Nieuw engagement de anti-nixgeneratie

De media van nu en de literatuurpausen van de toekomst kunnen er hun tanden inzetten: alweer een nieuwe generatie. Met een groot verlangen naar engagement. Maar engagement met wat dan?

GEEN NAOORLOGS literair tijdschrift heeft zo'n sterke nawerking gekend als Zoetermeer (1994-2008). Hoewel veel schrijvers van zeer verscheiden aard aan het blad hebben meegewerkt, bleef het voor tijdgenoten en latere generaties het orgaan van een tweeeenheid: Ronald Giphart en Rob van Erkelens. Zij waren de krachtige persoonlijkheden die rucksichtslos met de traditionele prozaopvattingen afrekenden. Zij waren de figuren die de weg vrijmaakten voor een nieuwe literatuur in de eenentwintigste eeuw. Al voor het verschijnen van het eerste nummer van hun orgaan drukten zij een stempel op de literatuur door hun poetica in dag- en weekbladen te ventileren. Want aan het eind van de vorige eeuw waren het vooral de kranten en televisie die zeer alert het podium voor literaire discussie vormden. Onvermoeibaar en koppig zetten Giphart en Van Erkelens hun opvattingen uiteen: tegenover de filosofische navelstaarderij van de Connie-Palmengeneratie (met schrijvers als M. Februari, Dirk van Weelden, Atte Jongstra en Marcel Moring) plaatsten zij het naakte leven; tegenover het veilige binnenhuis de rauwe en gevaarlijke werkelijkheid van de straat; tegenover de literatuur van het postmoderne intellect proza dat vanuit de tenen, kloten en borststreek wordt geschreven; tegenover academisme keihard realisme. ‘Er is een literatuur die schaamteloos, onbeschaafd, onveilig hoort te zijn, een literatuur die verwarring zaait, provoceert en poten wegzaagt onder u comfortabele leunstoelen. ’ Zij rekenden voor- -goed af met de oorlogsobsessie van oudere generaties - 'De oorlog, dat is toch die film met Bruce Willis’ - en eisten ruimte op voor nieuwe thema’s als inertie, verveling en een
totaal gebrek aan betrokkenheid bij de wereld. Het ligt voor de hand dat de oudere lezers met hun specifieke verwachtingen van verheffende en hoopgevende kunst het nieuwe proza niet konden appreciëren.
De neo-amorelen verwoordden hun baanbrekende levensvisie voor het eerst in het weekblad De Groene van 23 februari 1994.
Ze werkten haar verder uit in een reeks interviews en artikelen in onder meer Trouw Het Parool, NRC Handelsblad en HP/De Tijd. Hun wachtwoord was: leegte. Het moderne leven bood zo veel indrukken dat alles betekenisloos was geworden. Alles was al gedaan, er was niets nieuws onder de zon authentieke gevoelens waren net zo zeldzaam als met uitsterven bedreigde diersoorten. Wat restte was de verveling. Het enige dat de leegte en de lethargie kon doorbreken was seks, drugs, harde muziek en geweld. Leidsman Van Erkelens formuleerde het eens aldus: 'Ennui is het besef dat er weinig is om voor te leven. buiten de verveling bestaan er geen indrukwekkende gemoedstoestanden. (…) Maar je blijft zoeken naar prikkels, en dan kom je al snel op grensgebieden: perverse seksualiteit, ver doorgevoerde haat, zelfkastijdingen verbeten humor. ’
Vanuit een sociologische invalshoek zijn opmerkelijke constateringen te doen over de Generatie Nix, zoals de nieuwe beweging al snel bekend stond. De 'Nixers’ vormden de eerste schrijversgeneratie met een onbezorgde jeugd. Ze werden, om met sociologe Emma Brunt te spreken, geboren in 'een Gouden Wieg’, groeiden op in de jaren zeventig in betrekkelijke welstand. Hun zorgeloze jeugd brachten ze door in doorzonwoningen in spiksplinternieuwe buitenwijken, hun ouders waren progressief, ruimdenkend en tolerant. Het getuigt van moed dat ze toch naar de pen grepen. 'Je zou met zo'n gelukkige jeugd als wij hebben gehad niet durven schrijven’, stelde Giphart. 'Ik ben niet gehandicapt, ik ben niet homoseksueel, ik ben nooit gemarteld, er is nooit incest met mij gepleegd. Ik heb een gelukkige jeugd gehad, dat is alles wat ik heb.’ Het gaat kortom om de eerste generatie die unverfroren brak met het adagium: an unhappy childhood is a writer’s goldmine.
