Gerrit Komrij

Nieuwe kleren

Gerrit Komrij, De klopgeest

Uitg. De Bezige Bij, 239 blz., ƒ39,90

Met heimwee las ik de nieuwe roman van Gerrit Komrij, De klopgeest, die zich afspeelt in Amsterdam rond de vorige eeuwwisseling. Het was geen verlangen naar de tijden die de auteur oproept, maar naar auteurs vóór hem die daarin onvergelijkbaar beter slaagden. Waren Het zesde bedrijf (1999) van P.F. Thomése, Publieke werken (1999) van Thomas Roosenboom en het kleinere De aanstoot (2000) van Gijs IJlander voorbeelden van moderne historische-romanschrijfkunst waarin de tijdloosheid van menselijk streven en sneven des te scherper reliëf krijgt in een historisch decor, Komrij brengt de historische roman terug naar opoe’s kast waarin de zelfgehaakte tafelkleedjes opgetast liggen en waar het ruikt naar de onvermijdelijke mottenballen.

Het grootste deel van de handeling in deze roman wordt bepaald door de wandelingen die hoofdpersonage Hector onderneemt door het uitdijende Amsterdam. Zo kan de schrijver zijn personage al kuierend lekker laten mijmeren over wat hij ziet en wat hij denkt. «De mensen moeten hier vast allemaal heel gezond zijn.» Ter wille van de variatie laat hij hem af en toe in gesprek zijn met een medewandelaar, kameraad George in dit geval. Hector is de decadente van de twee, een dandy-achtige figuur, zelf woonachtig in een achenebbisj buurt en des te meer geïntrigeerd door de rijke stinkerds in de nieuwe wijk achter het Concertgebouw. Hij komt die villa’s binnen door zich uit te geven als medium en spiritistische seances te leiden. George is vervuld van een andere wereld buiten de direct omringende, namelijk die van de socialistische heilstaat.

Alsof hij geschiedenislessen aan het opleuken is, zo schetst Komrij het Amsterdam van eind negentiende eeuw. Dat hij zoiets als een sfeertekening zou geven, is te veel gezegd. «We zijn op de Dam. (…) Naatje staat nog altijd trouw op haar hoge zuil naar het Paleis te kijken. De Nieuwe Kerk baadt in de zon. Het is vrij druk op het plein. Naar alle richtingen lopen de mensen, de dames met hun parasollen, de dienstboden met hun schorten voor, de mannen met de handkarren. De paardentram komt maar traag vooruit. Op de hoek van de Nieuwendijk wacht een vigilante. De klok van de kiosk staat stil.»

De conversaties tussen Hector en George hebben een al even obligaat karakter. Simon Carmiggelt goes Martin Bril, daar lijkt het nog het meest op. «Het moet een vreemd gezicht zijn twee vrienden te zien lopen die uiterlijk zo verschillend zijn. George in zijn oude plunje en ik die er altijd naar streef er zo kreukvrij mogelijk uit te zien. Het sociale vraagstuk blijft zijn hoofdonderwerp en de naar een verontwaardigde conclusie toe groeiende monoloog zijn lievelingsbezigheid. Soms richt hij zich ook rechtstreeks tot mij. (…) ‹Geloof jij in iets?› Zulke vragen. Hij had net zo goed kunnen informeren of ik wel eens uit hengelen ga en of ik regelmatig genoeg het badhuis bezoek. Die toon.» Let wel: in het boek begint bijna iedere zin als een nieuwe alinea, een procédé dat ook de meest onbenullige tweewoordige zinnetjes opzadelt met het gewicht van aforismen.

Vond de schrijver zijn onderneming zelf ook een beetje al te dunnig blijven? Feit is dat hij her en der lappen citaat uit primaire bronnen opneemt, zoals pamfletten en leerboekjes. Dat hij die stukken op een noodzakelijke manier inlast, zou te veel gezegd zijn. Het kwetsbare zweempje vaart dat in de vertelling zat, wordt met behulp van deze looiige hoofdstukjes in elk geval rigoureus om zeep geholpen.

Een enkele keer vonkt te midden van alle futloosheid een zinsnede op die een aardige gedachte verraadt. «Dat hele samenstel van kwaaie, half kwaaie, licht kwaaie, plotseling opwellende, flauwe, verontwaardigde en half verontwaardigde emoties van mensen leidt tot niets.» Of over het begoochelende begin van vriendschappen: «Je bent in elkaar verstrengeld en denkt dat je van elkaar eet. (…) Maar dan komt onvermijdelijk het moment dat je beseft dat je voor jezelf eet.» Rondom dergelijke bespiegelingen had voor hetzelfde geld echter ook een totaal ander verhaal verteld kunnen worden, dat zich in totaal andere tijden zou afspelen. Iedere noodzaak tot het uitdiepen van juist déze geschiedenis lijkt te ontbreken.

Hoewel Komrij vertelt vanuit het ik-perspectief blijft Hector een houten klaas, gevangen in boekentaal, zozeer dat je je begint af te vragen tegen wie hij het eigenlijk heeft. Zijn conflict met George, en hun veranderende vriendschap, komt op geen enkele manier tot leven, noch tot enige dramatische spanning. En echt knisperen wil het proza ook maar niet. Alsof je Kruimeltje aan het lezen bent en je moet behelpen met de decorbeschrijvingen. Dat laatste is toch wel het vreemdste aan deze roman, geschreven door iemand die kan uitblinken in precies en sardonisch taalgebruik. Misschien wekt de naam van de schrijver al te grote verwachtingen. Dit mes snijdt echter ook aan de andere kant: noblesse oblige, nietwaar? «En ben ik niet ook zelf vaak een windvaan die zich richt naar de sterkste wind?» vraagt Hector zich tegen het einde van De klopgeest af. Komrij’s roman lijkt vooral een geval van keizerlijk bedrog.