In 1762 publiceerde Jean-Jacques Rousseau Du contrat social, dat zou uitgroeien tot een essentiële bouwsteen voor de moderne Europese samenlevingen. In zijn traktaat biedt Rousseau een politiek, moreel én praktisch basismodel voor een vrije, open samenleving. De titel spreekt onverminderd tot de verbeelding. Tot op de dag van vandaag zijn politici naarstig op zoek naar ‘een nieuw sociaal contract’. Maar wat is dat?

In de kern draait het idee van Rousseau om twee verbindingen. Beide ziet hij als onverbrekelijk in Europa. De eerste verbinding kan het best beschreven worden als cultuur. Deze bestaat in religieuze verwevenheid (via het christendom), handelsbetrekkingen, gedeelde mores, literatuur (de Europese ‘republiek der letteren’). Deze verbinding door gedeelde cultuur noemt Rousseau ‘een soort systeem’ dat de Europese landen met elkaar verenigt – dit is ‘niet zo makkelijk te breken als menigeen denkt’, aldus Rousseau.

De tweede verbinding, in het verlengde hiervan, is die tussen de binnen- en de buitenwereld, tussen de nationale en de internationale sfeer. Ook die is onverbrekelijk volgens Rousseau: geen nationale veiligheid en vertrouwen zonder internationale veiligheid en vertrouwen. Het ‘sociale contract’ dat Rousseau propageerde was een vrucht van dit inzicht en vormt de ethische bodem onder de Europese welvaartsstaten van vandaag. Rousseau wees Europa op het pad dat uiteindelijk zou leiden naar het ‘winnen van de vrede’, in plaats van naar het winnen van de volgende oorlog door de volgende mogendheid met hegemoniale aspiraties.

In het onlangs verschenen boek Conquering Peace reconstrueert historica Stella Ghervas de experimenten met de vrede als ordenend concept voor Europa, een geschiedenis die lang een aaneenschakeling van mislukkingen bleef, maar niet oneindig. Ghervas trekt ook een lijn van Rousseau naar de toespraak die de Franse minister Robert Schuman hield, toen hij in 1950 het plan voor de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal (EGKS) lanceerde. Schuman sprak over de ambitie om ‘concrete resultaten’ te realiseren die een ‘solidarité de fait’ bewerkstelligden. Dit sprak aan vanwege het realisme van de ‘kleine stappen’ en samenwerking op zoiets concreets als kolen en staal. Men zag de praktische impact wel.

Hegemoniale aspiraties van Big Finance en Big Tech moeten beteugeld

Zeker zo belangrijk was de belofte van de kleine, intermenselijke schaal. ‘Feitelijke solidariteit’, dat is iets wat tussen mensen ontstaat. Niet iets wat van bovenaf wordt opgelegd. Schumans woorden beschreven een spontane maatschappelijke orde gebaseerd op gezamenlijkheid, een werkelijkheid waarin mensen geen nummers zijn. De EGKS was daarbij onmisbaar, omdat solidariteit tussen mensen een illusie blijft zonder het winnen van de vrede tussen landen.

Schumans toespraak was een echo van de verbondenheid in Europa die eerder door Rousseau geïdentificeerd was, en die hem had gebracht tot zijn pleidooi voor een republiek als ordenende eenheid in Europa, opgebouwd van onderop en niet van bovenaf (door de monarch of de paus). Alleen op die manier kon de ‘innerlijke rationaliteit’ van Europa veranderen van oorlog naar vrede. Maar dat ging niet zomaar. Allereerst moest de macht van de Europese monarchieën beteugeld worden, oftewel voorzien worden van tegenmacht. Waarom? De monarchieën hadden baat bij de ‘rationaliteit van oorlog’ en waren de dragers van het hegemonie-idee. Van hen zou de vernieuwing nooit komen.

De ‘rationaliteit van vrede’ moest komen van de gewone Europeanen. Dat kon ook, volgens Rousseau. Daarvoor was nodig: een republiek, gebaseerd op een sociaal contract (de ‘koning van de Fransen’ in plaats van de ‘koning van Frankrijk’). De essentie daarvan was dat de Europeanen zichzelf én hun landen bevrijdden uit het waanbeeld van de hegemonie als ordeningsmodel. De spontane (solidaire) orde tussen gewone mensen, verankerd in een wederzijds vertrouwen, gefaciliteerd door publieke goederen als onderwijs, vormde het hart van het contract.

Voltaire vond het naïef. Rousseau zelf stelde dat het alleen kans van slagen had in een context van vrede, en dus valt of staat met de beteugeling van hegemoniale aspiraties. In het Europa van vandaag is Rousseau relevanter dan Voltaire. De hegemoniale aspiraties komen nu van Big Finance en Big Tech. De beteugeling daarvan moet lopen via de ‘concrete resultaten’ van regulering op de Europese interne markt. Wie deze internationale dimensie weglaat uit pleidooien voor ‘een nieuw sociaal contract’ heeft de essentie ervan niet begrepen.