De brievenrubriek ‹Margriet weet raad› doorgelicht

Nieuw onbehagen, oude moraal

De brievenrubriek ‹Margriet weet raad› pleit tot de jaren tachtig voor emancipatie en zelfontplooiing. Daarna doet zich een mentaliteits verandering voor die lijkt op een herwaardering van huwelijk en gezin.

«Hoewel mijn man beloofd heeft om me te helpen in huis, merk ik daar niets van. Integendeel; ik krijg alleen maar verwijten dat ik zo veel weg ben, me nauwelijks met het huishouden bemoei, geen tijd meer voor hem heb en dat mijn carrière belangrijker is dan ons huwelijk. Ik probeer hem veel aandacht te geven, maar ik ben ’s avonds doodmoe na een dag hollen en draven, en met een kind en werk ben je nooit klaar.»

Op zulk onrecht is nagenoeg het gehele programma van de vrouwenbeweging gestoeld. Het fragment uit een lezersbrief aan Margriet lijkt dan ook te horen bij de bewustwording in de jaren zeventig, toen de achterstelling van vrouwen werd geformuleerd als een probleem. Zoals de sociologen Christien Brinkgreve en Michel Korzec treffend hebben laten zien in hun onderzoek Margriet weet raad: Gevoel, gedrag, moraal in Nederland 1938-1978, beantwoordt Margriet vanaf begin jaren zeventig dergelijke brieven met een sterke nadruk op de gelijkheid van de seksen en het recht op zelfontplooiing voor vrouwen.

Het antwoord op bovenstaand brieffragment heeft echter een heel andere strekking. Het stamt ook niet uit de jaren zeventig, maar is van korter geleden: midden jaren negentig. De recente bestudering van de brievenrubriek «Margriet weet raad» — in navolging van Brinkgreve en Korzec — wijst op een mentaliteitsverandering vanaf de jaren tachtig. Vooral de sindsdien gewijzigde teneur van de adviezen duidt daarop.

In de jaren zeventig zou bovenstaand «bewijs» van de vrouw als «tweede sekse» terstond worden gevolgd door de oproep zich te bevrijden uit de mannenkluisters. Nu biedt Margriet een zorgvuldige sociaal-historische uiteenzetting van de langzaam veranderende verhoudingen. Lezeressen worden ervoor gewaarschuwd dat de keuze voor kinderen «bij vrijwel alle paren» een «stap terug betekent naar een traditionelere taakverdeling». Onwillige mannen, die nu eenmaal een verantwoordelijke baan hebben, kunnen rekenen op begrip; vrouwen hebben volgens het blad «moeite» met een moderne taakverdeling. Hun «rol» hebben ze «afgekeken» van hun moeders, en hoewel ze geen duplicaat willen zijn, «gaan we er evenals onze mannen van uit dat wij toch wel het beste weten hoe dat moet met het huishouden en de kinderen».

De rubriek (vanaf 1992 «De Margriet weet raad gids» geheten, na 1994 opgegaan in «Even bijpraten») kent meer van zulke adviezen. Niet zelden wijst het blad op de keerzijde van de vrouwenemancipatie, op de moeizame veranderingen in de taakver deling en — ondanks een wat vaker toe stekende mannenhand in de jaren negentig — de zware belasting van de combinatie van zelfontplooiing, zorgtaken en, veelal, part time werk. Dit is het nieuwe onbehagen bij de vrouw.

