MUZIEK

Nieuwe Heifetz

Jean Sibelius

Het aanstormende opera- en concertseizoen wordt oorverblindend. Ivan Fischer dirigeert het Koninklijk Concertgebouworkest in Parsifal, Yannick Nézet-Séguin het Rotterdams Philharmonisch in een van zijn wonderlijk poëtische Bruckners, ditmaal de Achtste. De NTR-Matinee wijdt een uitgebreide serie concerten aan de Duitse meester Wolfgang Rihm en zijn Umfeld. De bas Robert Holl zingt Brahms en Moussorgski in het Muziekgebouw, waar het Keller Kwartet tot overmaat van geluk op 3 september alle strijkkwartetten van Bartók speelt. Marc Albrecht dirigeert Elektra van Strauss. In de pijplijn: premières van grote Nederlandse componisten als Klaas de Vries, Peter Jan Wagemans, Louis Andriessen, Theo Verbey, Andries van Rossem, Jan van de Putte. Bij het Brabants Orkest: Himmelen van Klas Torstensson. Maar op de vraag naar mijn eigen hoogtepuntverwachting antwoord ik tot mijn eigen verbazing: Sibelius, Vioolconcert. Concertgebouw.
Het Vioolconcert in d Op. 47 (1904) van Jean Sibelius (1865-1957) behoort tot de repertoirestukken die je alleen je ergste vijanden zou aanbevelen. Het is logge, humorloze muziek met de loodhoudende vijftigplusvirtuositeit die treffend is vervat in Donald Tovey’s typering van de finale als een ‘polonaise voor ijsberen.’ Maar op 12 maart 2005 hoorde ik in het Berlijnse Konzerthaus uitgerekend dit stuk zoals ik het nooit had gehoord.
De voortekenen waren ongunstig. Het monstrum werd voorafgegaan door Wagners Lohengrin-voorspel, na de pauze gevolgd door Strawinsky’s Petroesjka. Een laf tourneeprogramma van het Rotterdams Philharmonisch Orkest onder leiding van Valeri Gergjev. Ik hoopte dat het snel voorbij zou zijn.
Toen kwam de violist op. Met zijn bebaarde kop en professoraal montuur oogde hij als een jonge hoogleraar in iets moeilijks aan een dure universiteit, een personage in een foutloos leven. Mijn linkeroog viel al dicht. Na de eerste maten zat ik recht overeind, door de bliksem getroffen. De muziek stond in brand. Niet dat Barrabas geen maat wist te houden. Hij begon prachtig zacht, de spanning opbouwend met ijselijke concentratie. Maar na die omtrekkende gebaren sloeg hij toe. Dat virtuozenmausoleum werd een vuurspuwende draak; hij blies het op. Na de ijsberenpolonaise brak de zaal de tent af. Ik heb staan joelen als een kind.
Dat was Leonidas Kavakos (1967), de Griekse meesterviolist die in 1991 zowel de latere als de originele, nog helsere eerste versie van dit concert op cd vastlegde met het Lahti Symfonieorkest onder Osmo Vänskä. De 24-jarige solist was ondanks een aardige conduitestaat als concourswinnaar destijds een relatief obscure naam, maar dat zou snel veranderen. Dit was zijn doorbraakstuk, het bleef haast letterlijk zijn lijfmuziek. Die hij op 16 maart 2012 onder dezelfde Gergiev in Amsterdam zal uitvoeren met het Koninklijk Concertgebouworkest. Ga. Zelfs als het half zo goed wordt als Berlijn blijft het een ervaring om nooit te vergeten. Dit is de Heifetz van de nieuwe eeuw.