Film

Nieuwe cinema

Film: Last Days van Gus Van Sant

Het onderwerp van Last Days is de zelfmoord van een rockster met vieze blonde lokken en ongeschoren wangen. Het is Kurt Cobain. Maar ook weer niet. Regisseur Gus Van Sant stelt tijdens de aftiteling dat zijn film «gedeeltelijk gebaseerd is op de laatste dagen van Kurt Cobain». Er is dan ook geen Nirvana of Courtney Love, er zijn geen groupies, en rockmuziek is vrijwel afwezig op de geluidsband. Wat er wel is, zijn beeldschone beelden van een man die in een bos loopt, in een rivier zwemt en bij een kampvuur zit. In de villa in het bos waar hij woont, sjokt hij door bouwvallige ka mers. Hij mompelt tegen zichzelf, hij speelt gitaar, hij eet ontbijtgraan. Het zijn zijn laatste dagen, maar wat er in zijn hoofd speelt, komen wij nooit te weten.

Last Days is een prachtige film, vol poëzie, symboliek en beschouwing. Het werk vertegenwoordigt de onafhankelijke Amerikaanse cinema, waar Van Sant zich steeds meer de geestelijke vader van toont. Met Last Days lijkt hij bereid tot het uiterste te gaan om een soort cinema te creëren die meer dichterlijk en introspectief is dan wat er in de hoofdstroom te zien is. Interessant is derhalve dat Van Sant de mentor was van de jonge Texaan Jonathan Caouette, die met zijn autobiografische, avant-gardistische Tarnation over de hele wereld furore maakt. De invloed van Caouette en Tarnation, en indirect dus ook Van Sant, blijkt uit de wedstrijd die The Guardian zojuist heeft uitgeschreven: de filmredactie vraagt lezers hun eigen digitale films te maken en in te sturen. De slagzin luidt: «Word de nieuwe Jonathan Caouette!» Als extra aanmoediging publiceerde de krant een artikel van regisseur Mike Figgis waarin hij vertelt over zijn ervaring met digitaal filmmaken. Hij geeft toe dat de nieuwe technologie meer slechte films zal opleveren, maar hij verwacht ook dat er «tien keer zo veel goede films als nu» zullen komen. Caouettes film is een voorbeeld van hoe deze nieuwe cinema eruit zou kunnen zien: inhoudelijk persoonlijk en qua stijl gemaakt op het scherpst van de snede.

Bij deze ontwikkelingen rijst de vraag hoe gevestigde cineasten zullen reageren. Opkomst Van Sant, regisseur van onder meer My Private Idaho (1991) en het prach tige Elephant (2003), een psychologische interpretatie van de massamoord op de Amerikaanse Co lumbine High School. Elephant markeert tevens Van Sants creatieve wederopstanding na vreselijke Hollywoodfilms als Good Will Hun ting (1997). De nieuwe Van Sant belichaamt iets an ders dan vermaak: zijn werk is nu persoonlijk, beschouwend en on der mij nend.

In zekere zin is Last Days een vervolg op Elephant. In beide films volgt de camera op een afstandelijke manier de hoofdpersoon, een blonde jongen. En in beide films weet de kijker dat de dood aan het einde wacht. Last Days is als een nachtmerrie; het is alsof er geen ontsnapping mogelijk is. Je loopt samen met het hoofdpersonage, Blake (Michael Pitt), door de donkere gangen van de villa, maar je ziet zijn gezicht nauwelijks. Wanneer hij in een kamertje gaat zitten om wat gitaar te spelen, blijft de camera bij de deur. Geen seconde laat Gus Van Sant de kijker toe in de belevingswereld van Blake.

Van Sant verstopt betekenis in suggestie. Er komen twee bezoekers naar de villa: een Gouden Gids-werknemer en twee jonge christenen die het woord van God komen verkondigen. In het eerste geval handelt het gesprek over het thema succes en in het tweede geval gaat het over Jezus die aan het kruis is gestorven. Beide elementen – succes en verlossing – zouden een rol kunnen spelen in de zelfmoord van een celebrity als Kurt Cobain.

