Nieuwe kansen door azië-crisis

‘NIET MEER DAN enkele kleine hobbeltjes op de weg’ was volgens de Noord-Amerikaanse president Clinton de impact op de wereldeconomie van de ineenstorting van de Aziatische tijgers. Dat was vorig jaar november. Inmiddels woedt deze regionale crisis al meer dan een jaar voort en wordt steeds duidelijker dat westerse regeringen, het IMF en de Oeso de mondiale gevolgen ernstig hebben onderschat. Op de beurzen begint dat inmiddels door te dringen, omdat veel ondernemingen in de Verenigde Staten en Europa mede door ‘de Aziatische griep’ tegenvallende kwartaalcijfers publiceren. Op de financiële markten hebben handelaren en speculanten de lagere beurs- en valutakoersen in Japan, Indonesië en Korea aangegrepen voor aanvallen op aandelen en munten in andere landen, van Pakistan, India, Chili, Brazilië en Mexico tot Zuid-Afrika, Australië, Nieuw-Zeeland, Estland en Rusland. En internationale organisaties scheren regelmatig de nodige procentpunten van hun groeiprognoses voor de wereldeconomie af.

Het IMF heeft de Azië-crisis met beide handen aangegrepen als een gouden kans om te bewijzen dat zij in de geglobaliseerde wereldeconomie onmisbaar is. Omvangrijke steunprogramma’s voor in totaal ruim 100 miljard dollar zijn op poten gezet. En omdat het IMF zelf 35,5 miljard dollar bijdraagt is de bodem van de IMF-kas nu in zicht. Michel Camdessus, directeur van het Fonds, heeft daarom alarm geslagen: bij nieuwe crises kan het IMF niet meer financieel bijspringen, dus er moet meer geld komen. De meeste IMF-lidstaten gaan akkoord met een extra kapitaalinjectie, maar de Verenigde Staten, met 18 procent van de aandelen en stemmen het belangrijkste lid, komen tot nog toe niet over de brug, en in het Congres is veel oppositie tegen een nieuwe dotatie. De Amerikaanse regering en Fed-president Alan Greenspan proberen uit alle macht onwillige afgevaardigden tot extra geld voor het IMF te bewegen en wijzen daarbij met name op de sleutelrol die het IMF speelt in het bezweren van de Azië-crisis.
Over financiële steun van het IMF moeten de ontvangende landen altijd een flinke rente betalen. En ook anderszins is deze hulp allerminst kosteloos. Het Fonds eist van regeringen van crisislanden niet alleen dat de buikriem wordt aangehaald, maar tevens dat het handelsbeleid en kapitaalverkeer verdergaand worden gedereguleerd en geliberaliseerd. Westerse bedrijven en banken op overnamejacht kunnen zodoende makkelijker shoppen in de crisislanden, terwijl internationaal kapitaal zonder noemenswaardige belemmeringen landen in en uit kan stromen op zoek naar zo hoog mogelijke rendementen. Volgens Fed-president Greenspan is deze hedendaagse vorm van kolonialisme gerechtvaardigd, omdat de crisis in Azië laat zien dat er geen alternatief is voor ‘de westerse vorm van vrije-marktkapitalisme’. En superspeculant George Soros behoort tot degenen die van mening zijn dat Aziaten zelf niet in staat zijn ondernemingen te leiden, getuige zijn advies aan de Koreaanse regering om 'buitenlandse bedrijven uit te nodigen binnen te komen en investeerder en eigenaar te worden van Koreaanse ondernemingen’.
MAAR VAN VEEL kanten is ook kritiek geuit op de IMF-recepten, en de discussie over alternatieven voor de huidige aanpak breidt zich uit. Azië kampt allang niet meer uitsluitend met een schuldencrisis, maar met een complete ontwikkelingscrisis, meent bijvoorbeeld Azië-kenner Robert Wade, professor aan de Brown University en onderzoeker bij de Russell Sage Foundation in New York: 'Vele miljoenen arme mensen worden getroffen, en vele miljoenen die zeker waren van hun middenklasse-status voelen zich beroofd van hun spaargeld en zekerheid. Het is geen menselijk drama op de schaal van Noord-Korea, maar het verlies van zekerheid en productiviteit is desalniettemin een tragedie die bijna zo wreed is als oorlog.’
