Leefbaar Rotterdam

Nieuw Rotterdams Peil

Dertig jaar na de rassenrellen rond het Afrikaanderplein staat Rotterdam weer volop in de schijnwerpers. Dit keer is het Pim Fortuyn als aanvoerder van Leefbaar Rotterdam die aan de poorten van de multiculturele Maasstad klopt.

«Weet je wat Pims grootste complex is? Dat hij ooit met een gezelschap werd opgehaald en dat hij pas in de tweede auto mocht plaats nemen.» Literator Manuel Kneepkens, aanvoerder van de Rotterdamse Stadspartij, draait alvast warm voor het eerste openbare treffen met zijn grote tegenstrever bij de gemeenteraadsverkiezingen van 6 maart 2002: Pim Fortuyn, aanvoerder van het vers opgerichte Leefbaar Rotterdam. Kneepkens, als criminoloog verbonden aan de Erasmus Universiteit, kent Fortuyn al uit diens professorale tijd. «Ik heb altijd kunnen tegenhouden dat hij zich binnen zou wurmen bij de Stadspartij», vertelt «de Kneep». «Toen we acht jaar geleden met onze partij begonnen, voelde Fortuyn zich ook meteen geroepen als natuurlijk leider. Hij verkondigde luid dat hij toch een stuk briljanter was dan mijn persoontje. Gelukkig bleven de gelederen ten aanzien van hem gesloten en werd de lokroep uit de darkroom weerstaan.»

Anders ging dat met Leefbaar Rotterdam, de nieuwe lokale partij bij de oprichting waarvan Kneepkens zelf vorig jaar ook betrokken was, nog voordat Fortuyn in zicht kwam. Kneepkens zag aanvankelijk veel in de Leefbaar-formule. Zijn Stadspartij zou zich omvormen tot Leefbaar Rotterdam en zo een Grote Sprong Voorwaarts maken, naar het voorbeeld van Leefbaar Utrecht, waarvan de oprichter Broos Schnetz in Rotterdam werd binnengehaald als campagneleider. Kneepkens: «Als Stadspartij kwamen we niet boven de twee zetels. Als Leefbaar Rotterdam zouden we dan eindelijk die grote klapper kunnen maken.» Toen het bestuur van Leefbaar Nederland echter Pim Fortuyn naar voren schoof als lijsttrekker hield Kneepkens het meteen voor gezien. «Het pact tussen Nagel en Fortuyn was het bewijs voor de stelling dat de geschiedenis zich altijd herhaalt: de eerste keer als tragedie, en één keer als parodie. Ik zie het monsterverbond tussen Nagel en Fortuyn als een parodie op het Molotov-Von Ribbentrop-pact: twee natuurlijke vijanden die de handen ineenslaan. Nagel gedreven door een immense rancune tegen zijn oude PvdA-makkers, For tuyn door zijn tomeloze zelfaanbidding.»

Kneepkens zag met lede ogen aan hoe een deel van zijn partij overliep naar het kamp der Leefbaren en tot overmaat van ramp Fortuyn ook nog eens uitverkoos tot lijsttrekker. En Fortuyn bleef lijsttrekker, ook nadat vorige week de breuk tussen Nagel en Fortuyn een feit was.

Campagneleider Schnetz trok zich na de scheiding tussen Fortuyn en Leefbaar Nederland direct terug als campagneleider van Leefbaar Rotterdam. Twee andere aspirant-politici van Leefbaar Rotterdam gingen ook onder protest weg, maar de rest bleef. Volgens Kneepkens is het nog altijd niet uitgesloten dat er in een later stadium gewoon weer een pact wordt gesloten tussen Leefbaar Rotterdam en Leefbaar Nederland en de Lijst-Fortuyn — «Daar zie ik Nagel in ieder geval wel voor aan». Volgens de peilingen is Leefbaar Rotterdam nu goed voor tien zetels in de Rotterdamse gemeenteraad.

Alle dromen van Kneepkens waren in duigen gevallen. In een eerder stadium had hij gehoopt dat André van der Louw, oud-burgervader van de Maasstad, de kar van Leefbaar Rotterdam had willen trekken. Aanvankelijk leek deze daar wel oren naar te hebben, maar uiteindelijk haakte hij af. Kneepkens: «Van der Louw en Jan Nagel zijn goede vrienden, die gaan altijd samen naar Italië. En zo is Van der Louw dus ook voor het karretje van Fortuyn gespannen. Toen Fortuyn tot lijsttrekker van Leefbaar Nederland werd gekozen, zat Van der Louw ook vooraan hard te klappen. Zie daar het trieste eindstation van wat ooit Nieuw Links werd genoemd.»

