Pracht en praal zonder smaak

Nieuwe rijken

Na het uiteenvallen van de Sovjet-Unie wisten «nomenklatoersjiki» handig gebruik te maken van hun sleutelposities. De winstgevende delen van de economie vielen in hun handen. Jammer dat hun smaak zo slecht is. Ontmoet Roestam, Nieuwe Rijke Rus.

Roestam slaapt nog. We worden ontvangen door Marina, zijn vrouw. Achter haar kuiten keft een pekineesje. «Kijk rustig even rond», zegt Marina trots. Het negentiende-eeuwse appartement aan de Sapjorny Pereoelok puilt uit van de nieuwe weelde, in Rusland ook wel «eurostandaard» genoemd. De authentieke visgraat is vervangen door laminaat, de royale inbouwkeuken is geïmporteerd uit Finland, de muren zijn behangen met donkerblauw satijn en goudbrokaat, in de gang liggen sierplavuizen. In elk vertrek staat een televisie en een stereoset. «Mijn man heeft het alle maal zelf bedacht, hij heeft een wonderbaarlijk goede smaak», zegt Marina. Ze nestelt zich op de divan van kobalt varkensleer.

Daar is de heer des huizes. Gapend stapt hij de kamer binnen. Gitzwart haar krult in zijn nek, gouden hangers blinken op een brede, behaarde borst. «Ze mogen me dankbaar zijn», zegt Roestam als hij ons voorgaat. «Dit huis was een complete bouwval toen ik het kocht.» Hij heeft zijn pand flink laten vertimmeren, met alle zichtbare gevolgen van dien. De zon valt niet meer door de oude wand van glas in lood, die moest wijken om een aparte opgang mogelijk te maken. Alleen zo konden buren uit de gemeenschappelijke appartementen vermeden worden. «We hebben ze er bijna allemaal uitgekocht», verzucht hij. «Je wilt niet weten wat voor tuig er woont.» Met een afstandbediening zapt Roestam naar het interne beveiligingssysteem op zijn televisieset, een zwart-witbeeld van de galerij verschijnt. «Er is zoveel verknald door de communisten», zegt hij. «Er is zoveel schoonheid verloren gegaan.»

De pracht en praal van het oude Rusland herstellen, dat is wat Roestam wil. Hij is bereid te investeren in zijn eigen land. Daarmee onderscheidt hij zich van de klasse haastige zakkenvullers die tijdens de transitie naar de markteconomie profiteerde van de mazen in de wet. Deze Russen, die zich in korte tijd hebben verrijkt ten koste van de spaargelden en goedkope arbeidskrachten van de massa, hebben de laatste jaren kans gezien hun ondernemingen te legaliseren en hun veelal op criminele wijze vergaarde geld wit te wassen.

Nu de taart verdeeld is, zijn sommige rijken bereid hun kapitaal wel voor nobeler doelen in zetten. Niet dat het gros van het volk daarmee geholpen is. De doorsnee Rus kan voor zijn gemiddelde salaris van 73 dollar per maand nauwelijks iets kopen in de winkels, die toebehoren aan de rijke elite. Hoe nobel Nieuwe Russische opvattingen ook mogen zijn, iets van de rijkdom afstaan ten behoeve van armeren is er niet bij. De helft van alle economische activiteiten in Rusland is nog altijd zwart. Slechts één op de 150.000 Russen betaalt belasting. De snel verdiende miljoenen stromen het land uit en belanden op privé-rekeningen bij Zwitserse banken of komen offshores op de Bahama’s, Cyprus en in Monaco ten goede.

In zijn geboortestad in Oezbekistan benaderde Roestam in de jaren tachtig een Amerikaanse juwelenfirma. Hij stelde ze voor een juwelenlijn te maken waarin Palechminiaturen verwerkt waren. Zijn idee was deze handbeschilderde houten plaatjes in een gouden omlijsting te plaatsen en zo broches, medaillons, oorbellen, kettingen en armbanden te vervaardigen. «Liefde voor schoonheid had hij al als kind», zegt Marina in de keuken. De tafel is gedekt met verguld bestek en ornamenteel kristal. Uit de vriezer haalt Roestam een sliert worsten tevoorschijn, die hij sissend in de koekenpan laat verdwijnen. «De Palechminiaturen zijn tegenwoordig een passie van hem. Daar zijn we natuurlijk niet rijk mee geworden», gaat Marina voort. «Het grote geld heeft hij verdiend als binnenhuisarchitect, met design.» Tot aan het bestek toe adviseert Roestam rijke klanten. «Niemand kan hem evenaren», zegt Marina. Voor concurrentie is zij niet bang. «Het is een kleine elitaire kring die hij bedient. En die mensen willen echt niet altijd het mooiste van het mooiste. Ze hebben helemaal geen belang bij al te veel opzichtigheid. Het gevaar dat ze beroofd worden is dan nog groter.»

In 1995 begon hij ermee, toen hij in een nacht, «gewoon, voor de grap» de inrichting bedacht van het huis van een vriend. Die was meteen razend enthousiast. «Roestam heeft kunstgeschiedenis gestudeerd en weet wat mooi is», is Marina’s verklaring. Roestam knikt goedkeurend.

