Drie nieuwe Mars-films

Nieuw Eden

Met drie nieuwe Mars-films binnen korte tijd staat de rode planeet centraal in het cultureel bewustzijn. Bovendien volgen

wetenschappelijke ontdekkingen over Mars elkaar in snel tempo op. Gevolg: de plannen voor kolonisatie liggen klaar.

In juli 1965 ontdekte de Mariner 4 dat op de planeet Mars geen sporen van leven te bekennen waren. Daarmee kwam een einde aan eeuwenoude speculaties over het bestaan van buiten aards leven op Mars, zoals bijvoorbeeld die van Christiaan Huygens, die in 1659 als een van de eerste wetenschappers theoretiseerde over de mogelijkheid van leven op de rode planeet. In zijn postuum verschenen Cosmotheoros gist hij dat intelligent leven zich zou hebben aangepast aan de koude weersomstandigheden op Mars. Twee eeuwen later maakte Giovanni Virginio Schiaparelli, directeur van het Brera Observatorium in Milaan, bekend dat er «canali» waren op Mars. Dat was explosief nieuws, dat een wereldwijde Mars-koorts opwekte. In 1892 publiceerde Nicolas Camille Flammarion La planète Mars, waarin hij onder meer de problemen bespreekt van communicatie met «de Mars bewoners». Immers, stelde Flammarion, er kon nu geen twijfel meer mogelijk zijn over hun bestaan. Wie anders waren de bouwers van de kanalen?

De speurtocht naar het antwoord op deze vraag nam het hele leven in beslag van de Amerikaan Percival Lowell, die in 1894 een observatorium bouwde in Flagstaff, Arizona. Lowell verklaarde na uitgebreide bestudering van de planeet dat de kanalen dienden voor het transporteren van water vanaf de twee poolgebieden naar de steden van een «Mars-samenleving». Zijn theorieën spraken tot de verbeelding. De New York Times schreef bijvoorbeeld op 27 augustus 1911 over «de Mars-bewoners» in een artikel met de kop «Mars-bewoners bouwen twee gigantische kanalen in twee jaar».

In dat jaar begonnen feit en fictie op grote schaal door elkaar te vloeien. Dankzij de media en populaire romans kreeg ook de man in de straat de Mars-koorts. Terwijl de wetenschappers hun berekeningen maakten, verscheen A Princess on Mars van Edgar Rice Burroughs, die de mensheid liet kennismaken met een gefictionaliseerde Mars-wereld. Lezers was al schrik aangejaagd door de invasie van de Mars-bewoners in H.G. Wells’ The War of the Worlds (1898), nu konden ze door tijd en ruimte reizen naar een planeet die permanent deel was van het collectieve geheugen van de mensheid.

Daarom kwam Mariner 4 in de twintigste eeuw als een koude douche. Niet alleen lezers van romans en serieuze kranten als The Times, maar vooral ook vele gerenommeerde wetenschappers waren er heilig van overtuigd dat er intelligent leven op de planeet bestond of op z'n minst mogelijk was.

Mars — de Romeinse god van vruchtbaarheid en landbouw, later god van oorlog door de verbondenheid met het Griekse Ares. Mars — als sciencefiction, bijvoorbeeld de literaire Mars-historiografie van Kim Stanley Robinson, een geplande mega-televisieserie over de planeet en drie nieuwe Mars-films, waaronder de interessante Mission to Mars van Brian de Palma, de nieuwe pulpfilm Red Planet van Antony Hoffman en later dit jaar Ghosts of Mars van John Carpenter. En niet te vergeten: Mars als wetenschappelijk studieobject van de Nasa, die ruimtesondes lanceert waarvan de televisiebeelden te zien zijn op cnn.

Het lijkt alsof we behoefte hebben aan Mars, zoals we behoefte hebben aan zoeken naar kennis over eeuwige kwesties als de oorsprong van de mensheid of haar toekomst. En Mars heeft ons nodig om te blijven bestaan, in elk geval als fictionele werkelijkheid. Zo zijn mens en planeet gewikkeld in een eeuwige dans — allebei hoofdpersonages in een verhaal zo oud als de moderne beschaving. Daarom belandt Mars na een «terugslag» zoals tijdens de Mariner-missies elke keer weer hoog op de publieke agenda.