De neo-amorelen werden niet alleen vanzelfsprekend groot met het failliet van links en de ineenstorting van de grote ideologieen aan het eind van de twintigste eeuw, ze waren ook de eerste generatie 'tv-baby’s’. Televisie was voor hen van jongs af aan het venster op de wereld. Dat bracht Giphart tijdens een tv-show tot het volgende sombere inzicht: 'In eerste instantie liet de televisie zien wat in de wereld gebeurde, nu laat de wereld zien wat op de televisie gebeurt.’ Het is dan ook niet verwonderlijk dat zij de wereld als fictie, als onecht, als louter amusement zagen. Zij kenden geen werkelijkheid buiten de media, kenden geen ervaringen die belangrijk genoeg waren om zich uit hun luie televisiestoel te verheffen. Zoals Van Erkelens het eens in een televisieprogramma verwoordde: 'We leven in een tijd die ik ervaar als genivelleerd. Er zijn bijna geen dingen die werkelijk indruk maken, die zo groot zijn dat ze als zingevend punt gezien kunnen worden. We leven in een tijd waarin alles of amusement is of betekenisloos, waarin alles evenveel waarde heeft of even weinig.
IN HETZELFDE tijdsgewricht ontspon zich - onder invloed van de oorlog in het voormalige Joegoslavië, de gruwelen in Ruanda, de onrust in Tsjetsjenie - een discussie over literair engagement. Literaire tijdschriften wijdden themanummers aan de verhouding tussen boek en wereld, woord en daad, schrijver en actualiteit. Kranten plaatsten opeens grote artikelen waarin literatuur als vrijblijvende vorm van vermaak werd beschouwd - de enige uitweg was: engagement. Journalisten als H. J. A. Hofland riepen de literatoren op de maatschappelijke desintegratie onder ogen te zien en te analyseren en zich niet te beperken tot de actieradius van de individuele ziel.
Er werden symposia en discussieavonden belegd over het antwoord van de literatuur op een onrustbarende en barbaarse wereld. Schrijvers moesten zich weer met de wereld gaan bemoeien. 'Wat! Niet geëngageerd?’ dat was het ergste wat je kon worden verweten. Elke zichzelf respecterende schrijver moest zich wel uitlaten over zijn betrokkenheid bij de wereld. Sommige typische twintigste-eeuwse schrijvers als Bas Heijne en Margriet de Moor stelden ouderwets dat zij zich niet anders konden engageren dan via de verbeelding.
Ook hier doorbrak de Generatie Nix de impasse. Idealen zworen ze af en wereldverbeteraars wilden ze geenszins zijn, niettemin vonden ze een vorm om betrokken te zijn. Namelijk door de platte werkelijkheid om hen heen vast te leggen. Engagement had niets meer te maken met de maakbaarheid van de samenleving, het was voldoende om eenvoudigweg te signaleren, om de eigen tijd een spiegel voor te houden. Een geëngageerd boek, schreven Giphart en Van Erkelens, 'doet verslag van de straat, de drek, de geilheid, de vrolijkheid, de emoties en het vuil van vandaag’ Uit hun boeken sprak, naar eigen zeggen, het 'understatement van het impliciete engagement’. Daarbij eisten zij een volkomen nieuwe rol op voor de lezer. Zij traden niet meer op als gids, maar 'laten conclusies en interpretaties aan de lezer over; die wordt erkend als een instantie die niet alleen kan lezen maar ook in staat is zelf te oordelen. ’
NET ALS DE SCHRIJVERS rond Zoetermeer pleitten de kunstenaars rond het even eerder opgerichte tijdschrift Millennium (1993-…) voor een nieuwe vorm van engagement. Alhoewel het jonge talent dat zich rond dit blad verzamelde minder invloed op de eenentwintigste eeuwse literatuur zou hebben - meesterwerken als Het uur van lood (1993) en Oorlog in de slaapstad (1998) van Rob van Erkelens, Ik ook van jou (1993) en Fuck! (2001) van Ronald Giphart en Opzij opa! van Joris de Waal heeft de kringrond dit tijdschrift niet op zijn naam staan nam het in het fin de siecle een eigen positie in. De millenniaristen wilden actief op het kruispunt staan van politiek en cultuur, reflectie over de wereld en creatie. Zij verzekerden dat met het communisme niet al hun idealisme was weggespoeld. Van het gemakkelijke cynisme dat zij in de jaren tachtig ontwaarden, namen zij kloek afstand. 'Het is tijd om ons af te vragen in hoeverre ons denken, onze mentaliteit, vercyniseerd is. Er is zoveel negativisme in de maatschappij, en zo weinig positivissen.
Serge van Duijnhoven, een van de voormannen van het Millenium, ontwierp een nieuwe levenshouding die afscheid van de 'cultuur van het enkelvoudige’ behelsde: 'We hebben tweeduizend jaar geleefd met het idee dat we één leven leiden. Op een plaats, met een soort werk en een partner, een familie die men voor de rest van het leven hield. (…) Het is iets dat we moeten leren: een soepele, veelzijdige levenshouding. ’ Anno 2045 kan worden geconstateerd dat die veelzijdige levenshouding niet eenvoudig in de praktijk te brengen viel en weinig navolgers heeft gekend.
