Zuid-Libanon staat op springen

Nieuwe buren

Vooralsnog is het rustig na de bevrijding van Zuid-Libanon. Maar de situatie is explosief, en de toekomst onzeker.

Kfar Kila, bevrijd Zuid-Libanon - Voor de bewoners van het Israelische grensdorp Metulla moet het de ultieme nachtmerrie zijn. Praktisch in hun achtertuin staan honderden Hezbollah-aanhangers te zwaaien met kalasjnikovs en Libanese vlaggen, slechts tegengehouden door rollen prikkeldraad en een niet al te solide ogend hekwerk. Zelden zal de term «nieuwe buren» zo beladen zijn geweest. Pal naast een witte VN-tank heeft de Partij van God een stalinorgel van schuimplastic neergezet, de lopen dreigend gericht op Metulla. Slechts af en toe waagt een Israelische patrouille zich op het zandpad langs de afrastering, bang voor stenen of andere projectielen. Maar vooralsnog is de sfeer aan de grens uiterst ontspannen. De Hezbollah, die zich sinds woensdag langs de meer dan honderd kilometer lange grens met Israel heeft geposteerd, is uiterst gedisciplineerd; er is nog geen schot gevallen. De al enige dagen hermetisch gesloten grensovergang Fatima biedt een desolate aanblik. De winkels die Israelische producten verkochten, zijn geplunderd of dicht, de eigenaren houden zich schuil of zijn naar Israel gevlucht. De gevreesde «bijltjesdag» is uitgebleven. Achtergebleven militieleden, door de Libanezen smalend de «zandzakken van het Israelische leger» genoemd, verzamelden zich in de nacht van dinsdag op woensdag in kerken en moskeeën terwijl hun religieuze leiders bemiddelden met de Hezbollah. Elias Kfouri, de orthodoxe bisschop van het overwegend christelijke Marjayoun, herbergde in die gevreesde nacht meer dan honderd doodsbange soldaten in zijn kerk. Marjayoun was het bolwerk van het Zuid-Libanese leger, midden in het centrum staat een enorme Israelische kazerne die nu is overgenomen door het reguliere Libanese leger. Kfouri, na de kerkdienst van afgelopen zondag: «Iedereen verwachtte een slachtpartij, we zagen de Hezbollah als een bloeddorstige, wraaklustige meute. Maar we zijn keurig behandeld, de Hezbollah heeft zelfs geen provocerende vlaggen opgehangen in Marjayoun.» Over de naar Israel gevluchte militieleden laat hij zich liever niet uit. «Ik hoop dat ze terugkeren naar hun vaderland, ze hebben hier eeuwen gewoond. Alles wijst erop dat ze op een eerlijk proces kunnen rekenen.» Hij geeft het voorbeeld van de jonge Roger, die nadat hij naar Israel was gevlucht berouw kreeg. Huilend stond hij aan de grens, de Israeli’s wilden hem aanvankelijk niet terug laten keren. Na twee dagen lieten ze hem tenslotte gaan. Vergezeld door zijn verloofde en zijn ouders gaf Roger zich over aan het Libanese leger. Volgens Kfouri krijgt hij hoogstens een jaar gevangenisstraf, hij vervulde geen belangrijke rol in het Zuid-Libanese leger. Bisschop Kfouri: «Jonge jongens werden geronseld door de Israeli’s, ze hadden geen enkele keus, we waren nu eenmaal bezet. » Het is onheilspellend stil in Marjayoun. De meeste winkels zijn gesloten, de luiken van de villa’s zitten potdicht. Alleen vrouwen en kinderen wagen zich op straat. Het standbeeld van Saad Haddad, de oprichter van het Zuid-Libanese leger, werd twee dagen geleden van zijn sokkel getrokken en achter een Mercedes door de straten van Marjayoun gesleept. Van het gloednieuwe centrum van het Zuid-Libanese leger, even buiten Marjayoun, zijn alle ruiten ingeslagen. In de twee torens van het foeilelijke gebouw zijn een kruis en een halve maan verwerkt, als symbool van de twee religies die in de militie dienden. De Hezbollah heeft het centrum volgehangen met posters, uit speakers schallen sjiitische strijdliederen. Met Habib Moekaddem verken ik het bevrijde zuiden. Habib (59) woont in Nabatiye, een marktstadje op de grens van de voormalige «veiligheidszone». Hij heeft alle facetten van de bezetting meegemaakt. Aanvankelijk