Het «oude» onbehagen, in 1967 scherp verwoord door de schrijfster Joke Smit, kwam juist voort uit de beperkte mogelijkheden tot betaalde arbeid. In «Margriet weet raad» duurde het nog even voordat de vrouwenemancipatie uitdrukkelijk werd beleden, maar vanaf de jaren zeventig was het oordeel over het sekseonderscheid ondubbelzinnig. Een voorbeeld uit 1978: «Lieve woorden helpen niet meer; u moet keihard in verzet komen en uw recht in eigen hand nemen.» Zulke geestdrift typeert de toon van de adviezen uit die tijd. Brieven van lezeressen die schrijven een «huissloof» te zijn of op «de tweede rang» te zitten, worden beantwoord met een kloeke vastbe radenheid: «kom op voor uzelf», bevrijd u van «zo niet uw man, dan toch van zijn mentaliteit», weg met de «mantel der liefde». Geregeld roept Margriet op tot huishoudelijke ongehoorzaamheid: «Was niet af, dweil niet, ruim zeker de kleren van anderen niet op en laat hun bedden maar onopgemaakt liggen. (…) U bent nu lang genoeg de dienares geweest.»

Het zijn strijdkreten in de u-vorm; ook in de jaren zeventig is Margriet vóór alles een blad waarmee brede lagen van de, overwegend vrouwelijke, bevolking zich moeten kunnen identificeren. In die tijd worden wekelijks zo’n 3,5 miljoen lezers bereikt (in 1998 circa 2,2 miljoen). Margriet veroordeelt het sekseonderscheid, maar houdt zich verre van het radicaal-feministische gedachtegoed. Het blad doet geen bh’s in de ban, evenmin propageert het partnerruil. Een gelijke taakverdeling en de mogelijkheid tot zelfontplooiing binnen het huwelijk — dat is de mentale vlag waarmee het wappert.

Vanaf begin jaren tachtig komen het brede maatschappelijke verzet en het bijbehorende democratiseringsoptimis me tot staan. In de kolommen van Margriet is somberheid te bespeuren, meestal direct gerelateerd aan de economische recessie: de tweede oliecrisis luidt een tijdperk in van stijgende werkloosheid en dalende koopkracht. In de brieven en de adviezen verschuift de aandacht van psychisch welzijn naar maatschappelijke welvaart. Tal van nieuwe subrubrieken bieden informatie over sociale zekerheid, arbeidsrecht, verstandig omgaan met geld, sparen. «Nu we bijna allemaal pijn in onze portemonnee krijgen, is het goed het hele gezin te betrekken bij de huishoudknip», luidt het devies.

Problemen worden geformuleerd in veelomvattende termen: «de toekomst», «de wereld», «het leven». In dat wijdere perspectief schuilt het besef van de verwevenheid van maatschappelijke en intieme verhoudingen. Zo gaat het benadrukken van het belang van «zekerheid» en «houvast» gepaard met een herwaardering van het gezin en het huisvrouwenberoep.

Vooral de toon waarmee Margriet over zorg- en huishoudtaken schrijft, verandert: nog altijd pleit het blad voor een gelijke verdeling, maar de geestdrift om die te bereiken maakt plaats voor berusting. Niet langer wordt opgeroepen tot verzet of het «op scherp zetten van de relatie»; in plaats daarvan wijst Margriet op de heilzame werking van een «slimme hint» of adviseert een Bureau voor Levens- en Gezinsvragen te consulteren. Als een vrouw schrijft dat ze «geclaimd» wordt voor het huishouden, krijgt ze de raad de situatie «geleidelijk aan om te buigen».

Houvast betekent ook: trouw en harmonie in monogame relaties. Een vrouw schrijft dat ze haar man «zo saai» vindt. Margriet riposteert: «Wat verwacht u eigenlijk van uw man? Dat hij (…) grillig en onberekenbaar door het leven schiet, zodat u nooit weet waar u met hem aan toe bent?» De «romantische liefde» mag een «stabiel gezinsleven» en een «fijn huwelijk» niet in de weg staan.

