Reportage: jodenhaat in Amsterdam

Nieuw taboe: «jodenvriendje» zijn

Jonge bewuste joden in Amsterdam voelen zich machteloos tegenover het in angstaanjagend tempo toenemende «nieuwe» antisemitisme in de stad. Burgemeester Cohen is volgens hen slap en laf. «De eerste dooie jood gaat hier komen.»

Gideon van der Sluis (27) is voorganger van de synagoge in de Amsterdamse buurt de Pijp. Op sabbat draagt hij een speciaal wit gehaakt keppeltje en een mooi pak. Na de dienst bezoekt hij vaak vrienden in de Rivierenbuurt. Als hij dan ’s avonds vroeg terugloopt naar het centrum, hangen voor een pizzeria in de Van Woustraat altijd Marokkaanse jongens rond. Elke keer staan ze hem daar en groupe uit te vloeken: «Jahoed, jahoed! Vuile kankerjood!» Ze gooien muntjes tegen zijn rug, soms wordt hij bespuugd. Van der Sluis loopt door, zegt niets terug, wil ze niet aansporen, zijn sjabbes niet laten versjteren. Hij draagt zijn keppel bewust en trots. Gideon van der Sluis: «Met mijn keppel ben ik extra herkenbaar. Maar juist nu wil ik laten zien dat ik joods ben. En dat ik me op geen enkele manier laat intimideren door deze walgelijke praktijken. Het is een enorm probleem en het wordt steeds erger. Vijf jaar geleden was één opmerking per jaar al veel. Nu gebeurt het elke week. Er zijn nu wijken, zoals de Indische buurt, de Transvaalbuurt en West, waar joden met een keppel niet meer kunnen lopen.»

Van der Sluis woont in het centrum van Amsterdam. Hij komt uit een traditioneel joods gezin, gaat iedere ochtend naar de sjoel en leeft volgens het «orthodoxe patroon». Opgegroeid buiten Mokum is hij een medienejood. Wel doorliep hij de joodse middelbare school Maimonides in Buitenveldert, en hoort hij bij een vriendengroepje dat elkaar kent uit dat «joodse Amstelveense wereldje» en joodse jongerenorganisaties. Itai Gross, Arik Suissa, Nathan Bouscher en Michael Hess zijn niet orthodox, zoals Gideon. De een is «agnost», de ander liberaal; de een is religieuzer dan de ander, maar allemaal zijn ze «bewust joods». Ze hechten aan de traditie, deden bar mitsvah, en willen uiteindelijk met een joodse vrouw trouwen. Ze eten niet strikt kosjer maar wel kosher style, houden zich aan de sabbatmaaltijd op vrijdagavond, vieren de feestdagen en voelen zich betrokken bij de situatie in Israël. «Ik behoor tot de groep joden die heel bewust joods is», zegt Arik Suissa (27). «Sterker nog, het jodendom definieert alles wat ik doe.»

Ze voelen zich machteloos tegenover het «nieuw soort antisemitisme», zoals Frits Bolkestein het bij de herdenking van de Kristallnacht op 9 november vorig jaar in Amsterdam noemde: de virulente jodenhaat waarmee een groeiende groep burgers van Europees-Arabische afkomst is behept.

De vijf jongens zijn net afgestudeerd of studeren nog; ze staan pas aan het begin van hun leven, maar zien de toekomst somber in. «De situatie is heel ernstig en ik zie geen enkele verbetering», zegt Itai Gross (22). «Nu blijft het nog bij schelden, spugen en slaan. Maar de eerste dooie jood gaat hier komen. Daar twijfel ik niet aan, net als de eerste moslim-extremistische aanslag in Europa.» De aanslagen in Istanboel hebben dan ook een enorme impact gehad op de joodse gemeenschap hier. «Het is verbijsterend. Ze vinden het blijkbaar geen probleem om ook moslims te doden», zegt Nathan Bouscher (20). «Voor ons is iedere dode een steek in het hart. Het gevoel van quasi- veiligheid is in één klap weg.»

