Kijken

Nieuwe energie

Dat sculptuur niet alleen ‘mooi’ in de omgeving hoeft te passen, bewees kunstenaar Richard Serra in de tuin van het Kröller-Müller Museum.

Richard Serra, Spin out, for Robert Smithson, 1972-1973. Cortenstaal, driedelig, elk 2,5 x 12 x 0,04 m © Foto’s Cary Markerink

In het oude gebouw van het Kröller-Müller Museum hangen de schilderijen in bescheiden zalen die als rustige kabinetten langs een ruime gang liggen die door het midden loopt. De vloer is lichtgrijs linoleum. De wanden gebroken wit. Zacht daglicht komt van boven. Vroeger, voordat de ingang in de transparante nieuwbouw van architect Quist verlegd werd, kwamen we ook binnen via een kleine vestibule die direct op die centrale gang aansloot. Wel moesten we nog enkele traptreden op, dan pas kwamen op de gelijkvloerse hoogte van waar de schilderijen te zien waren. Het was alsof we voortschreden door het middenschip van een smalle kerk. Toen kwam er een verbreding. Daar was een rechthoekige patio met in het midden een hoekige vijver. De loop splitst zich daar: er gaat linksom een gang en rechtsom. We zijn nu bij bredere zalen waar de schilderijen van Van Gogh hangen. Die zijn het luisterrijke hoogtepunt van de collectie. In de lengte van het museum, waar het laag is, lijken die dwars gelegen zalen, die ook hoger zijn, op het transept in een kerk. Bijna ongemerkt brengt de regie van hoge en lage ruimtes de bezoeker in een staat van ernstige aandacht. Voorbij deze verbreding ging onze weg weer, als daarvoor, door een middengang. Links en rechts weer kabinetten. Nog steeds is alles gelijkvloers.

Dan komen we uit bij een beeldenzaal. Dat was een uitbreiding van 1953. Van gelijkvloers gaan we een paar treden naar beneden. We staan nu merkbaar lager op een vloer van terracotta tegels. Links en vooruit zijn hoge ramen van laag bij de grond tot bijna aan het plafond. We zien bomen staan en we zien het gras op het land. De terracotta tegels binnen liggen ongeveer op het niveau van het maaiveld buiten. De beelden in de beeldenzaal staan dus met hun gewicht stevig op de grond. Zo hoort zware sculptuur ook te staan. Ook wij kijkers staan op de grond. Ik merk dat we van de weeromstuit ook naar boven gaan kijken. Zo lijkt de lumineuze zaal nog groter en hoger dan ze eigenlijk is. Rechts in de hoek voeren een paar traptreden weer naar boven. De rechterwand van de zaal is open als een toneel. We kunnen nu, als van een bordes, ook naar beneden kijken. Helemaal links hing daar, hoog boven de lage toegang vanuit het oude museum, een groot wandkleed van Fernand Léger. Het is een forse voorstelling van stevige figuren. Ik weet zeker dat directeur Hammacher dat kleed met opzet voor die plek heeft verworven. Met de heldere kleuren van Léger maakte het de ernstige installatie van sculptuur nog net wat flamboyanter.

Door die knalharde interventie kreeg het land een andere aanblik

Na de groepering van Van Gogh was de beeldenzaal een nieuw hoogtepunt in het museum geworden. Het was nu zaak om ook buiten een soort groene zaalruimtes te maken. Dat werd Hammachers wens. Zo kwam hij ertoe, ernstig en toegewijd zoals ik me hem herinner, te gaan kijken hoe de wisselwerking zou uitpakken tussen de plastiek van contemplatieve beelden en het bewegen van hoge bomen in de wind. Wat laat de sierlijk, trage Sculpture flottante van Marta Pan ons bijvoorbeeld zien? De witte figuur is statig van gestalte. Het beeld drijft en draait op een vijver – gedragen dus door een egaal horizontaal vlak van glad water. Toen ik er in de buurt ging zitten, viel me op dat de knop die de twee delen draaiend verbindt, bij mij op ooghoogte kwam. De beweging van de sculptuur, plat op water, was daarom eigenaardig stabiel – alsof je, met die beweging, rondom kijkt en de lijn van een horizon volgt. Zo werden de bomen en de struiken een decor, een scherm, van groen.

Marta Pan, Sculpture flottante ‘Otterlo’, 1960-1961. Object van polyester en glasvezel, 216 x 226 x 185 cm, Kröller-Müller Museum © Foto’s Cary Markerink

De ruimte werd afgemeten als een fraai park. Maar de idee dat sculptuur mooi in het land moet passen, veranderde ingrijpend en dramatisch toen Richard Serra in 1972-1973 een geweldige sculptuur in de tuin realiseerde. Het was een vraag van directeur Rudi Oxenaar die in 1963 Hammacher was opgevolgd. Die was toen ook al met Wim Quist bezig aan een uitbreiding van het museum. Ook de tuin moest avontuurlijker worden. Inmiddels had hij in Amerika met de Minimal Art kennisgemaakt. Die was overrompelend nieuw. Dat weet ik zelf nog.

Oxenaar begreep dat de tuin nieuwe energie nodig had. Hij nodigde Serra uit, die toen 39 jaar oud was. Die keek en keek, maar wilde geen mooi stuk gazon. Serra vond een kleine komvormige vallei. Niet rond, wat scheef, oneffen, er liep een zandpad door. Hij gebruikte, zoals zijn gewoonte was, het land zoals het erbij lag. Hij plaatste drie massieve platen cortenstaal, twaalf meter lang. Alsof ze in de hellingen van zand geschoven zijn en ook alsof de platen uit het scheve volume van zand tevoorschijn komen. Ze zijn niet concentrisch geplaatst. Elk van de platen staan onwrikbaar zwaar en onverbiddelijk op de plek waar ze staan. Het is een knalharde interventie waardoor ook vorm en karakter en gewicht van het land, hoe het daar ligt, een onnavolgbaar andere aanblik krijgen. De Sculpture flottante blijft maar bewegen. Het gaat heen en weer zoals een kubistisch schilderij is geschilderd. Het werk van Serra staat muurvast in de aarde en heeft de tuin streng en gewichtig gemaakt.