In de verhouding tussen ouders en kinderen is een vergelijkbare verandering na de jaren zeventig te zien. Ouders dienen hun kinderen met veel zorg en liefde op te voeden, rekening houdend met de psychologische levensfases. Daarbij zijn volgens Margriet duidelijke regels, een ouderlijke regie, van groot belang. Eind jaren zeventig pleit het blad voor meer vrijheid en «bewegingsruimte» van kinderen; daarna sluipen termen als «discipline», «leiding geven» en «grenzen stellen» in de adviezen. Ook al hebben kinderen recht op «een stukje eigen leven», telkens wordt benadrukt dat ouders hun kinderen normen en waarden moeten «vóór leven».

Opvallend is dat de adviezen die, impliciet of openlijk, betrekking hebben op sek sualiteit en erotiek in monogame relaties veel permissiever zijn. Alleen overspeligheid wordt strenger afgekeurd. Ofschoon in de antwoorden «zelfontplooiing» onder geschikt is aan het gemeenschappelijk genot, worden gelijkheidsidealen nog openlijk uitgedragen. Een van de weinige aansporingen tot echtscheiding — niet zonder gewetensbezwaren van Margriet — volgt op een brief waarin een vrouw schrijft dat ze «altijd maar» voor de seksuele grillen van haar man moet klaarstaan, «anders krijgen we ruzie».

Na de economische malaise van de jaren tachtig verdwijnt de nadruk op zuinigheid en de eerdere somberheid. Vooral de stijgende toetreding van vrouwen op de arbeidsmarkt, van harte toegejuicht door Margriet, houdt hiermee verband. Daarmee doet zich echter het probleem van de psychische belasting in heviger mate voor. Niet alleen moeten vrouwen verschillende «rollen» zien te combineren, daaraan worden ook — vooral door henzelf — eisen gesteld: een «ontplooide» identiteit, een «goede» moeder, een «fijne» echtgenote. Om de dreigende overspanning weg te nemen adviseert Margriet de «herverdeling van werk», maar de oproep tot huishoudelijke ongehoorzaamheid blijft achterwege. Typerend is een midden jaren negentig geregeld terugkerende vraag: «Het huishouden eerlijk verdelen, kan dat?» De uitroeptekens zijn vraagtekens geworden.

Wat zeggen zulke verschuivingen over de Nederlandse samenleving? De verandering in de teneur van de adviezen weerspiegelt de omslag in een collectieve stemming. Het einde van de jaren zeventig is het einde van een fase van «informalisering», zoals de cultuursocioloog Cas Wouters het noemt. De machtsbalans tussen mannen en vrouwen, ouders en kinderen, en sociale klassen wordt weer minder evenwichtig: de kansen zijn minder gelijk verdeeld. Onder invloed van de economische recessie en de groeiende angst voor criminaliteit krijgen mensen boven aan de maatschappelijke ladder een voorbeeldfunctie — zoals ook etiquette boeken weer aan populariteit winnen en statuscompetitie niet langer taboe is.

De «verschuiving van moralisering naar psychologisering», zoals Brinkgreve en Kor zec de veranderingen in de jaren zestig en vooral zeventig omschrijven, wordt in zekere mate teruggedraaid. Aanvankelijk stelt Margriet aan lezeressen veel psycho logische wedervragen die getuigen van vrijblijvend zelfonderzoek en de behoefte aan de ont dek king van individuele emoties. Vanaf de jaren tachtig worden de adviezen korter en concreter; ze zijn meer «probleemoplossend» en leggen zich vooral toe op wat «normaal» is.

Dat duidt op «reformalisering» — maar dat is niet hetzelfde als de terugkeer naar een jaren-vijftigmoraal. Per saldo zijn de «zelfontplooiing» van vrouwen en de zelf be schikking van kinderen de afgelopen decennia eerder toe- dan afgenomen. In de dagelijkse praktijk kunnen zich echter be per kingen en onzekerheden voordoen, als gevolg waarvan «gelijkheid» van de seksen vooral een formeel-juridische betekenis heeft. Een aanwijzing daarvoor biedt ook het onlangs door bureau Trendbox gehouden onderzoek Vrouwen in Nederland. Vrouwen van 16 tot 65 jaar omschrijven zichzelf daarin vooral als betrouwbaar en sociaal; karaktertrekken als onafhankelijkheid en zelf verzekerdheid worden slecht gewaardeerd. Als vrouwen moeten kiezen tussen werk en gezin, kiest tachtig procent voor het laatste. Dit «conservatieve type» overheerst in Nederland, aldus een conclusie uit het onderzoek.