Door die dreiging van buitenaf is het zelfbewustzijn van de jongens misschien nog wel sterker geworden. «Ik ben joodser dan joods», zegt Bouscher. «In onze groep is het joodse bewustzijn zeker gegroeid. Ik voel mij veel meer joods dan vijf jaar geleden. Vanwege de situatie in Israël word ik zo vaak aangesproken op het feit dat ik joods ben dat ik gedwongen word me in mijn eigen achtergrond te verdiepen.» Michael Hess (21) denkt er precies zo over.

Bouscher en Hess zijn geboren en getogen in Amstelveen-Noord. Ze groeiden allebei op in een traditioneel joods gezin en doorliepen dezelfde joodse scholen. Itai Gross noemt ze «echte Amstelveenjoden». Hij is er zelf ook één. Gross’ ouders zijn beiden Israëlisch, hij noemt zichzelf «een agnost met respect voor de religieuzen», groeide ook op in Amstelveen. «Iedereen kent elkaar. Het is een heel klein wereldje. De meesten gaan naar de joodse basisschool Rosh Pina, dan naar Maimonides en ze worden allemaal lid van dezelfde clubjes. Ik noem het een dicht getikte wereld. Het is ook verklaarbaar. Het is een kleine gemeenschap die van alle kanten bedreigd wordt.» Gross nam zelf een andere afslag. Hij ging naar het Vossius-gymnasium, waar hij «ook een normale omgeving» meemaakte. Maar Gross voelt zich eveneens «heel joods»: «Ik ben in eerste instantie jood en dan pas Nederlander.»

Menachem Sebbag, jongerenrabbijn en vertrouwenspersoon van jonge joden, denkt dat juist bij de groep niet-bewuste joden het zelfbewustzijn aan het groeien is: «Je bent niet met je joods-zijn bezig en toch word je uitgescholden. De lijnen worden scherper. Maar de groep die hun joods-zijn volledig ontkent, wil er nu natuurlijk al helemaal niets meer mee te maken hebben.»

Sebbag heeft er heel erg mee te maken. Als «beroepsjood», orthodox rabbijn van de synagoge in de Pijp, heeft hij het «nadeel» dat hij meteen herkenbaar is. Hij groeide op in Engeland. Zijn ouders zijn Israëliërs, zijn vader komt oorspronkelijk uit Marokko, zijn moeder uit Irak. Sinds zes jaar leeft hij in Amsterdam met zijn vrouw en zevenjarige tweelingzoontjes. Omdat hij directeur van een joodse begrafenisonderneming is, speelt zijn leven zich grotendeels af in «beschermde joodse kring». Maar toch is zijn leven sinds twee jaar radicaal veranderd. Hij denkt over alles drie keer na. Als hij ergens naartoe moet, al is het maar een paar honderd meter, pakt hij de auto. Zijn zoontjes dragen geen keppel meer en gaan tegenwoordig naar een voetbalclub buiten Amsterdam, waar ze «die mensen» niet tegenkomen. In Amsterdam-West komt Sebbag helemaal niet meer. Zijn vrouw gaat vaak zonder hem boodschappen doen om problemen te vermijden. Desondanks werd zij voor haar huis bedreigd door een Marokkaan met een schroevendraaier: «Vuile jodin. Ik ga je hart uit steken.»

De sabbat is voor Sebbag pas echt zwaar. Hij mag dan geen auto rijden en moet lopend van zijn huis in de Rivierenbuurt naar de sjoel in de Pijp. Hij wordt iedere zaterdag uitgescholden, altijd door Marokkaanse jongens: «‹De joden moeten we doden›. Sinds drie maanden is dat heel populair.» Tot vechten is het nog nooit gekomen. Menachem Sebbag: «Dat komt omdat ik de confrontatie uit de weg ga. Ik heb een zwarte band in karate, kan mezelf goed beschermen. Maar als religieuze jood mag en wil ik geen geweld gebruiken. Ik heb ook een eed afgelegd.» Eens liep hij met zijn zoontjes door de stad. Een stuk of zes jongens riepen: «Kom dan, vuile jood. Vieze varkens. We gaan jullie afslachten!» Sebbag had moeite zich te beheersen: «Dan wil ik erheen, maar ik sla toch af. Ik vind dat moeilijk, want zo zit ik niet in elkaar. Nu komen ze ermee weg. Ik word er depressief van.»