Eind vorig jaar stonden de kranten weer bol van de oervraag, de vraag van David Bowie als Ziggy Stardust: is er leven op Mars? Nasa’s Mars Global Surveyor seinde spectaculaire foto’s terug van afzettingsgesteenten op het oppervlak van de planeet. Bevestigden de foto’s eindelijk dat de planeet ooit een warm, vochtig klimaat had? Niet helemaal. Sommige onderzoekers vonden in de beelden nauwelijks nieuw bewijs dat water de afzettingsgesteenten had veroorzaakt. De wind kon net zo goed de vervormer van het planeetoppervlak zijn geweest, zeiden ze.

De meningsverschillen over de geologische geschiedenis van Mars leggen een pijnlijke kloof bloot tussen menselijke aspiratie en technologische mogelijkheid. We weten weinig, vooral omdat we weinig kunnen. Zo bereikte de vooralsnog belangrijkste uitvoerder van de aspiratie, Nasa, een historisch dieptepunt toen de Mars Polar Lander in december vorig jaar te pletter sloeg op het planeetoppervlak. De Lander was op een belangrijke missie: zoeken naar watervoorraden in het zuidpoolgebied. Water is een essentiële voorwaarde voor Mars-dromen: ooit heeft er primitief leven bestaan op de rode planeet, en in de toekomst is er weer leven — in de vorm van menselijke kolonisten — mogelijk. Het ongeluk van de Lander was een nekslag. In de woorden van Nasa-functionaris Carl Pilcher: «De speurtocht naar leven op Mars moet op een laag pitje worden gezet totdat we erachter zijn gekomen hoe we op Mars kunnen landen zonder te verongelukken.»

Volgens tegenstanders van Nasa verkondigt Pilcher, zoals vaker op Nasa-persconferenties, de reinste onzin. De technologie voor bemande reizen naar de rode planeet bestaat wel degelijk. Kolonisering is een kwestie van tijd. Daarom is er vooral in Amerika een groeiende beweging van wetenschappers en gewone mensen die het politiek geïnspireerde gekonkel tussen Nasa en het Witte Huis beu zijn. Deze beweging, die nu de Mars Society heet, wendt zich steeds meer tot internationale private consortiums van geldschieters en gerenommeerde wetenschappers om hun plannen voor de ontdekking van Mars te realiseren.

De wortels van de Mars Society liggen in 1982, toen twee astrofysici een congres hielden in Boulder, Colorado, over de kolonisatie van Mars. De inmiddels overleden sterrenkundige Carl Sagan hield de openingstoespraak. De aanwezige wetenschappers besloten verder te gaan onder de naam Mars Underground.

In 1989 kondigde president Bush aan dat Nasa plannen zou ontwerpen voor een bemande missie naar Mars in de 21ste eeuw. Maar al gauw bleken deze plannen onbetaalbaar. Nasa belandde op een keerpunt in zijn bestaan. De oplossing? Een nieuwe directeur, Dan Goldin, en een nieuwe filosofie: faster, better, cheaper. Goldin wilde het succes van de Mariner- en Viking-missies van de jaren zeventig herhalen. Dat resulteerde in 1997 in de spectaculaire Mars Pathfinder-missie, waarbij een karretje, de Sojourner, op het planeetoppervlak ging rondrijden. Opnieuw sprak Mars op grote schaal tot de verbeelding van de mensheid — voor het eerst sinds de Viking-missie begin jaren zeventig werden het mysterieuze «gezicht» op Mars en de «antieke piramiden» gefotografeerd.

