Nieuwe ethische vragen

Voortschrijdende computertechnologie tart ons denken over de scheidslijn tussen mens en machine. Waar houdt de een op, waar begint de ander?

Medium 10 nieuwe ethische vragen

Het kan nog jaren duren, maar dat robots een plaatsje zullen verwerven in onze gezondheidszorg is onvermijdelijk. De carebot gaat mensenhanden vervangen, net als de drone en de huishoudbot dat nu doen. Gaan robots in plaats van verpleegsters bloed afnemen? Gaan ze het ziekenhuisbed verschonen of de billen van bejaarden wassen? Misschien zelfs opereren? We zullen het zien. Volgens filosofe Arianne Betti, verbonden aan de VU, brengt dit toekomstbeeld vragen met zich mee die we nog niet eerder hoefden beantwoorden. Ze schrijft: ‘Kunnen carebots net als mensen moreel handelen? Als een carebot schade toebrengt, wie is er dan verantwoordelijk? Welke handelingen mogen we aan een mensvervangende robot overlaten?’

Het is een spannend, nieuw vraagstuk. Voortschrijdende computertechnologie tart ons denken over de scheidslijn tussen mensen en machines. Waar houdt de een op, waar begint de ander? En blijft die grens intact, ook als kunstmatige intelligentie steeds nieuwe vorderingen maakt?

Filosofen kunnen hun hart ophalen. De digitale revolutie legt voorheen onontgonnen terrein braak. Er rijzen vragen die spelen in het hier en nu – en in het binnenkort. Dat is nog iets anders dan de zoveelste interpretatie van een klassieke denker. De antwoorden zijn van direct belang voor de samenleving. Dit geeft de filosofie een nieuwe impuls. Onze wereld wordt steeds meer door techniek aangedreven. Wat betekent dat voor ons mensbeeld? Diverse geënquêteerde filosofen vinden dit de meest interessante ontwikkeling in hun vakgebied. Vijf jaar geleden bestond Twitter nog niet, over vijf jaar staat er misschien een carebot aan je bed. Hoe kunnen mensen die revolutionaire ontwikkeling begrijpen? Hier ligt de kerntaak van de geesteswetenschappen als geheel, niet alleen van de filosofie, meent de Utrechtse ethicus Marcus Düwell. Wetenschappers moeten kennis en ideeën aanreiken, zodat mensen zich kunnen wapenen en de digitale ontwikkelingen niet hulpeloos over zich heen hoeven laten komen.

Als een carebot schade toebrengt, wie is er dan verantwoordelijk?

Jos de Mul, hoogleraar filosofie van mens en cultuur in Rotterdam, valt hem daarin bij. De hypermedia, zoals De Mul ze noemt, worden een onmisbaar onderdeel van onze kennisstructuur. Iedereen mailt, deelt, tweet – er komt ontzettend veel informatie beschikbaar, er wordt veel openbaar gemaakt. Welk effect heeft dit op ons lezen, op ons schrijven, op onze interpretaties? Op deze vragen moeten de geesteswetenschappen een antwoord zoeken, meent De Mul. Het is goed dat alfa’s zich de digitale methoden eigen maken, maar daar mag het niet bij blijven. Als ons lezen en schrijven veranderen, veranderen dan ook de menselijke identiteit en onze manier van leven? Dit soort vragen zou geesteswetenschappers moeten inspireren.

Ook wetenschapsfilosofen voelen zich aangesproken. De opmars van technologie raakt net zozeer aan hun discipline, schrijft de Amsterdamse wetenschapsfilosoof Huub Dijstelbloem. Ooit concentreerde het vakgebied zich op de natuurwetenschappen, maar de wetenschapsfilosofie heeft zich gaandeweg ontwikkeld tot een brede discipline, die de relatie bestudeert tussen wetenschap, politiek en technologie. Dus niet alleen: hoe komt kennis tot stand? Maar ook: hoe wordt die toegepast in de samenleving? Welke consequenties hebben wetenschappelijke en technologische bevindingen? Wat zijn de gevolgen voor politiek, voor organisaties en voor mensen zelf? Dijstelbloem noemt als voorbeeld de discussie rondom het klimaatrapport van het ippc. Hij schrijft: ‘Pas op grond van inzichten in actuele ontwikkelingen vallen interessante normatieve en methodologische vraagstukken te formuleren.’ De nieuwe ethische vragen rijzen dus uit de praktijk.

Ook techniekfilosoof Hans Radder, verbonden aan de VU, ziet nieuwe vragen ontstaan die hun waarde in de praktijk direct kunnen bewijzen. Technologie en bureaucratie lijken iedereen in een keurslijf te persen, schrijft hij. Wat zijn de voor- en nadelen van deze grote technologische systemen? Kunnen we een vorm bedenken die de voordelen uitvergroot en de nadelen zo klein mogelijk houdt? Radder lijkt het een prachtig onderzoeksthema. De wetenschapsfilosofie, zo schrijft hij, wordt zich steeds meer bewust van het feit dat geestelijke vermogens, zoals nadenken of waarnemen, een samenspel vormen van lichaam, geest en omgeving: ‘We zijn (gelukkig) niet ons brein.’ Daarnaast wordt de maatschappelijke relevantie een belangrijker thema in de wetenschapsfilosofie. Daardoor is er meer aandacht voor ontwikkelingen in biotechnologie of computerwetenschap en voor de vragen die hun inzichten meebrengen in de praktijk.

Aan deze vraag – wat doet de digitale revolutie met mensen – kunnen ook mediawetenschappers zich niet onttrekken, schrijft hoogleraar comparatieve mediastudies aan de uva José van Dijck. ‘Mediawetenschappers zullen zich hoe dan ook moeten bezighouden met de menselijke en culturele aspecten van de informatiesamenleving, waarin steeds meer processen automatisch gestuurd worden.’ Van Dijck noemt ‘big data’, de praktijk waarin organisaties, bedrijven en landen steeds meer gegevens van ons verzamelen en gebruiken, ook als we het zelf maar amper doorhebben. Die praktijk is niet bepaald een natuurverschijnsel, schrijft ze. ‘Essentiële onderdelen van sociale processen en de organisatie van maatschappelijke instituties worden nadrukkelijk gestuurd op basis van gegevens (profieldata, gedragsdata, uitgelokte data).’ Media- en communicatiewetenschappers zijn bij uitstek aangewezen om deze trend kritisch te bezien, meent Van Dijck. Hoe werken deze processen? En wat zijn hun onderliggende principes? Ook hier doemen ethische vragen op.

Dergelijke analyses zijn geesteswetenschappers bij uitstek toevertrouwd, meent Cornelius Hasselblatt, Gronings hoogleraar Finoegrische talen, een door bezuinigingen bedreigd vakgebied. Niet de bèta’s, zoals voormalig minister Plasterk bijvoorbeeld dacht, maar de alfa’s stonden aan de wieg van de digitale revolutie, schrijft hij: ‘De fundamentele overgang van een cultureel tijdperk naar een ander waarin we ons op dit moment bevinden – namelijk de overgang van de ijzertijd naar het digitale tijdperk – gebeurt uitsluitend op basis van de kennis en de vaardigheden van de geesteswetenschappen. Geen bèta-wetenschapper had html-taal of dergelijke dingen kunnen bedenken, daar hebben ze ons alfa’s voor nodig.’