

Met de doorbraak in de Puttense moordzaak wordt andermaal duidelijk dat een schuldbekentenis in de rechtspraak niet de sleutel is tot de oplossing van een misdaad. Hoewel de verdachten de bekentenissen later hebben ingetrokken, kwamen zij toch achter de tralies, bleef de echte dader vrij rondlopen en velde het roddelende dorp zijn oordeel. Pas door nieuw verkregen bewijsmateriaal, verkregen via dna-onderzoek, kon deze gerechtelijke dwaling klip en klaar worden aangetoond.

In de afgelopen jaren heeft het Openbaar Ministerie (OM) te veel fouten gemaakt om deze zaak af te kunnen doen als een jammerlijk incident. Dat de rechterlijke macht onder druk staat, bleek ook deze week uit een grote advertentie in de landelijke dagbladen. Een groep vooraanstaande juristen, aangevuld met amateur-speurhonden, doet daarin een oproep aan onze volksvertegenwoordigers om het begrip novum te verruimen en een onafhankelijke RevisieRaad in te stellen.

Bij missers, die vooral aan het licht komen bij spraakmakende moordzaken waar de media boven op zitten, is meestal sprake van een tunnelvisie. De bekentenis is daarbij vaak het eindpunt van een traject waarin politie en justitie zich concentreren op die ene hoofdverdachte zonder nog te letten op andere invalshoeken of op de mogelijkheid dat de verdachte heeft gelogen.

Het is niet onlogisch dat rechters zwaar leunen op de uitspraak ‘Ik heb het gedaan’. Een schuldbekentenis geldt in de rechtspraak als een van de sterkste vormen van bewijs. Maar volgens artikel 341 lid 4 van het Nederlandse Wetboek van Strafvordering mag een rechter niet uitsluitend op een bekentenis van de verdachte afgaan. Volgens Gezinus Wolters, universitair hoofddocent cognitieve psychologie aan de Universiteit Leiden, is een bekentenis alleen bruikbaar als die gepaard gaat met specifieke daderinformatie: nieuwe details die blijken te kloppen als ze worden geverifieerd. Gezinus Wolters: ‘Zonder die daderkennis is een bekentenis niet als evidentie te gebruiken. Hoewel een rechter dat moet onderzoeken en aanvullend bewijs moet aandragen, werkt de bekentenis wél in het hele proces door.’

Het is bovendien maar de vraag hoe een bekentenis tot stand is gekomen. Je kunt iedereen een misdaad laten bekennen, stelt Harald Merckelbach, hoogleraar experimentele psychologie aan de Universiteit Maastricht. Harald Merckelbach: ‘Bij een experiment moest een groep studenten een taak op een pc uitvoeren en werd hun verteld dat als ze de shifttoets zouden aanraken de computer kapot zou gaan. Na afloop bleek het systeem zogenaamd te zijn vastgelopen en kregen de studenten daarvan de schuld. Zestig procent ondertekende uiteindelijk een schuldverklaring. De trucs die werden ingezet zijn tweeërlei: je creëert een onoverzichtelijke, chaotische situatie waardoor de eigen waarneming wordt afgeleid. En je komt op de proppen met een zogenaamde getuige, die zegt dat hij het vergrijp met eigen ogen heeft gezien. Mensen beginnen te twijfelen en gaan vroeg of laat door de knieën.’

Hetzelfde principe ligt volgens hem ten grondslag aan het afdwingen van een schuldbekentenis tijdens een politieverhoor. ‘Maar met het grote verschil dat een laboratoriumsituatie mild is in vergelijking met de echte verhoorkamer. Mensen zijn murw, door slaapgebrek als gevolg van hun detentie. Slaapgebrek leidt tot ontwrichting van het geheugen. Je wordt zeer kwetsbaar. Jaarlijks worden er 160.000 verdachten aangehouden en van hen heeft één op de twintig een psychiatrische aandoening. Die groep is gemakkelijk te manipuleren.’

Een bekentenis heeft, paradoxaal genoeg, te maken met een groot vertrouwen in de politie en het justitiële apparaat. Harald Merckelbach: ‘Verdachten denken dat er zoveel waarborgen in het rechtssysteem zitten dat later wel zal blijken dat zij eigenlijk onschuldig zijn. Ze rekenen ook op dna-onderzoek. Maar dat is schijnzekerheid.’