Leefbaar Rotterdam, zo laat Kneepkens niet na te onderstrepen, belichaamt een groot gevaar voor de Rotterdamse politieke cultuur. Kneepkens ziet het als zijn grote taak de opmars van Fortuyn en de zijnen tegen te houden. «Zodat ik later tegen mijn kinderen tenminste kan zeggen dat ik er iets tegen geprobeerd heb.»

Veel Rotterdammers vallen als een blok voor Fortuyn, heeft Kneepkens moeten vaststellen. «Pim is onze eigen prins van de nacht, een soort bezienswaardigheid. Hij is bovendien voortdurend op televisie, wat zijn populariteit ook geen kwaad doet. Zijn xenofobische praatjes vallen hier helaas ook maar al te goed. Daardoor is Rotterdam nu het epicentrum van de landelijke politieke strijd geworden. Als Leefbaar Rotterdam hier op 6 maart een goed resultaat boekt, is dat de ideale opmaat tot de kamerverkiezingen.»

Achter de schermen van het Rotterdamse stadhuis wordt hard gewerkt aan een anti-Fortuyn-front, zo weet Kneepkens. PvdA-lijsttrekker Els Kuijper verkondigde al dat ze weigert in discussie te gaan met Fortuyn, die zij afdoet als «extreem rechts». Het is een gedragslijn die men wellicht zal trachten te slijten aan de andere partijen, zoals vroeger werd gedaan in de strijd tegen Janmaat en zijn Centrumdemocraten. Kneepkens voelt daar echter niets voor. «De opkomst van Fortuyn is toch vooral de schuld van het paarse establishment. Daarom voel ik niets voor een anti-Fortuyn-verbond. Alle partijen moeten het maar voor zichzelf opknappen. In ieder geval gaan wij geen discussie met Fortuyn uit de weg. Integendeel, directe confrontatie, niet al te zachtzinnig, is waarschijnlijk de enige manier om hem wind uit de zeilen te nemen.»

Het is bovendien nog maar de vraag of Fortuyns radicale gedachtegoed wel zo geïsoleerd is als wordt voorgedaan. Zo lijkt de Rotterdamse VVD inmiddels al behoorlijk aangestoken met het leefbaarheidsvirus van de politieke xenofobie. VVD-lijsttrekker Nico Janssen kwam in het Rotterdams Dagblad van zaterdag 16 februari nog met een felle aanval op Fortuyn. «Pim Fortuyn zet mensen tegen elkaar op en daarmee wordt onze samenleving niet toleranter, dus niet leefbaarder. Hij vergroot de angst onder de mensen en zaait haat. En in een stad waar de angst groter wordt, vertrekken de investeerders. Dat betekent minder werkgelegenheid. Het is vreselijk als mensen hun verantwoordelijkheid niet nemen en er verbaal op los timmeren. Welvaart en onrust gaan niet samen.»

Dezelfde Janssen riep vorige week vrijdag bij de officïele start van de VVD-campagne voor de raadsverkiezingen echter ook enthousiast dat er «weer Nederlands moet worden gesproken in de straten van Rotterdam». Dit geheel analoog aan de uitgangspunten van de Leefbaren, die ernaar streven de «etnische monoculturen te breken, desnoods met dwang». Een milder verwoorde variant van hetzelfde idee heeft inmiddels ook post gevat bij het CDA, waar leider Balkenende verordonneert dat «de multiculturele samenleving niet iets is om naar te streven». En ook bij de PvdA — die het minderhedenbeleid heeft ingeruild voor het zogeheten «diversiteitsbeleid» — begint de roep om het doorbreken van het «culturele isolement» van de minderheden steeds manifester te worden. Formeel bindt men wel de strijd aan met de extreme denkbeelden van Fortuyn — die bijvoorbeeld al eens heeft laten vallen dat tachtigduizend allochtone Rotterdammers gedwongen moeten verhuizen ter bestrijding van islamitische gettovorming — in werkelijkheid zit men ideologisch wel degelijk op een soortgelijk traject. Het verschil zit hem slechts in de gebruikte terminologie. De sociaal-democraten spreken liever van «diversiteitsbeleid», waarbij er geen etnische minderheden meer bestaan, maar een grote, dynamische, kosmopolitische stadscultuur. In beide scenario’s gaat het uiteindelijk om het slechten van barrières die men zelf met veertig jaar minderheden beleid heeft gecreëerd.