was hij opgelucht toen het Israelische leger in 1982 Nabatiye binnenviel met als doel de plo van Yasser Arafat op te ruimen. Zijn huis werd voor de Israelische invasie drie keer geplunderd door Palestijnse guerrilla’s die Nabatiye als hoofdkwartier voor het zuiden gebruikten en er een waar schrikbewind voerden. Al spoedig bleek dat de Israeli’s geen haar beter waren dan de Palestijnen. Samen met duizenden andere mannen uit de omgeving werd Habib zonder enige reden gearresteerd en overgebracht naar het beruchte gevangenenkamp Ansar, nabij Nabatiye. Een half jaar later werd hij zomaar vrijgelaten, soms heeft hij nog nachtmerries van de martelingen die hij onderging. Vervolgens werd de Hezbollah actief in Nabatiye. Habib, sjiiet van geboorte maar niet praktiserend, weigerde geld af te staan aan de islamitische verzetsbeweging die aanvankelijk de sluierplicht en een algeheel drankverbod voor Nabatiye wilde invoeren. «Het is toch potverdorie geen Iran hier», bromde hij altijd. Zijn vijftien jaar jongere vrouw Ichsaan, goed opgeleid en geëmancipeerd, moest al helemaal niets van de Partij van God hebben. Habib bleef stoïcijns onder de dreigementen, al moest hij knarsetandend toezien hoe de Hezbollah gratis tankte in zijn garage. Aan de dagelijkse beschietingen van Nabatiye was hij allang gewend geraakt. Op zijn balkon koestert hij, tussen de begonia’s en muntplanten, hulzen van Israelische fosforbommen die in zijn tuin landden. We rijden naar Château Beaufort, tien kilometer van Nabatiye. Vanuit dit imposante kruisvaarderskasteel controleerde het Israelische leger een groot deel van het zuiden. Drie dagen geleden blies een Israelische Apache-helikopter, nadat de laatste soldaten het fort in allerijl hadden verlaten, deze belangrijkste strategische positie in het bezette gebied op. Habib is er sinds 1978 niet meer geweest. Samen met honderden nieuwsgierige Libanezen klauteren we omhoog naar het kasteel dat zichtbaar heeft geleden onder het bombardement. Op de top wappert de vlag van de Hezbollah. Onder het puin liggen verkoolde computers, blikken kosjere soep en bonen, hulzen van 120 mm-geschut en flarden van Israelische kranten. Vanaf de top van het kasteel zien we Syrië, Noord-Israel, Nabatiye en de havensteden Tyrus en Sidon liggen. Habib: «Je hebt maar tien soldaten op het kasteel nodig om de hele omgeving te controleren, die kruisvaarders waren toch geen domme jongens.» We vervolgen onze reis naar het zuiden. Langs de weg staan uitgebrande Israelische Merkava-tanks, in allerijl achtergelaten. Aan de oevers van de Litani-rivier picknicken Libanese families. Een dag eerder vond het Libanese leger een enorme pompinstallatie bij de rivier, waarmee het gerucht dat Israel water stal uit Zuid-Libanon waarheid is geworden. Habib moet overal de weg vragen, net als de duizenden dagjestoeristen die eveneens meer dan twintig jaar niet in het gebied waren. Van Nabatiye tot aan de Israelische grens staat een grote file met toeterende auto’s. Families poseren voor uitgebrande posities van het Israelische leger, zwaaiend met Hezbollah-vlaggen. De belangrijkste attractie van het bevrijde gebied is de beruchte gevangenis van Khiam. Martelen was hier aan de orde van dag, honderden gevangen werden er zonder enig proces jarenlang vastgehouden. Het Israelische leger verbood afgevaardigden van het Rode Kruis de toegang; aanvankelijk werd het bestaan van dit gruwelijke oord zelfs ontkend. Nu blijkt waarom. In de naar pis en stront ruikende cellen, drie meter breed en tien meter lang, is het aardedonker. In elke cel staan tien stapelbedden, waarop intens smerige slaapzakken van het Israelische leger liggen. Aan waslijnen hangen gerafelde T-shirts en onderbroeken, op de grond liggen speelkaarten en rottende sinaasappels. Op de muren zijn spuitende penissen en verwensingen aan de joden gekladderd. Bassam, zestien