Nieuw sterrenschrift

Een terugkerend element in het werk van Anneke Brassinga (1948) is de natuur, of ‘het natuurlijke’. Zo komen in de bundel Landgoed uit 1989 veelvuldig bomen voor, in regels als ‘De bomen in mijn tuin zijn hoog/ gegroeid dit jaar, zij leven/ van blad en licht dat valt/ onveranderlijk’. In Voor nu en altijd uit dezelfde bundel heet het: ‘Bomen maken de dag, ze stralen/ met jong maar bezadigd lommer/ dat aan hun voet kuilen graaft,// schaduw kweekt voor later.’ Alles wat Brassinga tot een dichter van de buitencategorie maakt, ligt al besloten in zo’n relatief vroeg gedicht: de intelligente, scherpe observatie en de daaruit voortspruitende, ingehouden maar toch lyrische bespiegeling. Deze boom is er niet voor de mens, en daarmee symbool voor een misplaatst escapisme, nee, de boom is er voor zichzelf. De mens kan enkel gadeslaan, in stille eerbied.

Door de jaren heen is Brassinga’s aandacht voor het niet-menselijke (én het al te menselijke), in bundels als Verschiet (2001), IJsgang (2006), Ontij (2010) en Het wederkerige (2014) alleen maar toegenomen. In het nieuwe, lijvige Verborgen tuinen zijn bomen al lang niet meer enkel ‘bomen’, maar ‘pijnbomen’ en ‘appelbomen’, of een boom ‘bolt in zijn kandelaberachtig opgeschoten scheuten als een trog uiteen’. Het oog is nóg nauwkeuriger, de kennis van de wereld is vergroot. Het gedicht De wintertuin opent aldus:

De amberboom
en de sterroetbedauwde rozelaarblaren
gun ik een stem zo donker
als van de zangeres die, op hardstenen
vijverdolfijnrug gedrapeerd,

zonder pardon een zilte mist in gaat
opwolkend uit de kelen van viriel doch
weemoedig geblazen hoorns

bij de inzet van KV 427, het Kyrie.

Moeiteloos worden natuur en cultuur aan elkaar gekoppeld en gevierd. Deze regels zijn natuurlijk hooggestemd, maar ook prettig ironisch (‘zonder pardon’) en juist die combinatie demonstreert het volle denken en voelen. ‘Wat menselijk maakt is immers die verbeelding’, staat verderop in hetzelfde gedicht.

Vooral de gedichten in de tweede afdeling, ‘Verborgen tuinen’, lijken bijna gebeden, licht ontredderd en ontdaan als ze zijn. Gebeden vol ongeloof. Het onvolkomen mensenleven staat machteloos tegenover het raadselachtige en ondoordringbare, hoeveel zwarte gaten we ook weten te fotograferen. Zo’n banale gedachte wordt bij Brassinga prachtig geladen, bijvoorbeeld in Hemellichten, een gedicht dat en passant laat zien dat poëzie onmiddellijk waarachtig is als de taal ‘klopt’, en meer doet dan we van haar verwachten:

Uit elke gedachte vonkt een steenworp op
die aan het uitspansel verschijnt, nieuw sterrenschrift –
om honderden levens later te herlezen bij nacht,

en dan de steelpan uit te vinden, of het wiel.

In één vloeiende beweging van uitspansel naar steelpan – geweldig! Dergelijke speelsheid is Brassinga wel toevertrouwd, zoals in De wanner gewand, een ‘rijmloos onsonnet met vele ontleningen’ met regels als ‘de avondstond heeft geen Slaai in de mond,/ we hebben geen tijd te verliezen!’

Aan het eind van dit gedicht wordt het glas geheven op ene ‘Jan’, ‘de enige ver in ’t rond die met verv’ en hart/ sublieme verzen uit andermans wartaal wannen kan’. Een verwijzing naar de poëziekritiek die van alles, hoe vreemd ook, chocola moet proberen te maken?

Ook moest ik erg lachen om Dûh jögd, dat in de derde afdeling ‘Mogen blijven zijn’ staat:

Vrögd êh genögte –
dâh wâh jögds dögd, :
högt zig olde zög verhögd
êh krönt vâh vlög ondögd
tögen hög êh mög noe
verdrögt hör letste levenstög.
Göt, jögd! dögd vâh vrögd!

Och ja, lijkt dit gedicht te zeggen, laten we de jeugd nog eens bezingen, zoals vroeger, al geloof ik er niet meer in en herken ik haar ook niet meer.

Het wemelt in Verborgen tuinen van de memorabele strofen en regels, zoals: ‘Gesjochten zijn we/ totter dood’, verwijzend naar Gershom Sholem, of ‘Het eind zal komen als een lawine van leven’, in het kleine, wonderschone Het eind. Even fijn is een adagium als ‘Roken is verhevigd ademen’ in Tuin uit mijn duim gezogen, of de kwinkslag ‘Jan kwam thuis om een bitterbal te vragen’ in Verwensing.

Restanten, relieken

Hier was het en het is er niet meer of toch?
Met hoe weinig kunnen we volstaan in dezen?
En is het dan concreet of huist het juist niet

in aanwijsbare tekens? Dat ene dorre blad
is heengewaaid, en de dennenappel die precies
de plek markeerde – opgegeten? voortgeschopt?

door bliksem verkoold? Het laat zich niet weten
maar weg is hij zeker. En dan, de ijle moleculen
van de kus, van de klap op de wang, stuifsel

en speeksel, paarsrood aangelopen lichaamsdelen,
kiemen van haat, huid die herinnering bewaart
aan schurend zand – ’t is frappant, iedereen weet dit

in te vullen naar believen: als bijna niks maar
meer dan voldoende om heftig bloedende
wonden te slaan in welgeteld ieders, ieders hart.

Juist die lichtheid is van belang in een dichtbundel waarin het besef van eindigheid in elk gedicht doorklinkt; de dood is kind aan huis in dit oeuvre. In Nostalgie staat: ‘Wie kon weten dat een toekomst eerder sterft dan wij?’ Een jonge stem met ‘mist’ in het hoofd is in het aandoenlijke Kopjes al getroffen door het lelijke dat ons omgeeft, en dat we zelf zijn. De tragiek schuilt in het weifelende zinnetje ‘Zijn wij de hoop der toekomst?’ en wordt benadrukt in de slotstrofe:

Gaat het zo in de wereld toe?
Iedereen heeft ruzie of droefheid
en gooit met kopjes.
Daarom, Heer, geef mij een gat in de grond.

De verstilde haiku’s in de eerste afdeling ‘Berlijn’, het filosofische Duet met Piet Gerbrandy dat de vierde en laatste afdeling beslaat, de poëticale cyclus ‘Vergeetplekken’, de vertalingen, de literaire verwijzingen en citaten – alles getuigt van een moeiteloze ambachtelijkheid, gecombineerd met een aanstekelijke bevlogenheid. Hartstochtelijke poëzie die het onbegrijpelijke nabij weet, maar niet verlamd is door angst. Integendeel. Wat een vitaliteit, wat een schitteringen. En wat een taal:

Nog even en op aarde zal niemand meer weten waar
onze wereld zich bevond: kijk! ginds boven alles, ver heen,

innig vinnig, daar bliksemt vermanend haar sterrenbeeld.