Film: ‘Redbad’

Nieuwe held in oude lappen

De film Redbad van Roel Reiné is fictie, of beter nog: fantasy. Van Redbad weten wij immers evenveel als van Sindbad. Toch wordt hij gepresenteerd als een historische inspiratiebron voor moderne kwesties.

Zijn hele ethos was afgestemd op een glorieuze dood, liefst op het slagveld met het zwaard in de hand © Splendid film

Het pakje Gauloises is het symbool van het vrijgevochten denken op de Linkeroever in Parijs, in de jaren vijftig. Sartre rookte ze, Camus had ze op de lip. De naam en de gevleugelde helm op het pakje zijn echter puur nationalistische symbolen, die verwijzen naar het ‘Gallische’ verleden van Frankrijk en naar de legendarische warlord Vercingetorix, die in het jaar 52 voor Christus een leger aanvoerde dat zich keerde tegen de inlijving van centraal Frankrijk door de Romeinen. Hij werd door Julius Caesar verslagen en in Rome geëxecuteerd. IJverige lezers van het oeuvre van Asterix kennen Vercingetorix vooral uit het album Het ijzeren schild: daarin zijn hij en zijn nederlaag al tot mythe uitgegroeid.

In de negentiende eeuw wordt Vercingetorix geleidelijk heruitgevonden als een nationale figuur – geleidelijk, want Franse historici twistten over zijn betekenis. Tegen het eind van de eeuw had hij een vaste positie in de schoolboekjes verworven. In Histoire d’une famille alsacienne (1894): ‘Wij bewonderen Vercingetorix omdat wij in hem gevoelens aantreffen die vergelijkbaar zijn met de onze; omdat hij zijn land liefhad wilde hij het bevrijden van een vreemd juk; omdat hij stierf voor de onafhankelijkheid van Gallië, het land dat vandaag Frankrijk is.’ Als verzetsheld én als nobele verliezer bood hij bruikbare inspiratie. Maarschalk Pétain voerde hem op als voorbeeld van ‘zelfopoffering voor de grotere glorie van Frankrijk’, De Gaulle daarentegen als ‘de eerste verzetsstrijder van ons volk’. De symboliek was plooibaar. De naoorlogse generatie Fransen zag de Gallische held getransformeerd tot Asterix, vertegenwoordiger van een volk dat weliswaar verslagen was, maar niet overwonnen, en ‘moedig weerstand bleef bieden’. De vleugeltjes op zijn helm zijn een directe verwijzing naar de helm op de Gauloises.

In Nederland hadden wij Friso, Brinio en Claudius Civilis, maar die hebben nooit een vergelijkbare betekenis gekregen. Het historisch perspectief reikt inmiddels niet veel verder dan de zestiende eeuw; wat daarvoor gebeurde is in de mist verdwenen. Daaruit doemt nu Redbad op, een schimmige figuur, die door regisseur Roel Reiné het middelpunt is gemaakt van een zeer dure productie, een van de vijf duurste Nederlandse films ooit, met achtduizend figuranten.

Reiné heeft de ambitie kopstukken uit de Vaderlandse Geschiedenis met internationale allure in beeld te brengen. Hij maakte eerder Michiel de Ruyter en is naar verluidt bezig met de ontwikkeling van een biopic over Willem van Oranje. Daarmee wordt hij zoiets als de Isings van onze tijd. Generaties Nederlanders hebben zich vroeger in de klas suf gestaard op de schoolplaten van ‘De Vikingen bij Dorestad’ of ‘Willibrordus begint de kerstening van de Friezen’. Reiné reproduceert die gestorven verhalen met de middelen van vandaag, zij het zonder een educatief of wetenschappelijk kader.