Alles aan Last Days voelt nieuw en vernieuwend. Dat de maker in dit geval geen amateur als Caouette is, maar een oude rot in het vak zegt veel over de diversiteit van de Amerikaanse cinema. Interessant: een figurant in Last Days is Harmone Korine, maker van de pijnlijke, maar meesterlijke sociale satires Gummo (1997) en Julian Donkey Boy (1999). Na deze films is Korine in de vergetelheid geraakt. Nu is hij terug. De vraag is: als acteur of als leerling van Van Sant? Hoe dan ook, Korine is nog een reden om Last Days te zien.

Te zien vanaf 25 augustus

Schiller in the City

Toneel: Mary Stuart in Donmar Warehouse

door Loek Zonneveld

LONDEN – Ze hielden in Engeland nooit van Teutoonse Shakespeare-naäpers. Dus kreeg Friedrich Schiller hier eeuwenlang geen poot aan de grond. Zijn blanke verzen werden door de Britse romanticus en liefhebber van de Duitse taal Coleridge vergeleken met «vliegen die op een kleefband dansen». En nu is Schiller opeens hot in Westend. Afgelopen voorjaar was er de bejubelde enscenering van Don Carlos door het Crucible Theatre uit Sheffield (regie Michael Grandage, vertaling Mike Poulton, met Derek Jacobi als Philips II), die in het Gielgud Theatre in Londen maanden achtereen volle zalen trok. Nu oogst Maria Stuart, in een fonkelnieuwe vertaling van Peter Oswald en in de regie van Phyllida Lloyd, avond aan avond volle zalen in Donmar Warehouse, net tussen Soho en Holborn. Dat theater is verstopt in een winkelgalerij. Voor Londense verhoudingen is het klein. Vergelijkbaar met Frascati 1 in Amsterdam, maar dan met meer balkonruimte. Het publiek zit aan drie kanten rond een open, licht verhoogde speelvloer van negen bij zeven meter. Het moet een van de meest intieme theaters van de Londense City zijn.

In tegenstelling tot Don Carlos is Schillers Maria Stuart (1801) in alle opzichten af. Schiller vond zelf ook dat hij het ambacht van toneelschrijven eindelijk onder de knie had. Dat is te merken aan de snelheid waarmee we in de handeling worden getrokken. Hij laat het drama tussen de twee rivaliserende vorstinnen, Mary Queen of Scots en Elisabeth I van Engeland, beginnen op een hoogtepunt dat voor beiden een dieptepunt is: Maria Stuart is door een Engelse rechtbank in oktober 1586 wegens hoogverraad (dat overigens ach teraf geconstrueerd bleek) tot het hakblok veroordeeld. Elisabeth moet het doodvonnis ondertekenen. Die bijl van Damocles hangt een kleine drie uur boven de tragedie. Tekent ze of tekent ze niet? Na haar doodvonnis verandert de ogenschijnlijke verliezer Maria Stuart in een overwinnaar: ze is soeverein in de zekerheid van haar dood, daar door wordt ze een nachtmerrie voor Elisabeth. Beide vrouwen worden omringd door spindoctors, die bevrijdingsacties fabuleren en oplossingen verzinnen. Schiller bedacht een scène die in de historische werkelijkheid van de beide vorstinnen nooit heeft plaatsgehad: een rechtstreekse ontmoeting, derde be drijf, derde scène. Met daarin een sleutelrol voor de minnaar van Elisabeth, tevens de geheime minnaar van Maria, Robert Dudley, de graaf van Leicester. De man die overal mee wegkomt.

