Nieuwe onderzoeksgebieden

De wetenschap krijgt eindelijk oog voor de veranderende beleving van cultuur. Dit leidt tot interessante nieuwe perspectieven.

Medium 4 populaire cultuur

Als de geestelijke wereld van mensen verandert, veranderen de geesteswetenschappen dan mee? Wel degelijk, zo blijkt uit de bijdragen. Met aanstekelijk enthousiasme beschrijven uiteenlopende wetenschappers nieuwe onderzoeksterreinen die groeien op basis van veranderend publieksgedrag.

Neem religieuze beleving. Terwijl de kerken leegliepen, is de belangstelling voor esoterie en New Age enkel toegenomen. De wetenschap krijgt daar eindelijk oog voor, schrijft een vrolijke Wouter Hanegraaff, hoogleraar filosofie aan de UvA. Nog niet zo lang geleden werden wetenschappers die zich in esoterie verdiepten ronduit verdacht van occulte – en derhalve onwetenschappelijke – sympathieën. Maar mede dankzij een pioniersrol van zijn capaciteitsgroep, schrijft Hanegraaff, is er nu een internationaal netwerk actief van professionele onderzoekers. Aan thema’s geen gebrek. ‘Er valt binnen de humaniora nauwelijks een terrein te vinden waarvan het bronnenmateriaal zo lang en systematisch is verwaarloosd.’ Hanegraaff ziet voor zijn vakgroep een zonnige toekomst tegemoet, vol onderzoek dat nieuw perspectief kan bieden op onze cultuur.

Dat geldt ook voor Odile Heynders, hoogleraar vergelijkende literatuurwetenschap in Tilburg. ‘We zijn steeds meer geïnteresseerd in een heel brede opvatting van literatuur en werken niet meer met een definitie van het autonome, in zichzelf besloten kunstwerk.’ Literatuur, meent zij, behelst meer: ze loopt van new journalism via essayistiek tot aan poëzie. En niet alleen wetenschappers kijken breder, ook schrijvers zelf rekken hun domein op, meent Heynders. Ze noemt Congo van David van Reybrouck of HHhH van Laurent Binet als voorbeeld. Deze boeken nodigen je als het ware uit om vanuit de fictie naar de werkelijkheid te stappen.

‘Hoe leerzaam het werk van de Nobelprijswinnaars ook, mensen lezen vaker King, Brown of Rowling’

Dat de belangstelling voor fictie anders dan de klassieke literatuur toeneemt, staat buiten kijf. Evert Jan van Leeuwen, universitair docent Engelse taal en cultuur in Leiden, beschrijft de enorme populariteit van sciencefiction, fantasy en horror in de Engelstalige cultuur. ‘Een schrijver als Stephen King heeft in de laatste vier decennia zo’n driehonderd miljoen boeken verkocht. Hoe prachtig en leerzaam het werk van de Nobelprijswinnaars ook, veel meer mensen lezen vaker en met meer aandacht het werk van King, Brown of Rowling.’ Het ligt voor de hand, meent Van Leeuwen, dat laatstgenoemde schrijvers meer invloed uitoefenen op de gedachten en de identiteit van een groot publiek dan auteurs die we tot de grote literatuur rekenen. Daarmee lijkt geesteswetenschappelijk onderzoek naar deze trend ruimschoots gerechtvaardigd.

Maar Van Leeuwen brengt nog een tweede interessante ontwikkeling aan. Fans van populaire auteurs leggen steeds meer gewicht in de schaal. In de woorden van Van Leeuwen: ‘De relatie tussen de tekst en de consument staat (weer) centraal.’ Hij voert de populaire auteur Neil Gaiman aan, die op een congres beweerde dat geen enkele lezer ooit hetzelfde boek leest, of zich het verhaal herinnert zoals de schrijver dat op papier heeft gezet. De lezer speelt een actieve rol in het maken en in leven houden van verhalen, aldus Gaiman, die claimt dat hij vooral contouren schetst van een verhaal dat de lezer zelf inkleurt. Volgens Van Leeuwen is dit een revolutionair inzicht in de geesteswetenschap. ‘Hoe meer literatuuronderzoekers zich zullen gaan richten op het feit dat verhalen tot stand komen en blijven bestaan in de intieme relatie tussen de tekst en de lezer, hoe meer zij methodes en technieken zullen gaan uitwisselen en samenwerkingsverbanden zullen gaan leggen met andere vakgebieden waarin onderzoek naar de ervaringswereld van de mens centraal staat.’

Van Leeuwen zal daarbij de Utrechtse hoogleraar moderne Nederlandse literatuurwetenschap Geert Buelens zeker aan zijn zijde vinden. Buelens noemt als belangrijke vraag in zijn vakgebied ‘hoe literatuur concreet functioneert in de dagelijkse levens van mensen’. Traditioneel letten onderzoekers vooral op de ontvangst van boeken door recensenten, met soms een praktisch lezersonderzoek ernaast. Maar de grote hoeveelheid spontane lezersreacties op bijvoorbeeld imdb of Amazon kan bij de beoordeling van werken niet langer buiten beschouwing blijven. Het leidt tot een nieuwe vorm van lezersonderzoek, zegt Buelens, dat niet alleen de canon democratiseert maar vooral onze kennis vergroot over het concrete belang dat literatuur voor mensen vertegenwoordigt.

Het is misschien wennen voor geesteswetenschappers, maar juist de informatierevolutie en bijbehorende digitalisering brengen nieuwe bronnen met zich mee, zo betogen diverse onderzoekers. José van Dijck, hoogleraar media en cultuur aan de UvA, meent bijvoorbeeld dat alfa’s zich hoognodig moeten verdiepen in de technologische en economische principes die aan de digitale revolutie ten grondslag liggen. ‘Anders is het moeilijk de complexe werking van deze media te doorgronden’, schrijft ze. Antal van den Bosch wijst op de acht miljoen tweets die Nederlanders dagelijks de wereld in sturen, dat een enorm weefwerk van draden en knooppunten ter bestudering oplevert.

Ook de modestudies zijn een mooi voorbeeld van een verruiming van welke onderwerpen de wetenschappelijke blik waardig zijn. Anneke Smelik, hoogleraar visuele cultuur aan de Radboud Universiteit, roemt mode ‘als dynamische uiting van het “nu”, het actuele bij uitstek’. Ze somt tien aspecten op die een vak als modestudies relevant maken. Dat loopt van de democratisering van de identiteit (je drukt jezelf uit in je kleding), via het belang van cultureel erfgoed (nationale kledingstijlen) tot technologie, met als voorbeeld wearable technology, de integratie van technologie in kleding. Het vakgebied, zo schrijft ze, bestaat al ruimschoots in het buitenland, maar moet in Nederland nog opkomen. Daarbij hindert de strikte scheiding tussen hbo (kunst/mode/filmacademies) en de universiteit. Ze bepleit een nauwere samenwerking tussen theorie en praktijk; dat is niet alleen vruchtbaar, het is noodzakelijk, stelt Smelik. Juist met applied humanities kunnen de geesteswetenschappen zich volgens haar bevrijden van ‘ingegroeide arrogantie en wereldvreemdheid’.