Zijn Redbad is een derivaat: alles is schematisch en clichématig, het scenario is van gips, Vlaamse acteurs spreken een mal Engels, alle bepalende elementen zijn overgenomen uit vergelijkbare (en betere) films en series uit het quasi-historische fantasy-genre. De ronkende toespraak van Redbad over vrijheid, te paard heen en weer rijdend voor zijn troepen vlak voor de beslissende slag, is regelrecht ontleend aan Braveheart; het sombere vochtige kerkerachtige paleis van de lugubere Pippijn van Herstal is vrijwel identiek aan het sombere vochtige kerkerachtige paleis van de lugubere koning Edward in diezelfde film. In Braveheart smijt Edward zomaar de vriend van zijn zoon uit het raam, in Redbad snijdt Pippijn zomaar de vriendin van Redbads zuster de keel af. De onverwachte maansverduistering ten slotte is gejat uit Kuifje en de zonnetempel.

In de uitvoering is de film ambitieus, maar door die ambitie worden de leemtes in de visie en de capaciteiten van de schrijver en de regisseur pijnlijk uitvergroot. De montage moet heksentoeren verrichten om het allemaal aan elkaar te plakken, en de soundtrack plamuurt ten slotte alles dicht onder dikke lagen boterige klanken die niets aan de verbeelding overlaten. Ondanks zijn budget en zijn production value is Redbad dus vooral opmerkelijk fantasieloos: je hebt vrijwel alles al een keer eerder gezien.

© Splendid film

Regisseur, scenarist en producent benadrukken met klem dat Redbad niet pretendeert een historisch correcte film te zijn. Dat kan ook niet, want net als van Vercingetorix weten wij van Redbad praktisch niets. De negende-eeuwse Friezen schreven niet. Alles wat er over hem bekend is, is opgetekend door zijn tegenstanders. De biografen van Willibrord en andere predikers zetten het kwaadaardig heidendom van de Friezen extra duister aan, om de heiligheid van hun hoofdpersonen te verhogen; de chroniqueurs van de Karolingische vorsten waren vooral bezig met het onderbouwen van de legitimiteit van hun dynastie, die immers door een staatsgreep op de troon gekomen was.

De feiten zijn schaars. De spil van de geschiedenis is Dorestad, de havenplaats vlak bij Wijk bij Duurstede. Via de stapelmarkt daar had het Oost-Frankische Rijk toegang tot de lucratieve handel in het Noordzeegebied, en andersom. Het West-Frankische Rijk had meer verbindingen naar zee, en een belangrijke markt in Domburg, maar voor de Oost-Franken was Dorestad een cruciale post. Vandaar dat de Oost-Frankische hofmeier (eerste minister) Pippijn van Herstal ergens tussen 688 en 695 de stad inneemt en het lokale stamhoofd, ene Redbad, verdrijft.

Redbad is een oer-Hollandse schipperaar voor wie moraal, geloof of ideologie geen werkelijke betekenis heeft

Deze Fries zou hebben geheerst over een gebied dat ruwweg Texel, Noord- en Zuid-Holland en het westelijk deel van Utrecht omvatte, niet het huidige Friesland. Redbad accepteert met enig tegenstribbelen het Frankische gezag. Hij sluit in 712 een voordelig huwelijk: zijn dochter Theudesinda trouwt met Pippijns beoogde opvolger, Grimoald. Na de dood van Pippijn en Grimoald wisselt Redbad van kamp. Hij schaart zich onder de West-Franken en herovert Dorestad, maar Pippijns opvolger Karel Martel trekt aan het langste eind. Hij wordt heerser over Oost en West. Redbad sterft in 719; Martel lijft daarna heel Holland en Utrecht bij het Frankische Rijk in.

Van de historische Redbad kan dus worden gezegd dat hij een strijdbaar clanhoofd moet zijn geweest, en een opportunist. Als vazal van de Franken behield hij het meeste van zijn territorium en zijn positie in het handelsnetwerk. Deel van de overeenkomst was wel dat hij christelijke predikers in zijn gebied moest toelaten.

Het is een open vraag of hij zich door hen ook heeft laten bekeren. In de film is de worsteling met het nieuwe geloof een belangrijke motor voor Redbads ‘ontwikkeling’. Dat leidt tot een scène die direct ontleend is aan een van de kronieken. Daarin wordt gemeld dat Redbad bereid was gedoopt te worden, maar op het moment suprême weigerde, toen de priester hem duidelijk maakte dat hij in de christelijke hemel zijn heidense voorouders en strijdmakkers niet zou terugzien. Redbad koos voor de zekerheid van het Walhalla. Die legende wijst vooral op een dieper beleefde betekenis van wat het betekende, stamhoofd en krijger te zijn. Zijn hele ethos was afgestemd op een glorieuze dood, liefst op het slagveld met het zwaard in de hand.