Phyllida Lloyd heeft met Mary Stuart een juweel van een historische thriller geregisseerd. In de botsing tussen de twee vrouwen is veel oud Engels zeer verborgen. Mary Stuart speelt met haar ongemakkelijke liefdesleven simultaan tegen de gekorsetteerde Iron Lady van het Huis van Tudor. Lady Diana versus Elisabeth, om zo te zeggen. Brandende passie tegenover kille berekening. De sleutelscène tussen Harriet Walter (Elisabeth) en Janet McTeer (Mary), gesitueerd in een Engelse hoosbui, is vlammend, scherp, ontroerend, prachtig gespeeld. Eindpunt ook van een lange weg, waarop Mary begon als underdog en Elisabeth als winnares. In die verregende ontmoeting worden de rollen 180 graden gedraaid. Dat blijft zo. De grimmige manipulaties van Guy Henry als de graaf van Leicester, een machiavellistische pikkebroek die behendig manoeuvreert tussen twee door hem be geerde topvrouwen, zijn griezelig, akelig, een briljant tongue in cheek schaakspel.

Ik snap wel dat Schiller Engeland aan het veroveren is. In Maria Stuart vertelt hij het Engelse publiek een verhaal waarvan Shakespeare niet eens durfde te dromen om het te vertellen: hij zou meteen tot het hakblok zijn veroordeeld. Schillers succes hier is ook het gevolg van de hernieuwde belangstelling voor toneel over politieke geschiedenis. Zie de bijval voor Michael Frayns stuk over de ondergang van de Duitse bondskanselier Willy Brandt, De mocracy (komend seizoen bij het Nationale Toneel). Michael Billington, de nestor van de Engelse toneelverslaggevers, loofde in zijn recensie van Mary Stuart in The Guardian Schillers «ability to mix private and public worlds and his profound understanding of realpolitik». Hij schreef dat Duitse woord zonder de Duitse hoofdletter.

Het begrip «Realpolitik» ingelijfd in Tony Blairs Engeland. Het is wennen. En het klopt.

Mary Stuart in Donmar Warehouse, tot en met 3 september, daarna waarschijnlijk elders in Londen. www.donmarwarehouse.com

Intelligentie

Televisie: Robert Jensen

door Walter van der Kooi

De eerste keer dat ik Robert Jensen zag ontving hij Catherine Keyl. Het was meteen de laatste en Zomergasten-kijkers weten waarom: Maria Goos toonde het fragment waarin een «sprekende» vagina de seksgeschiedenis van Keyl, waarschijnlijk geput uit in terviews en boulevardbladen, te berde bracht. (Dit briljante programma-idee vanwege Keyls deelname aan de Vaginamonologen.) De vrouw zat letterlijk onder dat stuitende beeld, luisterend naar die stuitende tekst. Zeker, ze heeft ervoor gekozen Bekend te zijn en bij een gediplomeerde rat op be zoek te gaan. En inderdaad, God mag weten waarom ze niet wegliep. Maar doet dat iets af aan het feit dat dit onderwereld-televisie is? Keyl zei nog wel, en uit de grond van haar hart, blij te zijn dat haar moeder dit niet meer hoefde mee te maken. Waarop de ellendeling riposteerde dat je niet vaak hoort dat iemand blij is met de dood van moeder.

RTLBoulevard bracht als nieuws dat Robert Jensen op de plek van gouddelvers Barend en Van Dorp komt te zitten. RTL-baas Fons van Westerloo wees erop dat Jensen een bijzonder intelligent man is. Dat overtuigde Albert Verlinde niet, die zei allergisch voor Jensen te zijn, en ook Daphne Bunskoek bleek geschokt door het Zomergasten-fragment. Dus vroeg ik me af of het bij de nieuwe concurrent ook mogelijk is plannen van de opperste baas en public te kritiseren. Spijkerman dolde een beetje met en over De Mol in De weg naar Talpa, maar die is als hofnar ingehuurd. Het wordt anders wanneer die kritiek serieus wordt geuit in het best bekeken programma.