Gezinus Wolters: ‘Er zijn twee soorten valse bekentenis. Mensen die na langdurige verhoren – en dat is vier uur achter elkaar – met suggestieve techniek, ervan af willen, naar hun eigen bed verlangen en denken: ik beken wel, dan trek ik het morgen wel weer in. De andere vorm is veel ernstiger: mensen gaan echt geloven in hun eigen verhaal en fantasieën. Ze krijgen tijdens het verhoor een deel van de feiten aangereikt. Drie dagen later kunnen ze hun vage herinneringen niet meer onderscheiden van de echte. Dat is een geïnternaliseerde bekentenis.’

Merckelbach en Wolters pleiten beiden voor betere verhoormethoden. In het algemeen zijn de regels nu: niet te veel druk uitoefenen en geen fysiek geweld – en dat is ook verbaal geweld – gebruiken. Merckelbach: ‘De ondervraging is te weinig doordacht. Dat is ook niet zo gek, want de meeste agenten, en zeker in kleine plaatsen als Putten en Schiedam, hebben geen enkele ervaring met een ernstige moordzaak. Ze denken dan dat de harde aanpak van een verdachte wel de beste manier zal zijn. Maar een effectieve verhoormethode is een vriendelijk, zakelijk gesprek waarbij je in stapjes laat doorschemeren dat je over meer informatie bezit. Nooit te veel prijsgeven, want dat schept verwarring bij de verdachte. Politieteams moeten meer gaan werken zoals wetenschappers: voortdurend wikken en wegen en een andere hypothese afwikkelen.’ Wolters: ‘Tegelijk snap ik het dilemma heel goed. Je probeert een ernstige zaak op te lossen, je staat onder enorme druk en als je het gevoel hebt dat iemand liegt, dan wil je dat uit die persoon krijgen. Rechters moeten zich veel meer bewust zijn van de omstandigheden waaronder valse bekentenissen tot stand komen.’

Hans Nijboer, hoogleraar bewijs en bewijsrecht aan de Universiteit Leiden, ontkent stellig dat rechters hun werk niet goed zouden doen. De advertentie met de oproep tot een RevisieRaad vindt hij schreeuwerig. ‘Als de rechter zijn werk goed doet, en dat is in de meeste gevallen, dan stelt hij alle stukken in het dossier aan de orde. Zeker als er sprake is van een herziene bekentenis. En het is nog altijd óók de taak van de advocaat om dit door te prikken.’

Het stemt Merckelbach tevreden dat het OM nu eindelijk openstaat voor zelfkritiek. Dat komt vooral doordat blunders nu worden ingehaald door de nieuwe technische onderzoeksmiddelen, zoals dna-onderzoek. Harald Merckelbach: ‘Toen in de jaren tachtig het boek Dubieuze zaken van onder anderen Hans Crombach, Willem Wagenaar en Peter van Koppen verscheen, viel de hele juridische wereld over hen heen. Ze zouden atypische zaakjes hebben onderzocht. Nu is kritiek mogelijk, maar het blijft moeizaam. Ik kom ze nog genoeg tegen, rechters die arrogant ontkennen dat er sprake is van weeffouten.’

Merckelbach pleit voor het instellen van een commissie, vergelijkbaar met de Onderzoeksraad voor Veiligheid van Pieter van Vollenhoven. Ook moet volgens hem de positie van de advocatuur ten opzichte van het OM sterker worden gemaakt. ‘Het OM kan ongelimiteerd en gratis deskundigheid inhuren, terwijl advocaten voor contra-expertise meer moeite moeten doen tegen betaling.’

Nijboer is optimistisch over het zelfreinigende vermogen van het OM. Hans Nijboer: ‘Naar aanleiding van de commissie-Van Traa is de autonomie van rechercheteams aangepakt en de hardhandige “Zaanse” verhoormethode gelukkig afgeschaft. Nu praten we over rechterlijke dwalingen. Onder invloed van nieuwe rechters en zij-instromers staat intern de routine ter discussie. Dit proces is goed en vormt de opmaat naar een ander strafrecht. We groeien op termijn toe naar een minder bekentenisgericht strafrecht dat meer is gebaseerd op technologische, wetenschappelijke bewijsvoering.’