Dat doopverhaal is een schoolvoorbeeld van geschiedschrijving door de vijand. Het is de vraag of bekering in werkelijkheid echt zo’n probleem was. De Noorse Saga van de Groenlanders (Grœnlandinga Saga) vertelt een vrijwel identiek verhaal over Erik de Rode. Als het christendom rond het jaar 1000 naar Groenland komt, houdt hij koppig vast aan zijn oude geloof, maar zijn vrouw bekeert zich. Tot zijn grote ergernis weigert zij hem vervolgens toegang tot haar bed: ‘Thjodhild wilde niet meer met Erik slapen, nadat ze zich had bekeerd, en dat was zeer tegen zijn zin.’ De overgang die hier met karikaturale wreedheden gepaard gaat kan dus in werkelijkheid geleidelijk en soepel zijn gegaan; in het dagelijks leven konden heidense rituelen nog eeuwenlang voortleven. In de paasvuren van Twente en de verering van Sinterklaas bestaan ze tot op de dag van vandaag.

Dat een man als Redbad zich conformeerde ligt dus meer voor de hand dan dat hij zich tot het bittere eind vastbeet in oude waarden. Nederlandse bedrijven die in Dubai of Saoedi-Arabië werken schikken zich doorgaans buitengewoon soepel naar de regels van de lokale despoten; net zo zal Redbad hebben bedacht dat een uiterlijk conformeren aan christelijke rituelen kansen bood voor zijn handel over de Rijn en de Maas. In die Frankische context kon Redbad bovendien zijn status en zijn bezit bestendigen door huwelijken en beter georganiseerd erfrecht; hij kreeg ook toegang tot een netwerk van bisdommen, kloosters en parochies, die een aanzienlijke wereldlijke macht vertegenwoordigden. Overigens was dat vroege Frankische christendom nog lang niet wat het later werd: er was, bijvoorbeeld, nog geen sanctie op veelwijverij (Pippijn had meerdere vrouwen) en de kerk speelde nog geen rol bij het aangaan van huwelijken. Dat waren vooral zakelijke contracten, bedoeld om allianties te vestigen en bezit te behouden.

In de schematische tegenstelling tussen de ‘vrije’ Friezen en de ‘totalitaire’ Frankische christenen lijken de makers van de film echter ‘belangrijke gevoelens die vergelijkbaar zijn met de onze’ te presenteren en dan, net als bij Vercingetorix, op basis van vrijwel niets. Zij laten Redbad zijn troepen toeroepen dat zij als vrije mensen zelf wel uitmaken wat ze willen geloven, en dat het geloof in zichzelf niet ter zake doet: ‘Het gaat erom wat je ermee doet.’

De producent, Klaas de Jonge, maakte zelfs in interviews de vergelijking met de grote bedreiging van ‘het toelaten van mensen met een vreemd geloof’ voor de ‘vrije’ samenleving. Daar begint de film een tikje te stinken, vind ik, maar vooral omdat de makers getuigen van een wel zeer oppervlakkig idee over de betekenis van geloof voor individuele mensen en voor politieke structuren. In die zin is Redbad niet een portret van een standvastig leider met ferme ideeën over onafhankelijkheid en vrijheid, maar van een oer-Hollandse schipperaar, die uit economische en politieke motieven tijdig de bordjes verhangt en voor wie moraal, geloof of ideologie geen werkelijke betekenis heeft. Waarmee de film, geheel onbedoeld misschien, toch een snaar raakt.

Ten slotte moet er nog één historisch verantwoorde opmerking gemaakt worden, iets waar de film volkomen blind voor is: die dappere ‘vrije’ Friezen verdienden hun geld vooral met de handel in slaven.


Redbad draait nu in de bioscoop