De invloed van de schrijers rond Zoetermeer nam pas af in 2020. Zo'n vijf jaar nadat Zoetermeer culturele boofdstad is geweest en veelvuldig epigonisme de kracht van het Nix-proza had uitgehold. Het is overigens opmerkelijk dat het literaire hoogtepunt van het geëngageerde proza van de hand kwam van een curieuze overgangsfiguur: de roman Verdronken vee (1998) van Joost Zwagerman over de watersnoodramp van 1995. Met boeken als Cimmick! en De buitenvrouw had Zwagerman als eenling al de breuk overbrugd tussen het traditionele proza van de jaren tachtig en het nieuwe proza van Zoetermeer. Ronald Giphan bleef tot 2037 zijn poetica 'I'aftrekken pour l'aftrekken’ trouw, zijn literatuur bleef louter stijl en seks. Rob van Erkelens stortte zich na zijn derde roman in het volle leven.
LATEN WE DE JONGE ambitieuze hoogleraar neerlandistiek alsjeblieft de laan uitsturen. En laten we van harte hopen dat de komende geschiedschrijvers de literaire krantediscussies laten voor wat ze zijn. Niets. Nix. In een opzicht heeft de Generatie Nix namelijk wel degelijk gelijk: de media creëren een eigen, hapklare werkelijkheid. Inderdaad, ze zijn louter amusement. Wordt er een nieuwe generatie verlangd, er zij een nieuwe generatie. Alle over elkaar buitelende literaire generaties, de Generatie Nix voorop, gevolgd door de nog niet zozeer door de media doodgeknuffelde millenniaristen en Divers, zijn illusoire constructies zeepbellen die tot steeds grotere proporties worden opgeblazen. En uit zeepbellen ontstaan weer nieuwe zeepbellen.
Voor je het weet ga je nog in die constructies geloven. Dat deed de VPRO bijvoorbeeld toen zij voor haar serie Plaatsbepalingen, over de toekomst van de verschillende kunsten, de non-discussie rond de Generatie Nix incorporeerde. De geschiedenis wordt aldus schaamteloos vastgelegd alvorens zij zich heeft voltrokken, wordt gemaakt voordat zij plaatsvindt.
Op een andere manier is het debat over literair engagement een moedeloos makende exercitie. Het is als de verplichte figuren bij het kunstschaatsen: die moeten eerst worden uitgevoerd, daarna mag de vrije oefening pas gedanst. In het begin van deze eeuw schreef de Engelse romanschrijver John Galsworthy: 'Schrijvers hebben geen grote invloed, en in elk geval geen directe, op de wereldgeschiedenis. Wat ze aan invloed uitoefenen, is vaag en ondergronds, en ze doen er goed aan zich niet te laten voorstaan op een politieke macht die ze niet hebben.’ Ik heb het onbehaaglijke gevoel dat het grote verlangen naar engagement in de literatuur niet alleen wordt ingegeven door het onrustbarende wereldgebeuren, maar ook door de toenemende machteloosheid van de schrijver. En dan denk ik nu eens niet aan politieke machteloosheid.
Niet voor niets gaat een lange passage in de beschouwing die Bas Heijne vorig jaar voor NRC Handelsblad over engagement schreef over het medium televisie. De televisie speelt een cruciale rol als het om het weergeven van de actualiteit gaat. Hoeveel straatrumoer schrijvers ook in hun roman proberen te stoppen, ze halen het nooit bij CNN, het journaal, de actualiteitenprogramma’s. Maar de televisie is ook het medium dat van schrijvers een marionet in de amusementsindustrie maakt. Elke dag prijzen schrijvers op de beeldbuis hun nieuwe boeken aan, ze worden, zoals Heijne zegt, 'erdoor opgeslokt en er weer door uitgespuugd ’.
Met de omhelzing van de schrijver door de televisie ontstaat de volgende paradox: hoe zichtbaarder de schrijver is, des te onzichtbaarder zijn zijn boeken. Want op de tv gaat het, dat is alom bekend, meer om de markante persoonlijkheid van de auteur dan om litteratuur, meer om het autobiografische leed van de de schrijver dan zijn verbeelding, Ach, die arme machteloze schrijver moet zich, geteisterd door het informatiebombardement en de dodelijke omhelzing door de amusementsmedia, ook nog eens uitlaten over zijn maatschappelijk en politiek engagement.
De vraag naar engagement heeft iets genants als niet in dezelfde adem het object van betrokkenheid wordt genoemd. Waarmee moeten we ons engageren? Waar ligt onze betrokkenheid? Het heeft veel weg van verliefdheid zonder geliefde, onnozele verliefdheid op de liefde zelf. Mij zijn de wat geërgerde antwoorden van Heijne en De Moor eigenlijk houdt de vraag naar betrokkenheid hen geenszins wakker - het sympathiekst: de schrijver moet zich engageren met de verbeelding, de vorm, de taal. Literatuur is hoe dan ook een produkt van de actualiteit; elke roman bestaat uit woorden die onwillekeurig naar een bepaalde tijd verwijzen.