The Poet, the Political Thinker, the Man

Nieuw licht op Dante

Barbara Reynolds
Dante: The Poet, the Political Thinker, the Man
I.B. Tauris, 466 blz., € 50,95

Soms lijkt de geschiedenis zich te herhalen. Toen Dante Alighieri in 1321 onverwacht overleed, konden zijn nabestaanden de laatste dertien canto’s van zijn La divina commedia nergens vinden. Hij had ze kort tevoren voltooid, maar omdat hij op een diplomatieke missie werd gestuurd en geen tijd had gehad kopieën te laten maken, had hij het handschrift verborgen in een holle wand. Iedereen ging ervan uit dat Dante aan de laatste canto’s van Paradisio, het derde deel van de Commedia, niet was toegekomen. Daarom besloten zijn zoons Jacopo en Piero, die zelf wel eens wat rijmden, het karwei af te maken.

Dantes eerste biograaf, Giovanni Boccaccio, schrijft dat Dante acht maanden na zijn dood in een droom verscheen aan zijn zoon Jacopo. Verbaasd vroeg deze of hij nog in leven was, waarop zijn vader dit bevestigde, ‘maar in het ware leven, niet in het onze’. Daarop vroeg Jacopo of hij zijn magnum opus eigenlijk had voltooid. Ook hierop antwoordde Dante bevestigend, waarna hij zijn zoon bij de hand nam en hem de plek wees waar hij de laatste canto’s had verstopt. Nadat hij wakker was geworden ging Jacopo op de bewuste plek zoeken, en vond inderdaad het ontbrekende deel van het enorme gedicht.

636 jaar later, in december 1957, overleed eveneens onverwacht de schrijfster Dorothy L. Sayers. Hoewel ze vooral bekend was als auteur van literaire detectiveromans en met name haar reeks over Lord Peter Wimsey bijzonder populair was, had ze op dat moment gewerkt aan wat ze beschouwde als haar levenswerk: de vertaling van Dantes Commedia. In 1915 was ze gepromoveerd op een onderwerp uit de middeleeuwse letterkunde en de cultuur en religie van dat tijdvak boeiden haar heel wat meer dan haar eigen tijd en de avonturen van fictieve speurneuzen. Over Dante had ze veel essays geschreven, die in drie delen werden gebundeld. Haar vertaling van Dantes meesterwerk moest de kroon op dit werk worden.

Tot hun teleurstelling ontdekten de nabestaanden van Sayers echter dat van haar vertaling uitgerekend de laatste dertien canto’s van Paradisio ontbraken. Of ze in het huis van de schrijfster nog op zoek zijn gegaan naar holle wanden is niet bekend, maar al spoedig bleek dat Sayers er eenvoudig niet aan toe was gekomen. Er diende zich geen zoon aan om het karwei af te maken, maar wel een jongere vriendin. Het was de in 1914 geboren Barbara Reynolds, die in Cambridge Italiaans doceerde.

Nadat ze de vertaling had voltooid, zou Reynolds zich ontfermen over de schriftelijke nalatenschap van Sayers en haar correspondentie bezorgen. Ook schreef ze een biografie over haar vriendin. Op haar eigen vakgebied maakte ze naam met vertalingen van Dantes Vita nuova en Ariosto’s Orlando furioso, en haar belangrijkste academische prestatie was waarschijnlijk de tweedelige Cambridge Italian Dictionary. Haar grote liefde zou echter altijd Dante blijven. Vorig jaar – op 92-jarige leeftijd – publiceerde ze haar grote biografie van de Florentijnse dichter, politicus en filosoof.

Het probleem met biografieën van middeleeuwse figuren is doorgaans dat de bronnen erg schaars en eenzijdig zijn. Hierdoor is de biograaf vaak geneigd er van alles bij te halen en zodoende een boek te schrijven dat meer gaat over de samenleving en de tijd waarin de hoofdpersoon leefde, dan over de hoofdpersoon zelf. Enkele jaren geleden vertaalde ik een fors boek over de Engelse huurlingenleider John Hawkwood, die zo’n veertig jaar had huisgehouden in Frankrijk en Italië, terwijl de concrete gegevens over hem op twee A4’tjes pasten. Je gaat je dan afvragen of er nog wel sprake is van een biografie.

Ook over Dante zijn er in de Italiaanse archieven niet bijzonder veel documenten bewaard gebleven, maar uiteraard is daar het werk van de Florentijnse dichter. Voor de biograaf is dat de belangrijkste, zij het tevens meest problematische bron. In hoeverre mag poëzie of andersoortige fictie autobiografisch geduid worden? Door Dantes werk zeer nauwgezet te bestuderen en uitvoerig stil te staan bij de personen en gebeurtenissen die in zijn werk ter sprake komen, heeft Barbara Reynolds dit probleem op welhaast voorbeeldige wijze opgelost.