Als rabbijn kan hij zijn keppel niet afzetten. Maar tegenwoordig bedekt hij zijn keppel steeds vaker met een Marokkaans hoedje: «Het is verschrikkelijk dat ik dat moet doen. Nu word ik geen kankerjood meer genoemd, maar soms wel weer door Hollanders voor kut-Marokkaan uitgescholden.»

Hoewel Gideon van der Sluis tegenwoordig ook steeds vaker hoort dat zijn keppel «provocerend» is, heeft die dracht ook zo zijn voordelen, vindt hij: «Het heerlijke van een keppeltje is dat de antisemieten niet naar me toe komen. En die zijn er altijd. Dus de mensen waar ik contact mee heb, zijn me welgezind. En dat zijn ook vaak Marokkanen. Ik zal mijn keppel nooit bedekken, die draag ik heel bewust.» Desondanks vertoont Van der Sluis ’s avonds laat in bepaalde buurten of als hij in de stad iets gaat drinken toch «vluchtgedrag» en draagt hij een baseballpet over zijn keppel.

Hess, Bouscher, Gross en Suissa spreken vloeiend Nederlands, en zijn in principe niet herkenbaar als jood. «Ik ben inderdaad niet herkenbaar», zegt Michael Hess. «Ondanks het feit dat ik een haakneus heb en heel gierig ben… ha, ha! Het is raadselachtig, maar in de werksfeer of op de universiteit weet men op de een of ander manier toch vaak dat je jood bent. En als men dat eenmaal weet, dan zullen ze je altijd als jood zien.»

Itai Gross is geen kleine jongen. Hij ziet er donker uit en zou eigenlijk best voor een Marokkaan kunnen doorgaan. Hij heeft zelf geen «nare» ervaringen. Gross gaf een tijd les in het hol van de leeuw, een regionaal onderwijscentrum (ROC) in West, waar hij nog steeds als nachtportier werkt. Op die school zitten veel Marokkanen. Gross: «Ik heb bewust verzwegen dat ik joods ben. Achteraf vind ik dat fout.»

Arik Suissa’s ouders wonen sinds 1972 in Nederland. Zijn moeder werd geboren in Suriname en woonde zes jaar in Israël. Zijn vader is net als die van Sebbag een Israëliër afkomstig uit Marokko. Suissa: «Ik ben even Marokkaans als sommige van die gastjes.» Maar hij en de anderen worden door hun werk voor joodse organisaties vaak als «zionist» herkend. Zo werkt Suissa voor het Centrum Informatie en Documentatie Israël (Cidi). «Ik heb wel het een en ander naar mijn hoofd gekregen, zoals een briefje met Fucking bastard Jew erop en het advies op te tiefen. Was ondertekend: Abu Jahjah. Aan de andere kant moet je niet overdrijven. In Frankrijk en België is de situatie erger.»

Dit jaar rapporteerde het Cidi dat het aantal meldingen van antisemitische incidenten vergeleken met vorig jaar met honderdveertig procent was toegenomen. Het neo-antisemitisme groeit al jaren, maar de «anti-Israël»-demonstratie op 13 april 2002 in Amsterdam wordt door iedereen in dit verhaal als een onmiskenbaar dieptepunt gezien. Gross, Suissa, Bouscher en andere joodse jongens liepen door de stad om het allemaal met eigen ogen te zien. «Die dertiende april was er een jihad in Amsterdam. Zeer angstaanjagend», zegt Itai Gross. «Ik heb zeker honderd hakenkruizen geteld. Dat is achteraf enorm gebagatelliseerd. Honderden mensen liepen te scanderen: ‹De joden zijn honden› en: ‹Hamas, alle joden aan het gas›. Dat hoorde je overal, en het ging twee tot drie uur door.»