Een jaar voor de landing van Pathfinder publiceerde de wetenschapper Robert Zubrin zijn plan voor de kolonisatie van Mars. The Case for Mars bevat een politiek, financieel en maatschappelijk haalbaar plan waarmee de mensheid vandaag nog de planeet stap voor stap zou kunnen koloniseren. Veelbetekenend is de visie waarop Zubrin zijn plan baseert. «Juist de rijkdom van Mars», schrijft hij, «maakt de rode planeet niet alleen begerenswaardig, maar ook haalbaar.» Uit een verslag van de oprichtingsbijeenkomst van de Mars Society, gehouden in 1998 in Boulder, blijkt dat de kolonialistische instelling van Zubrin en andere wetenschappers niet onopgemerkt is gebleven. Het verslag zegt: «De meeste panelleden hadden geen moeite met het uitwissen van het inheemse leven op Mars — als de belangen van de mens daardoor maar werden bevorderd.»

Merkwaardig genoeg ontwikkelde zich tegelijkertijd een debat over het belang van zelfs de kleinste, oudste vorm van leven, hoe versteend dan ook en diep weggestopt onder het oppervlak van de planeet. Welk recht heeft de mensheid om Mars te koloniseren? Welk recht hebben de eerste astronauten om een vreemd ecosysteem voor altijd te veranderen? Deze vragen raken de ethische kern van ontdekkingsreizen. Het moge duidelijk zijn dat de mens, gezien zijn dubieuze staat van dienst wat betreft het ongevraagd binnendringen van nieuwe gebieden, nauwelijks in staat is deze vragen naar behoren te beantwoorden. Maar Mars-experts zien de planeet wel degelijk in het licht van ontdekkingsreizen. Zubrin schrijft: «Mars kan worden gekoloniseerd. Voor onze generatie, maar ook voor de komende generaties. Mars is de Nieuwe Wereld.»

Nieuw Eden: bergen die drie keer zo hoog zijn als Mount Everest, valleien drie keer dieper en vier keer breder dan de Grand Canyon, ijsvelden zo groot als continenten, kilometers lange droge rivierbedden, gigantische kraters veroorzaakt door meteorietinslagen, een mysterieus, door wind- en misschien ook watererosie gebeeldhouwd landschap. Mars, een wereld van adembenemende schoonheid, verleidelijk, als in de droom van Douglas Quaid: «He awoke — and wanted Mars. The valleys, he thought. What would it be like to trudge among them? Great and greater yet: the dream grew as he became fully conscious, the dream and the yearning. He could almost feel the enveloping presence of the other world…» Voor Quaid, hoofdpersonage in Philip K. Dicks schitterende korte verhaal We Can Remember it for You Wholesale (1974), is de rode planeet een droombeeld, een manier om te ontsnappen uit de saaie, corrupte werkelijkheid op aarde. In zijn droom ziet Quaid zichzelf bloemen plukken op het planeetoppervlak. Hij verlangt naar een beter leven. Maar de reis naar Mars — de illuminated journey — is onbetaalbaar. De planeet is gereserveerd voor de rijken. Gewone mensen zijn gedwongen hun toevlucht te nemen tot dromen in de vorm van geïmplanteerde herinneringen aan het Mars-bezoek van een vreemdeling.

De populaire cultuur vormt het collectieve geheugen van de mensheid. Dat geheugen schetst een bepaald tijdsbeeld. In de jaren vijftig vormden films als Invaders from Mars (1953), This Island Earth (1955) en The War of the Worlds (1953) zowel de droombeelden als de angstvisioenen van gewone mensen. Deze films weerspiegelen de Koude Oorlog, de angst voor nucleaire aanvallen en anti-sovjetgevoelens in Amerika.

When Worlds Collide (1951) is een van de eerste films met het idee van een andere planeet als Nieuw Eden, een paradijs waar de mensheid een tweede kans krijgt. De voornemende paradijsbewoners verlaten in hun «Ark van Noach» de aarde, een hel waar oorlog is uitgebroken, een wereld die door zelfvernietiging te gronde is gegaan. In het laatste beeld van de film zien we hoe de astronauten een eerste zonsopgang op een andere planeet aanschouwen als een nieuwe Adam en Eva in het paradijs. De film houdt het bij dit romantische beeld.