Interessant overigens Van Wes terloo’s argument ter verdediging van tv-baggeraar Jensen: in telli gentie. Ik neem onmiddellijk aan dat hij die bezit. Opvallend is nou juist dat er een nieuwe kaste is ontstaan van slimme tot uiterst intelligente vrouwen en mannen die achter en op het scherm al hun geestkracht inzetten voor het be denken en in de markt zetten van middle-of-the-road-televisie tot diep daaronder. Van Westerloo is zelf een voorbeeld, zoon Remko ook (ongelooflijk de hoeveelheid free publicity die de Volkskrant Talpa schenkt en de jubel die de recensent na Talpa’s eerste weekend op de voorpagina (!) erop losliet). Dat is, gezien de hoeveelheid geld die er te halen valt, niet op zienbarend. En met makkelijke, toegankelijke televisie hoeft niks mis te zijn. Wel is dat het feit dat een groot deel van hen die intelligentie gebruikt om een soort ideologische verdediging van het dubieuze deel van hun producten te geven. Of liever, degenen verdacht te maken die ethische en morele grenzen stellen: elitaire azijnpissers met minachting voor het volk. Nee, de LPF is daar nooit ver weg.

Het is waarschijnlijk een intelligente Talpa-creatieveling die Jo ling en Gordon over de vloer be dacht. De eerste aflevering is in middels zo vaak herhaald dat je je afvraagt of hun trots op het resultaat zo groot is of hun ideeënrijkdom zo klein. In elk geval een staaltje weerzinwekkende televisie, vol voetbalhumor van de laagste plank en weergaloze beledigingen aan het adres van het Brabantse gezin dat hen ontving. De ondercategorie van Jensen, maar dan heel dom.

Zelfportret met danser

Kunst: Indisch werk van

Isaac Israels

door Froukje Holtrop

Het bezoek van minister Bot aan Indonesië voor de viering van de (nu) zestigjarige onafhankelijkheid van dat land was niet de aanleiding voor de manifestatie Indische Zomer in Den Haag. Dat was een zelfportret van de schilder Isaac Israels (1865-1934) met een Javaanse danser op de achtergrond. De dochter van de danser Raden Mas Jodjana (1893-1972) schonk dit tot nu toe onbekende portret onlangs aan het Museum Mesdag, en voor het museum was dat aanleiding om de Indische periode van een van de grootste Hollandse impressionisten te belichten.

In het voormalige woonhuis van het schildersechtpaar Willem en Sientje Mesdag is een aantal kamers ingericht met «Indische» schilderijen, aquarellen, brieven en schetsboeken. Ook andere portretten van Jodjana zijn te zien, van de hand van de graficus Chris Lebeau (1878-1945) en de beeldhouwer Johan C. Altorf (1876-1955). Israels, zoon van Jozef Israels, begon zijn carrière als schilder van de Haagse School en verwierf daarna – met George Breitner en Willem Witsen – faam als schilder van het stadse leven in Amsterdam, Londen en Parijs. Binnen zijn «Indische werk» wordt onderscheid ge maakt tussen Indische taferelen die Israels in Nederland schilderde, en het werk dat hij maakte tijdens zijn verblijf in Nederlands-Indië in 1921-22.

In 1916 ontmoette Israels de Javaanse prins Raden Mas Jodjana, die naar Nederland was gekomen om aan de Rotterdamse Handel school een opleiding te volgen. Tijdens een benefietavond in de Haagse Schouwburg in hetzelfde jaar ten bate van de slachtoffers van een grote overstroming op Java danste Jodjana een traditionele hofdans. Israels was onder de indruk van de bewegingen van de dans maar met name van de kleuren van de kostuums die de dansers droegen. Hij vroeg hen te mogen portretteren, en ook al zei Jodjana «dat ik in het begin die portretten, die Isaac van mij maakte niet mooi kon vinden», het was wel het begin van een vriendschap. Naast de portretten van Jodjana schilderde Israels andere dansers en gamelan spelers. Hij huurde kostuums en krissen en bij de dierentuin haalde hij palmen om een exotisch decor te creëren. Op een schilderij als Gamelan orkesten zijn de palmen van het Koninklijk Instituut in hun potten duidelijk te zien.