Een pregnant voorbeeld van het «monoculturele» Rotterdam dat Leefbaar Rotterdam wil slopen, is het gebied op en rond het Afrikaanderplein in Rotterdam-Zuid. Dit hart van het oude Zuiden is de afgelopen decennia zeer rap verturkt, zodanig dat velen al spreken van «Istanboel aan de Maas». De sporen van de oorspronkelijke bewoners zijn zo goed als weggevaagd. De bunker van de voormalige Johan van Oldenbarnevelt-scholengemeenschap biedt tegenwoordig onderdak aan tal van Turkse organisaties. In de cafés waar vroeger de havenwerkers van Zuid hun weekgeld kwamen opdrinken, worden tegenwoordig broodjes dönner kebab geserveerd. De traditionele markt op het Afrikaanderplein is een global village op zich, waar de geuren van de Kaapverdische eilanden zich vermengen met die van Surinaamse toko’s en Turkse dadels. Nederlands wordt hier inderdaad nauwelijks meer gesproken. Het is een wereld op zich geworden, dit nieuwe Rotterdam. Hier heeft zich in nauwelijks drie decennia een transformatie voorgedaan die kenmerkend mag heten voor de multiculturele samenleving in Nederland.

Dertig jaar geleden was datzelfde Afrikaanderplein het toneel van de eerste — en voorlopig laatste — «rassenrellen» van Nederland. In de hete zomer van 1972 gaf havenwerker Jan Spruit hier de leiding aan een ware volks opstand tegen de Turkse gastarbeiders in de Paarlstraat en omgeving. Hun pensions werden bestormd, hun spullen stukgeslagen, het leek, zo constateerde een verslaggever van Het Vrije Volk, «op de nazi-terreur tijdens de Kristallnacht». Het was de eerste keer dat Nederlandse arbeiders slaags raakten met buitenlandse arbeiders. «Het oproer bracht een schokgolf van verontwaardiging teweeg die tot ver over de landsgrenzen voelbaar was», zo schrijven de Amsterdamse journalisten Jurrien Dekker en Bas Sentius in hun boek De tafel van Spruit: Een multiculturele safari in Rotterdam, dat verleden week werd gepresenteerd. Dekker en Sentius schreven hun boek op verzoek van het Rotterdamse gemeentebestuur, dat nog altijd met de gebeurtenissen van dertig jaar geleden in de maag zit.

De verdienste van de studie is dat hier inzichtelijk wordt gemaakt welke cruciale fouten zijn begaan bij de komst van wat toen nog werd omschreven als «gastarbeiders». Als de Turken en Marokkanen in Nederland niet zijn geïntegreerd, is dat vooral te wijten aan de weigerachtigheid van de autoriteiten om hun komst als definitief te zien. De havenwerkgevers waren er bijvoorbeeld helemaal niet bij gebaat als hun nieuwe krachten de Nederlandse taal machtig waren. Dan zouden ze maar gaan zeuren over betere betalingen en secundaire arbeidsvoorwaarden. Hun woonomstandigheden hoefden ook niet al te aantrekkelijk te worden gemaakt. Het was uiteindelijk niet de bedoeling dat vrouw en kinderen overkwamen. De Rotterdamse huisjesmelkers — vaak dezelfde koppelbazen die hun allochtone personeel op de werkvloer als vee behandelden — verdienden kapitalen met hun onhygiënische en brandgevaarlijke pensionnetjes. Hier werden de fundamenten gelegd voor de existentiële achterstanden waarmee een groot deel van de allochtone bevolking nog altijd kampt. De vooruitgang die deze groepen echter ook hebben geboekt, werd bereikt op eigen kracht, binnen de zuil die zij uit noodzaak creëerden, binnen de moskee, binnen het al snel gevormde getto waar de autochtonen massaal vertrokken teneinde hun eigen getto’s te vormen, in de nieuwbouwwijken verder in de polder van Rotterdam-Zuid.