Dat is anders in twee nieuwe Mars-films, Red Planet en Mission to Mars, waarin de rode planeet geen paradijs is maar een levensbedreigende aanwezigheid in het leven van de personages. Red Planet werpt een allegorische blik op de gefragmenteerde, havenloze mens. Het is een pulpfilm, maar ideologisch zeker significant. De aarde is ecologisch verwoest. Een team onderzoekers reist naar Mars. Als ze in een baan rond de planeet zijn, verlaten de mannelijke teamleden halsoverkop het ruimteschip wegens een technische crisis. De vrouwelijke aanvoerder blijft achter om het schip te redden. Op het oppervlak van de planeet zwerven de mannen vervolgens doelloos rond. Een voor een leggen ze het loodje.

Centraal in deze Mars -tekst staat een kolonialistische verkrachtingsmetafoor: mannen dringen een nieuwe wereld binnen. Daarentegen staat de vrouw in de film voor «moeder Aarde», het oer-Eden dat door de mensheid is verwoest. Een Kaïn en Abel-verhaallijn waarin een astronaut zijn collega vermoordt, versterkt de Eden-thematiek. Deze herhaling van de oude mythologische overtreding van de goddelijke wet werkt neerdrukkend. Van een nieuwe mens in een nieuwe lusthof is namelijk geen sprake. Uiteindelijk blijft slechts een eenzame, oninteressante man over. Alleen met de hulp van de vrouwelijke bevelvoerder slaagt hij erin Mars te verlaten. De vrouw maakt, aan haar schip vastgebonden met een touw, een ruimtewandeling om de verloren astronaut te redden. De suggestie is dat de mens een soort verlossing bereikt door de koppeling met een symbolische navelstreng aan «moeder Aarde».

De nieuwe wereld wenkt ook in Mission to Mars van Brian de Palma. De openingsscène is een hommage aan de pulp-sciencefictionfilms van de jaren vijftig: een raket schiet de lucht in, maar deze blijkt een speeltje te zijn van een jongetje bij een tuinfeest in een Amerikaanse voorstad. De film transporteert de kijker van een idyllische aardse omgeving naar de mythische realiteit van de ruimte. Vanaf dat moment valt het accent op het feit dat de mens zich in een vreemde wereld bevindt: het gebrek aan zwaartekracht leidt enerzijds tot gracieuze dansen in het ruimteschip waarmee de astronauten onderweg zijn naar Mars, anderzijds tot ruimtewandelingen waarbij de ongewone omstandigheden fataal zijn. Met een permanent draaiende camera desoriënteert De Palma de kijker volledig. Ergens in de vreemde wereld op Mars schuilt een soort oerwaarheid over de mens en zijn oorsprong. In het paradijs kan de mens zichzelf opnieuw uitvinden — als hij maar weet waar te zoeken.

Alle fictionele reizen naar Mars hebben mythische proporties, evenals die in de klassieke roman The Martian Cronicles (1951) van Ray Bradbury, een van de vaders van de moderne sciencefiction. In januari 1999 vindt namelijk de «Rocket Summer» plaats. Dan bereikt het technologische vernuft van de mens een zodanig hoogtepunt dat de eerste bemande reis naar Mars kan plaatsvinden. De implicaties hiervan reiken ver, in de eerste plaats voor de Mars-bewoners, bijvoorbeeld Ylla, vrouw van Mr. K, die de aardse astronauten ziet landen in een droom. Ze ontmoet in haar droom de leider, een man met zwart haar en blauwe ogen, en wordt meteen verliefd op hem. Dat maakt Mr. K gek van jaloezie, met hilarische gevolgen. Wanneer Ylla’s droom werkelijkheid wordt — er landt een ruimteschip op Mars — pakt Mr. K zijn geweer. «Om te gaan jagen», zegt hij. Even zijn schoten te horen. De eerste Mars -missie is mislukt — wegens een jaloerse echtgenoot. Bradbury’s verhalen zijn satirische allegorieën in de stijl van Jonathan Swift. Niet het bestaan van buiten aardse wezens maar het menselijk leven komt onder het vergrootglas.