jaar, loopt met zijn neus dichtgeknepen door de lugubere cellen. Zijn vader bracht hier vijf jaar door. Bassam, die pal naast de gevangenis woont: «’s Nachts konden we de gevangenen horen krijsen als ze gemarteld werden, het was afschuwelijk. Vijf j aar lang kregen we geen enkel teken van leven van mijn vader, we dachten dat hij dood was. » Bij de ingang van de gevangenis hangt een enorme lijst waarop ex-gevangenen hun naam schrijven. Nasser, de vader van Bassam, is nummer 230. Met tranen in zijn ogen kijkt hij naar de lijst van mannen die stierven tijdens hun gevangenschap, in totaal vijftien. «Ik ben niet meer bang voor de hel sinds ik hier geweest ben», zegt hij terwijl hij ons rondleidt. Hij moet slikken als we de martelkamer betreden, een bedompte ruimte met een wirwar van elektriciteitsdraden. «De Libanese bewakers waren nog erger dan de joden, die maakten niet graag hun handen vuil aan ons. Dat hebben ze zeker van de Duitsers geleerd, die lieten het vuile werk ook door anderen opknappen.» In de kamer die diende voor medisch onderzoek liggen spuiten en pillen over de grond verspreid. Het gebouw ernaast diende volgens het Hebreeuwse opschrift als militair tribunaal. Nasser: «Ik ben hier een keer geweest, binnen twee minuten stond ik weer buiten. Vijf jaar later werd ik pas vrijgelaten. Ze zeiden dat ik een spion was voor de Hezbollah, hetgeen niet het geval was.» Een groep Libanese kunstenaars heeft inmiddels aangeboden de gevangenis als permanent expositiecentrum in te richten, met schilderijen en beeldhouwwerken. Waarschijnlijk is het doeltreffender de gevangenis in de huidige staat te laten, als blijvend symbool voor de wrede bezetting die 22 jaar duurde. We rijden door naar Bint Jebeil, waar Hezbollah-leider Hassan Nasrallah een toespraak zal houden. Honderdduizend Libanezen zijn naar het centrum van het overwegend sjiitische stadje gekomen en zwaaien met Libanese en Iraanse vlaggen. Nasrallah, vergezeld door drie bodyguards, is op het hoogtepunt van zijn populariteit. «De overwinning is te danken aan het hele Libanese volk», buldert hij, «en niet alleen aan de Hezbollah. Door jullie standvastigheid heeft de zionistische vijand het hazenpad gekozen, God zegen jullie.» Nasrallah geeft te kennen dat de reconstructie van het bevrijde gebied op dit moment het belangrijkste doel is van de Hezbollah, daarna zal de partij zich beraadslagen over de toekomst. Hij roept de Arabische regeringen op alle banden met de joodse staat te verbreken. Voor de Palestijnen heeft hij nog een speciale boodschap: «Als het ons lukt om het machtige Israelische leger de eerste nederlaag sinds 1948 toe te brengen, dan moet het jullie zeker lukken om Palestina en Jeruzalem te bevrijden. » Op de weg van Bint Jebeil naar het kustplaatsje Naqoura blijkt pas goed hoe het Israelische leger heeft huisgehouden in het zuiden. Hele dorpen zijn vernietigd, moskee ën als kaartenhuizen in elkaar gestort. Door de tactiek van de verschroeide aarde toe te passen zijn in de afgelopen 22 jaar meer dan tweehonderdduizend Libanezen naar het noorden verjaagd. Families picknicken nabij de ruïnes van hun huizen. Ze zijn vastberaden terug te keren naar het zuiden, na jarenlang onder erbarmelijke omstandigheden in Beiroet te hebben gewoond. De bezetting van Zuid-Libanon is definitief voorbij. De Hezbollah verloor, net als het Israelische leger, twaalfhonderd soldaten. Voor Israel was het Libanese avontuur zinloos. Aan de noordgrens bevinden zich nu duizenden Hezbollah-strijders, pal nabij stadjes als Metulla, Kiryat Shmonah, Rosh ha Nikra en Nahariyyah. Tientallen kibbutzim zijn blootgesteld aan eventuele infiltraties, net als 22 jaar geleden. Vooralsnog is het rustig, maar de situatie is uitermate explosief. Een afgevuurde Katyusha-raket kan een nieuwe oorlog veroorzaken. Voor Libanon en Israel breken opnieuw onzekere tijden aan.