H.J.A. Hofland

NIEUWE POLITIEKE CORRECTHEID

«Moslimwereld schudt westers politiek juk af», las ik in NRC Handelsblad van 9 februari. Het is de kop boven een artikel geschreven door Rami G. Khouri, commentator van de in het Engels verschijnende Libanese krant Daily Star. Een in kalme stijl geschreven beschouwing over het wereldrumoer om de Deense spotprenten waarin de Arabische kant van de zaak wordt uitgelegd, of het verstikkende Arabische probleem. De heftige reacties, schrijft Khouri, zijn een bevestiging van het feit dat de islamitische identiteit de dominante vorm van zelfbewustzijn is in samenlevingen waarvan burgers ernstige bezwaren hebben tegen de kwaliteit van hun politieke bestel en tegen het westerse en Israëlische beleid.

Dat zijn drie problemen. Het eerste is het intern Arabische: dat van de plaatselijke dictaturen, de corruptie, de achterstand in vergelijking tot een wereld die beheerst wordt door de «moderniteit». Het tweede gaat over de betrekkingen tussen de Arabische wereld en de anderen, in de ruimste zin. Het derde probleem is dat van ons in het Westen: de vraag wat wij kunnen doen om de oplossing van een en ander te vergemakkelijken. En daarbij, dat verzeker ik bij voorbaat, torn ik niet aan onze heilige vrijheid van meningsuiting. We hebben onze Tachtigjarige Oorlog niet voor niets gevochten.

Dat «wij», het Westen, de Amerikanen ter wille van onze eigen democratie gepacteerd hebben met de grofste dictaturen (Pinochet, Franco), overjarige theocratieën (Saoedi-Arabië) en de meest overtuigde fundamentalisten, (de Taliban toen die tegen de Sovjet-Unie vochten), beschouwen we als geschiedenis. Daar hebben we het niet meer over. Dit is een politiek vraagstuk van het hier en nu.

We vergissen ons, schrijft Khouri, als we het beschouwen als een botsing van culturen. «Het is een nieuwe vorm van de koloniale strijd die de betrekkingen in de negentiende eeuw bepaalden. Het verschil is dat ditmaal de inboorlingen in het Zuiden niet hulpeloos staan tegenover het Westen met zijn grote kanonnen, zijn neerbuigende praat en zijn beledigende spotprenten. (…) De boodschap uit het hart van de islamitisch-Arabische wereld is dat de negentiende eeuw officieel ten einde is.»

In het Midden-Oosten voltrekt zich een dubbele politieke revolutie met een godsdienstige identiteit. Daarbij gaat het zowel om de overheersende aanwezigheid van het Westen als om de modernisering van het binnenlandse politieke bestel. Die beweging is al langer dan de afgelopen paar jaar aan de gang. In 1951 nationaliseerde de Iraanse premier Mossadeq de olie-industrie. Een paar jaar later werd hij via een staatsgreep door de pro-westerse sjah vervangen en werd de nationalisatie ongedaan gemaakt. In 1956 nationaliseerde president Nasser het Suezkanaal, met luchtlandingen van Britse en Franse strijdkrachten als gevolg. In 1979 deed ayatollah Khomeini zijn staatsgreep in Te heran. Daarop volgde de lange gijzeling van de Amerikaanse ambassade. Het zijn maar een paar hoogtepunten uit het durende conflict met het Westen.

De aanval van 11 september is een wezenlijke verandering, in zoverre dat daarmee het conflict op Amerikaanse bodem is gebracht. Vanzelfsprekend en onvermijdelijk komt dan de tegenaanval. We zullen het front naar de vijand brengen, zei president Bush. Dat is niets nieuws, want uitsluitend daar heeft het front al een halve eeuw gelegen. De Amerikaanse regering ontwikkelt een plan om de hele regio via de democratisering van Irak tot het niveau van de eigen politieke beschaving te verheffen. Het resultaat is dat Irak in een halve puinhoop wordt verbouwd, terwijl andere landen in de regio verder radicaliseren. Hamas, dat Israël van de kaart wil vegen, wint de democratische verkiezingen. In Iran ontkent president Ahmadinejad de holocaust, terwijl het Westen hem ervan verdenkt dat hij aan een kernwapen werkt. Minister Rumsfeld verklaart dat dit desnoods met geweld moet worden verhinderd. Hoe? Is dat geloofwaardig, terwijl Amerika niet weet hoe het zich uit het Iraakse probleem moet bevrijden, terwijl in Afghanistan de Taliban weer overeind krabbelen?

Dan komen we plotseling terecht in het wereldconflict over de Deense spotprenten. Ambassades en vlaggen worden in brand gestoken, een Franse hoofdredacteur wordt ontslagen, moslims bidden op de Dam. In het Westen krijgen uiteenlopende exegeten van de vrijheid van meningsuiting het met elkaar aan de stok. Hier wordt een nieuwe politieke correctheid gevestigd. Als je niet bereid bent de vijand met al je scheldwoorden en vervloekingen te bedelen, heb je jezelf als lafaard ontmaskerd, een nieuwe Chamberlain. Omdat ik tot een generatie behoor die een onderscheid maakt tussen plat en duidelijk, citeer ik deze nieuwe dapperen niet. Van mij zullen ze geen hinder ondervinden, al schelden ze tot, zoals W.F. Hermans het heeft uitgedrukt, hun longen op hun overhemd hangen.

Ik geloof dat de vrijheid van meningsuiting niet wordt bedreigd. Maar er is een andere vraag. Is het productief om er zo hartstochtelijk gebruik van te maken dat je een vraagstuk van minstens even groot belang niet eens meer ziet? In het betoog van Khouri wordt het humorconflict in ruimer verband gezet. Bij hem gaat het om de verhouding tussen het Midden-Oosten en het Westen, die hij beschrijft als koloniaal. In deze zich verder ontwikkelende krachtmeting gaat het niet goed aan onze kant, terwijl het niet duidelijk is hoe we het beter zouden kunnen doen. De voor de hand liggende vraag is dan of er iets aan onze grote strategie mankeert, en zo ja, wat en hoe we daaraan iets kunnen verbeteren. Dat zou het onderwerp van de publieke discussie moeten zijn.

Het artikel van Khouri heeft op het ogenblik dat ik dit schrijf nog geen reacties opgeleverd.