Veel Mars-teksten hebben deze eigenschap, vooral die van de belangrijkste erfgenaam van Burroughs, Wells en Bradbury: de Amerikaanse sciencefictionschrijver Kim Stanley Robinson. Zijn Mars-trilogie (1992), Red Mars, Green Mars en Blue Mars, is een amalgaam van eeuwenlange studies door wetenschappers en kunstenaars. Robinson beschrijft gedetailleerd hoe de mensheid Mars koloniseert. Hierbij zijn veel ideeën op de werkelijkheid gebaseerd, zodat hij met zijn romans als het ware de plannen ten uitvoer brengt van Nasa en organisaties als Zubrins Mars Society. Maar de sterkste eigenschap van deze boeken is dat ze de Mars van de wetenschap proberen te verenigen met een verzonnen Mars, met de visie van de kunstenaar op de planeet. Deze combinatie leidt tot een van de belangrijkste Mars-teksten in de populaire cultuur. De mens dringt Mars binnen, op gewelddadige wijze. Hierbij gebruikt de schrijver opnieuw de kolonialistische verkrachtings metafoor: een raket penetreert de atmosfeer van de planeet. Door dat moment veranderen mensheid en planeet voor altijd.

Mars bestaat dankzij de menselijke verbeelding. Uit Red Mars: «We are all the consciousness Mars has ever had.» Maar dat bewustzijn is nog altijd menselijk en als een virus infecteert het de maagdelijke nieuwe wereld. In het eerste hoofdstuk van de roman beschrijft Robinson hoe John Boone, leider van de kolonisten, wordt vermoord na jaren van politieke en maatschappelijke onrust op de planeet. Boone is een idealist die Mars ziet als een unieke ervaring, waardoor de mens een fundamentele verandering ten goede kan ondergaan. Dat is ook de rode draad in de trilogie: er gelden andere regels op Mars, zodat de planeet niet tot een tweede aarde kan worden gemaakt.

Al gauw na de landing van de «Eerste Honderd» gaat het mis. Een stammenoorlog breekt uit. Er ontstaan grofweg drie filosofieën over wat op Mars moet gebeuren: ten eerste de politieke leiders op aarde die de natuurlijke omstandigheden op Mars zo snel mogelijk willen laten manipuleren zodat de mens daar ongestoord zijn gang kan gaan; ten tweede de Red-beweging van Ann Clayborne, die zich na haar aankomst op Mars meteen realiseert dat de mens geen recht heeft deze ongerepte wereld te veranderen; ten derde Hiroko, een Japanse die een soort transcendentale relatie bepleit tussen mens en planeet.

Tussen deze uitersten laveert John Boone, een archetypische Amerikaanse held die zich nooit helemaal aanpast op Mars. Dat kost hem zijn leven. Door de moord komt het idee van een «tweede aarde» dichterbij. Jaren na de landing van de Eerste Honderd arriveren duizenden kolonisten. Dezelfde politieke tegenstellingen als op de aarde tekenen zich af op Mars. De moordenaar, astronaut Frank Chalmers, sluit een duivelspact met Arabische kolonisten teneinde de sluipmoord op John Boone te kunnen uitvoeren.

De referentie aan de John F. Kennedy-mythologie en de politieke parallellen met de huidige geopolitiek bevestigen dat de eerste menselijke reis naar Mars is mislukt. Hier, op deze versie van Mars, is geen sprake van een Nieuw Eden of van een nieuwe mens, maar veel eerder van een tweede aarde. Dit schrikbeeld toont aan dat de verhalen over Mars weinig te maken hebben met de planeet zelf, maar alles met de moderne mens, een eenzaam wezen dat als een schipbreukeling rondloopt met een verschrikkelijke waarheid: er bestaat geen Nieuw Eden, alleen de herhaling, ad infinitum, van oude zonden.