Overgehaald door zijn vriend, de schilder Jan Veth, ging Israels in 1921 aan boord van de Koningin der Nederlanden naar Batavia, om uiteindelijk een jaar op Java en Bali te blijven. Israels heeft in die tijd ongewoon veel werk gemaakt. Op de boot begon hij al met het tekenen van de andere passagiers. Door Raden Mas Jodjana kreeg hij toegang tot het Kraton van Solo en mocht hij de vorst Mangkoenagoro VII portretteren. De vorst deed erg zijn best om Israels ter wille te zijn en had allerlei plannen over wie en wat geportretteerd moest worden en stak een aantal mensen daarvoor in het nieuw. Israels maakte het prachtige Portret van Mang koenagoro VII, dat op de tentoonstelling te zien is uit de collectie van het Frans Halsmuseum. Ook portretteerde hij diens vrouw, maar de verblijfplaats van dat doek is onbekend. Verder schilderde hij een aantal gamelanspelers.

Israels had echter meer be langstelling voor het leven achter de schermen van het hof en op straat. Hij was, zoals het een impressionist betaamt, zeer goed in het weergeven van de couleur locale, of het nu ging om typistes in een grauw kantoor, mannequins in het fameuze warenhuis Hirsch, kinderen op ezeltjes aan het Scheveningse strand of absintdrinkers in een Parijs café. Daarin zit precies het verschil tussen de Indische werken die Israels in Nederland maakte en die hij maakte tijdens zijn verblijf op Java en Bali. Waar bij de eerste over de kleurrijke kleren van de dansers de grauwe zweem hangt van het Nederlandse klimaat maken de kleuren oranje, geel en roze de schilderijen uit Indië zonovergoten. Het schilderij Een Soendanese vrouw is er een mooi voorbeeld van. «Ik heb namelijk ontdekt dat men de Javanen natuurlijk juist in de zon moet laten poseren, ook al schreeuwen zij moord en brand», stelde Israels vast.

Israels werkte er hard en leek er goed te gedijen, getuige zijn op merking in een brief: «Het vreemdscht vind ik in dit land dat ’t eigenlijk zoo weinig vreemd is, en dat op een afstand van 9000 mijlen.» Uit andere brieven blijkt dat Israels het mondaine leven van Europa, waar hij gewend was in te verkeren, miste; toch stelde hij zijn terugkeer telkens uit, onder meer omdat er in de Kunstkring in Batavia een tentoonstelling van zijn werk werd georganiseerd. Hij wilde dat in Nederland ook doen, maar door de grote populariteit verdwenen de werken al snel in particulier bezit. De tentoonstelling in Mesdag is de eerste keer dat Israels’ Indisch werk als apart genre wordt getoond.

Isaac Israels en Raden Mas Jodjana: Een Indische vriendschap

Museum Mesdag, Den Haag, tot en met 25 september; www.museummesdag.nl

Ongerepte speeltijd

Toneel: Uitkijken naar een nieuw theaterseizoen

DOOR LOEK ZONNEVELD

In de openingsscène van zijn stuk Goldberg variaties laat schrijver George Tabori de regisseur Mr. Jay zeggen dat een repetitielokaal op de eerste dag van het repeteren «ein Ort von Frieden» is. Waarom, vraagt zijn joodse assistent Goldberg. «Weil noch nichts schiefgegangen ist», antwoordt Mr. Jay gevat. Zijn joodse technici scheldt Mr. Jay ondertussen uit voor «nazi’s». Zijn ze niet, riposteert Goldberg. «Als ze maar lang genoeg met mij werken worden ze het vanzelf», antwoordt Mr. Jay.

Vooruitkijken naar een nog ongerept toneelseizoen is staren in een glazen bol waarin nog niets is misgegaan. Ik heb weet over minder dan de helft van wat eraan staat te komen. Hier een bescheiden lijst van voorstellingen waar ik naar uitkijk. De volgorde is willekeurig: een warrige grafiek van een opkomende toneelkoorts.

Matthijs Rümke en Olivier Provily trekken de kar van het Zuidelijk Toneel ná het tijdvak Johan Simons & Paul Koek. De vinger op de polsslag van onze tijd, dat is hun niet geringe ambitie. Ze hebben veel schrijfopdrachten uitgezet, willen verse antwoorden op actuele verwarring. Dat wilde Johan Simons ook, maar die is weg, die gaat Gents/Europees. Op de een of an dere ma nier be vallen de voornamelijk Ne derlands/Vlaamse plannen van Rümke/Provily me beter. Waarom? Een terroristische aan slag op het ijkpunt van onze West-Europese tijdmeting (in Greenwich Observatory, zo’n honderd jaar geleden), dat lijkt me een puik plan. Provily die zich gaat meten met de «kermis van de doden» van de Poolse theatermaker Tadeusz Kantor (een icoon van het twintigste-eeuwse toneel, hij is alweer vijftien jaar dood), bij dat idee ga ik rechtop zitten.