Arik Suissa, kort daarvoor op televisie in Rondom tien en vast panellid van Het Lagerhuis, werd herkend door een groepje Marokkanen. Vier forse vechtsporttypes achtervolgden hem en riepen: «Vuile kankerjood, kindermoordenaar! We pakken je.» Arik Suissa: «Ik kan goed boksen, maar ik wil niet vechten. Ik ben via een zijstraatje afgedropen. Ik baalde er enorm van dat ik niet in mijn eigen stad kon rondlopen. Voor het eerst zag ik zo duidelijk de haat in de ogen van die mensen. Om ons heen werden Israëlische vlaggen verbrand. Ik werd bespuugd. Er liep een gozer met een hakenkruis achter me. Weerzinwekkend!»

Nieuw aan het neo-antisemitisme van de laatste jaren is de verhaspeling van anti-joodse sentimenten en kritiek op de regering-Sharon, en op acties van het Israëlische leger. «Iedereen heeft het recht om faliekant tegenstander van Sharon te zijn», zegt Gross. «Maar je mag nooit alle joden en zeker niet de Nederlandse joden verantwoordelijk houden en ze kindermoordenaars noemen.» Onder het mom van kritiek op Israël worden steeds vaker antisemitische uitingen goedgepraat. Veel joden worden daar pissig van, weet Sebbag. «De redenering is: door het conflict in het Midden-Oosten krijgen jullie joden dit over je heen», zegt Van der Sluis. «Dat is zo absurd. Ik ben als Nederlands burger helemaal niet verantwoordelijk voor wat de regering- Sharon doet. Worden de hindoes hier geconfronteerd met het conflict tussen India en Pakistan?»

De frustratie onder de jongens groeit omdat ze vinden dat de politiek niets doet. «Er heerst een enorm gevoel van machteloosheid», zegt Itai Gross. «Wat moeten we doen? Moeten we Amsterdam-West in trekken? Moet ik die jongens gaan vragen waarom ze mij een kankerjood noemen? Van de politie heb je niks te verwachten. Je moet halfdood getimmerd zijn, wil die komen.»

De Kristallnachtherdenking ging gepaard met een «appèl tegen opkomend anti semitisme». Naast de Turk Selami Yuksel (van het Contactorgaan Moslims Overheid), burgemeester Job Cohen en Frits Bolkestein waren vrijwel alle fractievoorzitters aan wezig. «Mensen kunnen het niet opbrengen om steeds weer kamerleden aan te spreken. We zijn maar met weinig», zegt Gross. «Wij moeten het hebben van politici als Bolke stein en misschien Dittrich. Als je andere fractievoorzitters aanspreekt, knikken ze: ‹Tja, het is wel een probleem.› Ach, het zijn toch maar joodjes! Jarenlang wordt het probleem ontkend en gebagatelliseerd, de PvdA en burgemeester Cohen voorop. Aan Cohen heb ik echt een schijthekel.»

Job Cohen ligt ook slecht bij de andere jongens. «Op het moment dat er haat en geweld wordt gepredikt, moet Cohen dat duidelijk veroordelen en ingrijpen», vindt Arik Suissa. «Maar hij draait steeds om de hete brij heen, wordt gezien als slap en laf.»

De jongens komen zelf wel in actie. Via de joodse organisaties waarin ze actief zijn, proberen ze de dialoog met moslimjongeren op gang te brengen. Zo werd met Turkse jongeren de percussiesessie en het debat De slag voor vrede georganiseerd. Met Marokkaanse jongeren gaat dat moeizamer. Via CiJo, de jongerenorganisatie van het Cidi, proberen ze al heel lang in contact te komen met de Marokkaanse studentenvereniging Tans (To A New Start). «Maar ze zijn als de dood om samen met ons iets te organiseren, omdat ze dan door hun eigen achterban worden uitgemaakt voor jodenvriendjes», zegt Nathan Bouscher. «Dat is een enorm taboe in de Marokkaanse gemeenschap.» Bouscher heeft op de universiteit goed contact met Marokkaanse studenten. Maar ook bij hen heerst dat taboe: «Dan hebben we het over goed geïntegreerde en hoogopgeleide Marokkanen. Als zij het al niet willen, dan kunnen we het verder wel vergeten. Dat doet mij pijn in het hart. Want het zou zo’n mooie symbolische daad zijn als we met elkaar in één camerashot zouden staan.»