Het «minderhedenbeleid» van de gemeente liep altijd ver achter de ontwikkelingen aan, zo blijkt uit De tafel van Spruit. Men kon gewoonweg niet overzien wat de reikwijdte was van de import van zoveel arbeiders uit den vreemde en wist niet meer te bedenken dan een politiek van «pappen en nathouden». Maatschappelijke onrust werd afgekocht met subsidies voor de organisaties die zich opwierpen als spreekbuis van de gastarbeider, met wie men zelf maar geen contact kon krijgen. Dertig jaar later wil Leefbaar Rotterdam in een klap een einde maken aan dit langzaam gegroeide proces van gettovorming. De strijd van havenwerker Jan Spruit — inmiddels overleden — is overgenomen door Pim Fortuyn en zijn Leefbaar Rotterdam. Als ei van Columbus presenteren zij een politiek van gedwongen relocatie: in naam van de strijd tegen de «islamisering van Nederland» moeten de bewoners van het Afrikaanderplein nu gedwongen versnipperen over de gehele stad, zodat ze tenminste snel «integreren». Op die manier moet de droom van VVD-leider Janssen uitkomen en zal «er weer Nederlands worden gesproken in de straten van Rotterdam».

Het lijkt donquichotterie van de bovenste plank, maar men vergisse zich niet in de curieuze krachten die heden zijn losgekomen in politiek Rotterdam. Er is sprake van een Nieuw Rotterdams Peil in de politieke cultuur. Steeds meer wordt Rotterdam maatgevend en heeft het de positie van Amsterdam als ’s lands eerste sociaal-culturele laboratorium overgenomen. De Rotterdamse school is van oudsher verankerd in law and order, en dat is tegenwoordig precies de grote landelijke trend, of het nu gaat om wat Jan Marijnissen de «sm-economie» van Ad Melkert noemt of het alom verkondigde «einde van het gedoogbeleid».

Rotterdam loopt voorop in deze Nieuwe Hardheid. Wethouder Sjaak van der Tak kreeg begin deze maand complimentjes van minister Vermeend voor zijn krachtige maatregelen om 3700 bijstandsuitkeringen met een pennenstreek te schrappen vanwege vermoede malversaties. Dit soort «bestuurlijke dynamiek» valt ook zeer goed bij Melkert, die helemaal gewonnen lijkt voor de harde lijn. Melkert bewaart een speciaal plekje in zijn hart voor Rotterdam, en beroept zich ook gaarne op de «zwijgende meerderheid» aldaar. Het voorstel om voortaan gratis heroïne te verstrekken aan langdurig verslaafden pareerde hij dan ook met een demagogische verwijzing naar de problemen met het drugstoerisme in Spangen. «Ga maar eens aan de mensen daar vragen wat ze vinden van gratis heroïne», aldus Melkert tijdens een debat met Paul Rosenmöller, die hij natuurlijk «softheid» verweet.

Typerend voor het Nieuw Rotterdams Peil is de nieuwe maatregel voor criminele drugsverslaafden. Die moeten voortaan in een speciaal ingerichte gevangenis in Hoogvliet verplicht afkicken. Volgens de maatregel Strafrechtelijke Opvang van Verslaafden kan de rechter aan langdurig verslaafden met een eveneens langdurige criminele geschiedenis maximaal twee jaar cel opleggen, waar men dan «onder drang» zal moeten afkicken. Dit arrangement is de vrucht van een speciaal plan van het ministerie van Justitie en de gemeente Rotterdam, waarbij de gemeente zorgdraagt voor de derde fase, waarin de cliënt terugkeert naar de reguliere samenleving. Afgelopen maandag werd deze afspraak nog eens bekrachtigd met de ondertekening van een speciaal convenant tussen het ministerie en het gemeentebestuur. Dit soort paardenmiddelen liggen in Amsterdam nog altijd een stuk moeilijker. In Rotterdam loopt men er meteen warm voor.

En zo is ook het stalinistische herbevolkingsprogramma van Leefbaar Rotterdam lang niet zo kansloos als het op het eerste gezicht lijkt. De implicaties van een en ander vormen wellicht wél de grootste bedreiging van de multiculturele samenleving zoals die zich rond het Afrikaanderplein en elders heeft gevormd. Een reprise van de «rassenrellen» van 1972 is dan verre van denkbeeldig.