Al vanaf de jaren tachtig zijn huwelijk, gezin, normen en waarden onderhevig aan een herwaardering, maar die houdt hoofd zakelijk een nieuw expliciteren in van reeds bestaande geboden en verboden. Er doet zich dan ook vooral een verandering voor in de oriëntatie op het samenleven: «rekening houden met elkaar» wordt belangrijker — of het nu gaat om naastenliefde of concurrentie. Niet in de laatste plaats speelt een terugtredende overheid daar een rol in; de no nonsens-politiek vanaf de jaren tachtig nam in belangrijke mate het gerief weg (het «ik-tijdperk») van een ruime verzorgingsstaat. Duurzaamheid is sindsdien belangrijker dan vrijblijvendheid.

De opwaartse beweging van de economie in de (late) jaren negentig heeft de zorg om de bestaanszekerheid verminderd; er is dan ook eerder sprake van een algemeen onbehagen. De angst voor criminaliteit en «normvervaging», de verplichtingen van een hogere levensstandaard, de toenemende werkdruk en de onvervulde verlangens van vrouwen uiten zich in een groeiende gevoeligheid. Steeds meer verschijnselen worden in een sociale context geplaatst. Daarmee worden ze getoetst aan de normatieve maatstaf van «wij» en steeds minder aan die van «ik».

Die ruimere «maatschappelijke» perceptie gaat niet alleen in Margriet gepaard met morele verontrusting. Het Sociaal en Cultureel Rapport (1996) signaleert vanaf begin jaren tachtig in Nederland een «klimaat» dat zich in toenemende mate kenmerkt door zorgen. In de jaren negentig verandert dat nauwelijks. Uit opinieonderzoek van het Nipo (1998) komt een groeiende bezorgdheid naar voren die vergezeld gaat van de roep om law and order. In de onlangs verschenen bundel De morele staat van Nederland becijfert onderzoeker Paul Dekker dat het pessimisme over gedrag en zeden de afgelopen decennia is toegenomen, maar dat de onzekerheid over wat mag en wat niet mag is afgenomen.

Kennelijk heeft de «anything goes-moraal» minder voet aan de grond gekregen dan commerciële marketing en een «nieuwe» conservatieve beweging willen doen geloven. De recente «opleving» van het conservatisme in Nederland is eerder een nogal expliciet voorbeeld van reformalisering dan een wanhopige laatste poging om een «vervallen» moraal te herstellen. Wie is er nog tegen de gevestigde orde? Steeds meer levenssferen — van onderwijs en arbeidsmarkt tot het aangeharkte vrijetijdsdomein — zijn erop gericht zo snel mogelijk tot die orde door te dringen.

De brede vraag naar houvast is dus in zekere zin juist de (her)bevestiging van normen en waarden. In een snel veranderende, multiculturele samenleving kan dat niet voor iedereen gelden, maar wel voor grotere groepen «gewone» Nederlanders dan alleen de Margriet-lezers.

Het sterkere gebod tot overleg en empathie uit zich niet alleen in de consensusdwang aan talloze vergadertafels, maar is zelfs voelbaar in de verbondenheid in stille tochten of in sociodrama als Big Brother. Het «team» wordt steeds belangrijker. Dat dat lang niet altijd een zegen is, wordt weleens vergeten.

Dit is een bewerkte versie van het artikel «Is het informaliseringsproces van richting veranderd?» dat onlangs is verschenen in het Amsterdams Sociologisch Tijdschrift (jrg. 27, nr. 4). De auteur is cultuursocioloog en freelance journalist.