Aan de hand van de Vita nuova, waarin Dante niet alleen de gedichten over Beatrice heeft opgenomen en deze tevens zelf analyseert en duidt, krijgen we een overtuigend beeld van de jonge dichter. Tegelijkertijd laat Reynolds zien dat Dante allerminst een aamborstige en bleekneuzige poëet was die smachtend zijn verdriet van zich afschreef, maar een levenslustige en ambitieuze man die zich niet alleen samen met een aantal nogal geëxalteerde mededichters te buiten ging aan cannabis en de hallucinogene sappen van de plant aloë vera, maar ook vocht in de oorlogen die het Italiaanse schiereiland verscheurden.

De filosofische, religieuze en politieke ideeën die Dante ontwikkelde, vooral nadat hij om politieke redenen uit Florence was verbannen, werden duidelijk verwoord in het Convivio (in het Nederlands vertaald als Het gastmaal), die eveneens de vorm had van commentaren op eigen gedichten. De vraag waarom Dante in plaats van de geplande vijftien boeken er slechts vier heeft voltooid, wordt door Reynolds vrij eenvoudig beantwoord: het werk voldeed niet aan de financiële verwachtingen die de door zijn verbanning in financiële problemen geraakte Dante ervan had gehad. Omdat lange gedichten die een zoektocht door het dodenrijk beschrijven tamelijk populair waren, besloot Dante zijn filosofie en poëzie op een andere manier te combineren, en zette hij zich aan het gigantische karwei van zijn Commedia, die pas lang na zijn dood door Boccaccio werd voorzien van het adjectief divina.

Omdat Reynolds boek na boek, canto na canto, beschrijft en analyseert, werd ik aanvankelijk nogal ongeduldig en kregelig, maar allengs maakte dit gevoel plaats voor fascinatie en bewondering. Om te beginnen komt Reynolds met oplossingen voor enkele notoire vertaalproblemen en maakt ze duidelijk dat dit niet alleen interessant is voor italianisten, maar dat ze soms vergaande consequenties hebben voor de interpretatie van Dantes werk. Zo hebben generaties interpreten en vertalers zich het hoofd gebroken over regel 105 van canto 1. Dantes gids door de hel en op de louteringsberg, Vergilius, profeteerde daar namelijk dat de wolvin Hebzucht zal worden gedood door de Veltro (windhond), die geboren zal worden tra feltro e feltro. Letterlijk betekent dat ‘tussen vilt en vilt’ en omdat dat nogal cryptisch klinkt, zijn daar allerlei ingenieuze interpretaties voor verzonnen. Zo zou de Veltro geboren worden tussen het ten noorden van Venetië gelegen Feltre en Montrefeltro in de Romagna. Grofweg was dat de streek waar Dantes patroon Can Grande della Scala vandaan kwam, wat plausibel lijk aangezien diens naam tevens ‘grote hond’ betekende.

Reynolds weet aannemelijk te maken dat de passage simpelweg moet worden vertaald als ‘tussen vilt en vilt’, omdat dit verwijst naar het nog tamelijk nieuwe procédé van het papier maken, waarmee Dante bekend was. Met de Veltro werd niemand anders bedoeld dan de toekomstige keizer van het Heilige Roomse Rijk, die met behulp van het Romeinse én het canonieke recht de vrede zou herstellen en het onrecht zou uitbannen. Deze beide rechtsstelsels zouden fungeren als de lappen vilt waartussen pasgeschepte vellen papier werden gedroogd. Wanneer dat niet gebeurde, zou op het natte papier elke geschreven tekst vervagen – een metafoor die Dante ook al in het Convivio had gebruikt, terwijl hij in dat boek eveneens was ingegaan op het belang van beide rechtstradities.

Niet Reynolds’ oplossingen voor vertaal- en interpretatieproblemen dwingen bewondering af. Het is vooral de wijze waarop zij Dante weet neer te zetten als mens – die bijvoorbeeld nooit over zijn ouders, vrouw of kinderen schreef –, als politicus, als filosoof en moralist, en uiteraard als geniaal dichter. Echt iemand van vlees en bloed, iemand die bij wijze van spreken vóór je staat, op wie je kwaad kunt worden en met wie je kunt meevoelen, wordt Dante desondanks niet. Maar daarvoor zijn eenvoudig de concrete gegevens te schaars.

De grootste verdienste van het boek is dat het een even uitgebreide als noodzakelijke inleiding vormt op La divina commedia, een boek dat door de vele honderden, ons totaal onbekende namen en de talloze verwijzingen naar de politieke en religieuze werkelijkheid van het middeleeuwse Italië alleen met de nodige inspanning te lezen is. De Dante-kunde is inmiddels bijna zevenhonderd jaar oud, dus zullen er tal van specialisten zijn die op allerlei details van dit boek kritiek gaan leveren. Dat neemt niet weg dat deze biografie de schitterende kroon is op het werk van een academica die haar zeer lange leven heeft gewijd aan de vroege Italiaanse letterkunde, waarvan Dante net niet het begin maar wel het hoogtepunt vormt.