Menachem Sebbag heeft er eveneens ervaringen mee. Hij is bevriend met een Marokkaanse imam, die bij hem thuis kwam: «Op een dag belde de imam op dat hij niet meer kon komen. Ze waren er achter gekomen dat hij met een jood bevriend was. Hij werd bedreigd.»

«De groep die scheldt is veel kleiner dan de groep die überhaupt geen contact met joden wil», weet Gross. «Maar ze ontkennen dat er een probleem is. Het is ook wel cool om een jood te pesten.» Zelf peinzen de jongens er niet over om het recht in eigen hand te nemen. «Joden die denken met geweld iets te kunnen bereiken, maken op termijn de hele gemeenschap kapot», zegt Hess. Ze zijn niet blij met de komst van de militante Joodse Defensie Liga (JDL) naar Nederland. «De Nederlandse joden verafschuwen geweld», zegt Bouscher. «Maar het feit dat de JDL terug is, zegt wel iets. Het is een teken dat er, gelukkig voor ons, een kleine groep joden is die geweld wil gebruiken om de joodse gemeenschap te beschermen.»

Een deel van de joden is zich in elk geval geestelijk op het ergste aan het voorbereiden, denkt Menachem Sebbag. Hij is zelf karateka, Arik Suissa bokst, Itai Gross is kickbokser en Gideon van der Sluis zit sinds enige tijd op taekwondo. «Ik ben rabbijn en mag geen geweld gebruiken. Maar als je echt fysiek bedreigd wordt, ga je gekke dingen doen», zegt Sebbag. «Misschien word ik op de stoep doodgeschoten, maar ik zal nooit vrijwillig gaan. Ik houd er rekening mee dat het zo ver zal komen. Of de joodse jeugd zich daarop voorbereidt? Een volmondig ja.»

De nieuwe Europese moslimidentiteit, deels gestoeld op het Arabische antisemitisme, boezemt Nathan Bouscher grote angst in: «Ik ben er als de dood voor. In potentie gaat het om meer dan een miljard mensen die dagelijks worden blootgesteld aan antisemitische programma’s. Daarin wordt helemaal geen onderscheid gemaakt tussen Israëliërs en joden. Kinderen van vier krijgen met de paplepel ingegoten dat ze ‹de joden moeten doden›. Via de satellietschotels wordt die boodschap nu hier verspreid. Wij zitten hier al eeuwen, maar de joodse gemeenschap bestaat maar uit veertigduizend man. We stellen niks voor. De moslimbevolking is na dertig jaar al negenhonderdduizend man sterk. Als we niet opkomen voor tolerantie loopt het heel slecht af met Nederland. In Frankrijk zijn al aanslagen gepleegd op synagogen. Waarom hier niet?»

___________________________

Ruwe schattingen

Volgens Joods Maatschappelijk Werk (JMW) bestaat de joodse gemeenschap uit circa 43.000 mensen. Criterium: minstens één joodse ouder. Inclusief de kinderen zijn 10.000 daarvan van Israëlische afkomst. Ongeveer 25 tot 35 procent van de joodse gemeenschap is georganiseerd, dus lid van enige joodse organisatie. Chris Kooyman van JMW denkt dat 70 tot 80 procent van de joden bewust tot zeer bewust joods is en 30 tot 40 procent er op een of andere manier echt iets aan doet. Ze zijn bijvoorbeeld georganiseerd, houden zich aan bepaalde joodse tradities. Zo’n 20 procent is echt religieus, en daarvan is nog geen 5 procent orthodox.