Nieuw nationalisme

Een nieuwe lente dient zich aan. Daar hoort een nieuw geluid bij. Een Friese advocaat, die sinds jaar en dag kantoor houdt in Maastricht, zei het Gorter na op de avond van de Provinciale-Statenverkiezingen. Het nieuwe geluid dat hoort bij deze lente is een suizen. Het is het suizen dat je hoort, maar ook kunt voelen, rond een jonge twijg, die na te zijn gebogen wordt losgelaten en dan terug zwiept in de rechte stand.

De Britse filosoof Isaiah Berlin gebruikte het beeld van de gebogen twijg in zijn essay ‘The Bent Twig: On the Rise of Nationalism’ uit 1972. Hierin zoekt hij naar verklaringen voor de opkomst van het nationalisme dat Europa vanaf de negentiende eeuw geheel in zijn greep kreeg. Waar kwam het vandaan?

Berlin begint zijn analyse bij de Europese wereld die werd voortgebracht door de Franse Revolutie (1789), een wereld van vooruitgangsgeloof, geworteld in de Verlichting en het rationalisme van de ‘wetenschappelijke methode’ in het bijzonder. Hier ontstond het geloof dat niet alleen de natuur gecontroleerd kon worden door de mens, maar ook de samenleving. Dit bood ongekende kansen. Wat nodig was om die kansen ook te benutten, was een (vervolg)revolutie van toegepaste wetenschap, financiële planning en industriële organisatie.

De nieuwe elite was niet alleen post-monarchie, maar ook seculier (en gericht tegen de repressieve regels van religie). Zij bestond uit de zogeheten ‘planners’, beleidsmakers zouden we ze vandaag noemen. Het verheffen van de Europese samenleving en haar massa’s werd hun grote project. De condities en verwachtingen waaronder dat project werd aangenomen waren: rationeel liberalisme, het technocratische management daarvan, en de enorme welvaart die dat beloofde én al opleverde. Dit project hield zich niet aan grenzen. Het was openlijk universalistisch, verankerd in de assumptie van de mens als (inwisselbare) rationele actor.

De gebogen twijg zou terug zwiepen, vernietigend

Een cruciaal bijproduct van deze nieuwe beweging was dat de aandacht van het bestuur verschoof van ‘mensen’ naar ‘dingen’, en dan vooral de structuren en systemen van die dingen (vergelijkbaar met de systemen in de natuur die blootgelegd waren door wetenschappelijk onderzoek). Ook het marxisme, met zijn focus op productieverhoudingen, was verwant aan deze beweging.

Tegelijkertijd gebeurde er in Europa ook iets anders: overal stak het nationalisme de kop op. Dit werd wel geregistreerd door de nieuwe elite, maar niet echt serieus genomen. Hun Europa soesde in de toenemende welvaart van voor de Eerste Wereldoorlog: de sfeer van Sanatorium Berghof uit De Toverberg van Thomas Mann, waar in het restaurant soms een raar soort spanning kon oplopen tussen verschillende groepen van de trans-Europese gegoede burgerij, vaak langs etnische lijnen, die dan weer gesmoord werd in het comfort en de verstrooiing van de moderne wereld.

Maar de gebogen twijg zou terug zwiepen, vernietigend. Misschien was het niet toevallig dat deze tegenbeweging haar oorsprong vond in landen als Duitsland en Spanje, zo oppert Berlin, en kwam vanuit mensen en regio’s die nog wat achterliepen volgens de normen van de nieuwe tijd; een beetje zoals het Oost-Europa van vandaag vaak wordt afgeschilderd. Volgens Berlin staan de geschriften van de Duitse filosoof Johann Gottfried Herder, bekend van begrippen als Volksgeist en Nationalgeist, aan de basis van deze beweging.

Herder was ervan overtuigd dat ‘behoren tot een groep’ een menselijke basisbehoefte is, net als eten. Van daaruit beredeneerde hij dat elke gemeenschap via de tijd, tradities, via geboorte en dood (in die gemeenschap), een unieke identiteit ontwikkelt, en daarmee ook unieke, eigen ideeën. Dit ‘collectieve genie’ manifesteert zich via een eigen cultuur – taal, architectuur, mode – en is niet terug te brengen tot de som van individuen. Eén ding is duidelijk: Herders concept van gemeenschap staat haaks op universalisme.

Het is niet moeilijk om te zien hoe Herders analyse een drager werd van nationalisme, van de herontdekking van de eigen vrijheid als lid van een groep of regio, maar ook van harde afgrenzing, van het staken van pogingen tot vertaling, racisme. En hoe zo een nieuwe monocultuur gebaard werd in reactie op de universalistisch geïnspireerde monocultuur van liberaal rationalisme en technocratie. Nu we het suizen van de twijg weer horen en voelen, lijkt het belangrijk om opnieuw de lessen te leren die in deze geschiedenis besloten liggen.