Commentaar: Nieuwe politiek (10)

Nieuwe politiek (10)

Wie dacht dat politieke vernieuwing een exclusief terrein van de Lijst Pim Fortuyn is, heeft het mis. Haast alle «gevestigde partijen» hebben zich inmiddels in de gebruikelijke zaaltjes in het land beziggehouden met bijstelling van het apparaat om de partij klaar te stomen voor de nieuwe politiek. In alle mogelijke bewoordingen wordt de interne partijdemocratie ter discussie gesteld. Er wordt nagedacht hoe niet-leden in het tijdperk van afkalvende interesse in partijpolitiek toch inspraak kunnen krijgen in het reilen en zeilen van de partij. De burger wil eigenlijk geen logge partij, redeneren de bonzen, de burger wil een dynamische «beweging». Liefst met «een stukje interactief contact».

De VVD heeft het nooit zo begrepen op politieke vernieuwing. Referenda, gekozen burgemeesters en districtenstelsels — het is allemaal niets voor de liberalen. En hoewel een flink deel van de partij nog lang niet bekomen is van de verkiezingsnederlaag van 15 mei, is na de geslaagde kabinetsformatie de aanvankelijke animo om de partij ingrijpend te hervormen volgens ingewijden aanzienlijk geslonken.

Buiten de eigen partijorganisatie om, lijkt de VVD niettemin kampioen politieke vernieuwing. In de eerst plaats is dat te danken aan partijleider Gerrit Zalm, die de verleiding kon weerstaan zitting te nemen in het kabinet en als fractievoorzitter in de Tweede Kamer het door velen vurig verlangde dualisme à la Bolkestein scherp weet vorm te geven. Zalm sloot zich in het debat over de regeringsverklaring niet aan bij zijn collega’s Verhagen (CDA) en Herben (LPF) die louter loftuitingen voor het nieuwe kabinet hadden. (Verhagen: «Minder ellende met Balkenende.») Zalm liet in het eerste serieuze debat al zien dat een onomstreden politiek leider als hij beter in het parlement kan zitten dan in een kabinet.

Los van het optreden van Zalm en los van «de vierde VVD-minister» in het kabinet (LPF’er Roelf de Boer, die zijn VVD-lidmaatschap weigerde op te geven), baarden de liberalen ook nog opzien met een derde noviteit. Met de keuze van de kamerfractie voor Jozias van Aartsen als woordvoerder Buitenlandse Zaken is de ongeschreven regel dat ex-bewinds lieden zich niet direct na hun ministerschap met de kritische controle van hun voormalige departement mogen bezighouden bruusk overboord gegooid. Dit zou kunnen getuigen van diepgewortelde regentenpolitiek (niet alle partijen zijn immers begenadigd met ex-bewindslieden in de fractie) en het risico bestaat dat ex-ministers de naïviteit van een regulier kamerlid ontberen en als kamerlid te invoelend zijn voor blunderende ministers die ze moeten controleren. Anderzijds is het plezierig als de uitgesproken deskundige wordt ingezet op zijn eigen terrein. Van Aartsens opvolger op het departement, Jaap de Hoop Scheffer (CDA), kan zich in elk geval voorbereiden op gedegen duale oppositie.

Maar de tentakels van de nieuwe politieke blijken zich niet te beperken tot het partijpolitieke landschap. Ze reiken zelfs tot de sociale partners, of meer specifiek: tot werkgeversorganisatie VNO-NCW. Juist nu de Limburgse VVD’er Geert Wilders herbenoemd is als lid van de Tweede Kamer, zegde werkgeversvoorzitter Jacques Schraven afgelopen maandag de vakbeweging de wacht aan bij de onderhandelingen over collectieve arbeidsovereenkomsten. Schraven becijferde dat de werknemersorganisaties een steeds geringer deel van de werkvloer vertegenwoordigen en dat daarom veel beter met ondernemingsraden in bedrijven een pasklare CAO kan worden afgesloten.

Geert Wilders had zich zijn terugkeer naar het Binnenhof niet mooier kunnen voorstellen: nog maar een jaar geleden schreef hij op de opiniepagina van een van de dagbladen zijn ingezonden artikel «Stop de vakbondsmacht», met woorden van gelijke strekking. Andermaal een steuntje in de rug voor de toch al gloriërende liberalen.