Wade, die zich ten zeerste verbaast over de passieve acceptatie van de IMF-voorschriften door de regeringen van de crisislanden, publiceerde artikelen waarin hij de hoofdlijnen voor een mogelijke alternatieve strategie schetst. Als gevolg van het tot nu toe gevoerde beleid, is zijn startpunt, zijn de crisislanden terechtgekomen in een situatie van 'schuldendeflatie’. Net als tijdens de Grote Depressie eerder deze eeuw is in de Aziatische crisislanden sprake van een algemene neerwaartse druk op de prijzen van producten en waardepapieren, terwijl ook de investeringsvraag daalt. Het resultaat is dat de reële waarde van schulden stijgt. De IMF-programma’s sluiten het stimuleren van een beetje inflatie ter vermindering van die schuldenlast uit. Maar als de landen in de regio de handen ineenslaan kunnen zij samen een hardere opstelling kiezen in de onderhandelingen met internationale banken en het IMF over de herstructurering van schulden. Tegelijkertijd zouden de crisislanden opnieuw controle op grensoverschrijdend kapitaal moeten instellen. Door vervolgens kapitaal naar exportindustrieën te leiden kan gebruik worden gemaakt van de sterk gedaalde wisselkoersen om de uitvoer een nieuwe impuls te geven. De winst die daarmee behaald wordt zou gebruikt kunnen worden om de binnenlandse vraag te stimuleren, waardoor ook de inflatieverwachtingen zullen toenemen. Zonder koersverandering zullen de problemen in Azië alleen maar groter worden, voorziet Wade: 'Totdat de Aziatische regeringen ertoe overgaan de rente te verlagen, korte-termijn kapitaalbewegingen te controleren en regionaal samen te werken zal de crisis doordruppelen als een watermarteling, armoede en onzekerheid brengend voor honderden miljoenen mensen en delen van Azië afhankelijk makend van het IMF en haar belangrijkste aandeelhouder.’
ALTERNATIEVEN worden ook uitgewerkt in de regio zelf. Vanuit de arbeidersbeweging, de milieubeweging en academici klinkt de roep om een scherpere breuk met zowel het in crisis geraakte staatsgeleide oude systeem als de 'onzichtbare hand’ van het door het IMF gerepresenteerde vrije-marktkapitalisme. Walden Bello, co-directeur van Focus of the Global South in Bangkok en socioloog aan de Universiteit van de Filippijnen, was een van de deelnemers aan een conferentie die het Pacific-Asia Resource Centre op 15 mei in Tokio organiseerde over progressieve alternatieven voor de Aziatische crisis. Hij constateert dat in verschillende landen en bewegingen een alternatieve agenda vorm begint te krijgen voor een 'onderhandelde en selectieve integratie in de globale economie’. De hoofdlijnen van zo'n alternatieve aanpak staan haaks op de IMF-geloofsartikelen, want dat betekent dat opnieuw controle op kapitaalverkeer wordt ingesteld en dat prioriteit wordt gegeven aan het stimuleren van de binnenlandse ontwikkeling in plaats van de exportsector.
Daarnaast wordt de introductie van een progressief belastingstelsel als essentieel gezien, want 'een van de belangrijkste redenen voor de grote afhankelijkheid van buitenlands kapitaal was dat de elites in Zuidoost-Azië zichzelf niet fiscaal wilden belasten om het voor investeringen noodzakelijke kapitaal bijeen te brengen’. Omdat zij niet terug willen naar het systeem van vóór de crisis pleiten progressieve Aziaten tevens voor nieuwe vormen van economische democratie, waarin de bevolking zelf over de hoofdlijnen van de economische ontwikkeling beslist.
Volgens Bello moeten dergelijke ideeën nog meer aaneengesmeed worden tot een coherente strategie, maar moet de kans dat een massabeweging ontstaat om zo'n programma ten uitvoer te brengen niet worden onderschat. Zoals Soeharto in Indonesië aan den lijve heeft ondervonden, heeft de economische crisis de legitimiteit van de regionale elites ernstig ondermijnd. Ook in landen als Korea en Thailand ontstaan daardoor nieuwe kansen voor progressieve bewegingen om hun ideeën voor economische en politieke veranderingen in effectieve strategieën te vertalen.