Regisseur/schrijver Eric de Vroedt is het afgelopen seizoen begonnen met een tienluik dat hij Mighty Society heeft gedoopt. Deel 1 ging over het gezwatel en de mistgordijnen van de moderne ziekte in de politiek die «spindokter» heet. De voorstelling was een veelbelovende start. Twee nieuwe delen staan voor het komend seizoen gepland. Over de laatste uren van een zelfmoordterrorist. En over de kick op de elektronische snelweg.

Het Utrechtse toneelspelers collectief ’t Barre Land kondigt hun nog maagdelijke seizoen aan met Wat er gloort – nieuw werk. Ze weten wáár ze zoeken (Wenen), nog niet wát ze daar gaan vinden. Al jaren hebben ze zich ingegraven in Karl Kraus’ megalomane toneelonderneming over de waanzin van de eerste wereldoorlog, Die letzten Tage der Menschheit (1919, voor het eerst gedrukt in 1922, achthonderd pa gina’s ra zende teksten). Daarnaast spitten ze in We ners als Arthur Schnitzler en Thomas Bernhard. Wat gaat dat opleveren? Wélke Schnitz ler zetten ze in tegen wélke Bernhard? Das weite Land naast Die Jagdgesellschaft?

De Theatercompag nie en To neelgroep Am sterdam starten met Schillers Don Carlos, het epos waarin een felle vader-zoon-botsing uitgevochten wordt te gen de achtergrond van de Nederlandse bevrijdingsoorlog in de zestiende eeuw, een vertelling over politiek opportunisme (lees verder in De Groene Amsterdammer van vorige week). Theu Boermans regisseert een nieuwe bewerking/ vertaling (van Tom Kleijn). Don Carlos is een van mijn lievelingsstukken. Bij iedere nieuwe versie van de tekst vraag ik me af: waarom? De krankzinnige rivaliteit tussen Philips II en kroonprins Carlos, die een echtgenote én een ex-verloofde moeten delen? De idealist Markies van Posa die (bij wijze van spreken achter zijn eigen rug om) een politieke intrigant wordt? Of toch de wankele scheiding tussen staat en kerk?

Tot slot: Mephisto. Het impresariaat Hummelinck-Stuurman pro duceert een toneelversie van de roman die Klaus Mann (zoon van) in 1936 schreef in de Concert gebouwbuurt te Amsterdam. Over een Duitse toneelmaker die de verleiding van de bruin/zwarte horden niet aankon.

Model voor het centrale personage Hendrik Höfgen – hoewel Klaus Mann dat altijd heeft proberen te ontkennen – stond de Duitse acteur/regisseur/ toneelleider Gus tav Gründgens (1899-1963), ex-lover en ex-zwager van Klaus Mann, een toneelmaker die door Göring en Hitler werd benoemd tot prominente kunstmanager in het Duitse to neel tussen 1933 en 1944. Regisseur Paul Binnerts maakt een nieuwe toneelbewerking. Met Huub Stapel en Derik de Lint.

Ik overzie mijn bescheiden lijst – vijf projecten mocht ik noemen. Een wankel evenwicht tussen sterke teksten van weleer en nieuwe uitdagingen. Klopt ook met hoe ik het nieuwe toneelseizoen tegemoet treed. In deze tijd vol debilisering van het politieke bedrijf, verranziging van het debat in de publieke ruimte, verkwanseling van Bildungs-idealen uit een de finitief voorbij verklaarde tijd, verlang ik naar herlezing van teksten uit het culturele erfgoed (dat heet tegenwoordig canon), naast kakelverse geluiden van jong theatervolk.

Deze toneelverslaggever kan niet wachten.