De secretaris van Roestam laat ons het kantoor binnen via de achterplaats, waar twee zwervers elkaar een vuilniscontainer in helpen. Pas na enige tijd komt Roestam het vertrek binnen. Hij gaat voor naar een zalmroze zaal met kristallen kroonluchters. In het midden, onder gouden guirlandes, staat een paneel opgesteld, een drieluik uit Palech. Twee jaar lang hebben de beste miniatuurschilders aan het kostbare stuk gewerkt, legt Roestam uit. Met ei-tempera op hout zijn bijbelse taferelen en heiligen tot in detail uitgewerkt, van de barmhartige Samaritaan tot en met de opstanding van Lazarus. De icoon die ogenschijnlijk in een kerk thuishoort zal in het huis van een Nieuwe Rus terechtkomen. Wat de prijs is van het meesterstuk wil Roestam niet zeggen. De icoon, legt hij uit, moet nog worden ingezegend door een priester. Roestam: «Iconen zijn een middel om te communiceren met God.» Er volgt een uitwijding over zijn geloofsovertuiging. Hij twijfelt nog of hij zich zal laten bekeren tot het Russisch-orthodoxe geloof, omdat hij zich tijdens een reis door de Verenigde Staten heeft aangesloten bij de baptisten.

Voor Amerika heeft Roestam groot respect. «Ik ben in bijna alle pretparken in de zuidelijke staten geweest. Disneyland is een paradijs, maar nog fraaier was een winterpretpark waar alles van nepsneeuw was gemaakt. Ongelooflijk.» In het kantoor liggen mappen met foto’s en materiaalmonsters voor klanten die hun interieur door Roestam willen laten verzorgen. Hij zinkt neer in een lederen fauteuil achter zijn bureau en grijpt de rinkelende telefoon. «Een Franse deur hoort achthonderd dollar te zijn en jij verkoopt hem voor duizend?» zegt hij.

De term «Nieuwe Rus» (Novy Roesski) is vaak van toepassing op poenige dikdoeners die zich per Mercedes door Russische steden begeven. Maar nieuw is de Nieuwe Rus niet. In de Sovjet-Unie was openlijk gepats uit den boze, maar er waren wel degelijk privileges die bepaalde klassen genoten. «Nomenklatoersjiki», die verchroomde Wolga’s reden waar een ander tien jaar voor op een wachtlijst moest staan en landhuizen bezaten op vijftig hectare grond in plaats van zes, wisten na de val van de Sovjet-Unie handig gebruik te maken van hun sleutelposities. Omdat deze «apparatsjiks» over meer informatie en connecties beschikten dan anderen konden ze zich, vaak met één simpele handtekening, de winstgevende delen van de economie toeëigenen, die zo «geprivatiseerd» in hun handen vielen. Een andere klasse die over kennis en connecties beschikte waren de oude speculanten. Deze kleine scharrelaars wisten in de schaduweconomie van de Sovjet-Unie reeds handig van schaarste en verbod te profiteren. Als geen ander hadden zij een neus voor de behoeften die zouden ontstaan in de jonge markteconomie. Beide klassen maakten gebruik van criminele elementen, die zich in de wanorde van de post-sovjetsamenleving steeds openlijker manifesteerden.

De datsja van Roestam staat in Sosnovo, een dorpje in het glooiende Karelische landschap. Bij Nieuwe Russen is dit gebied erg in trek. Ook president Poetin heeft er zijn buitenhuis. Aleksej, Roestams beste vriend, rijdt ons erheen. Aleksej maakte fortuin toen hij bij toeval op een waterbron stuitte, enkele honderden kilometers van Sint-Petersburg. Achter het stuur zit Aleksejs vriendin. Zij handelde tot voor kort in kozijnen. Roestam had haar een keer meegenomen naar het buitenhuis van Aleksej. «Als je op zo'n buitenhuis bent, kun je niet anders dan verliefd worden», zegt ze glunderend in de achteruitkijkspiegel. «In auto’s als deze rijd ik al lang niet meer», schampert Aleksej wat later. De Lada van zijn vriendin is duidelijk te min. «Het moet toch wel minstens een Opel Omega zijn.» We draaien een modderpad op dat eindigt op een heuveltop waar drie identieke bakstenen burchten staan met weinig ramen, aluminiumdaken en schotelantennes. De huizen detoneren met de traditionele houten datsja’s in de buurt.

Marina wacht in de deuropening. Het geheel is nog lang niet af, vertelt ze. Er moet nog een hoge muur omheen gebouwd worden. Marina: «We hebben tot zover geen problemen gehad met de plaatselijke bevolking. Maar we willen het zekere voor het onzekere nemen. Binnen de muur gaan we een tuin ontwerpen met prieeltjes.» Over het terrein patrouilleert een Oezbeek met een verweerd gezicht, de armen bedekt met tatoeages. «De mensen weten dat ze beter geen problemen met mij kunnen krijgen», zegt hij nors. Hij heeft versterking van twee Kaukasische herdershonden, die braaf aan een ketting voor hun hok liggen. Roestam en Marina hebben speciaal voor dit ras gekozen omdat deze honden met gemak veertig graden vorst kunnen verdragen. «Ze moeten de hele winter in de sneeuw kunnen liggen», zegt Marina. «Doberman pinchers overleven dat niet.»

Binnen gaan de besmeurde schoenen uit. In de huiskamer zitten drie professoren kunstgeschiedenis, bij wie Marina college volgt. Hun eenvoudige, afgedragen kleren steken af bij de merkkleding van de gastheer. De professoren roken goedkope Bulgaarse sigaretten en kijken hun ogen uit. Omdat ze zich met hun povere salaris nauwelijks uitstapjes kunnen veroorloven, is het verblijf hier op de datsja voor hen een buitenkansje. De drie komen omhoog van de bank om «Marina’s talent» te prijzen en om een toost op «haar schoonheid, haar gastvrijheid en haar menslievendheid» uit te brengen. Daarna beginnen ze een ontdekkingsreis door de nieuwe weelde. Er wordt druk gezapt en op het balkon bellen ze stiekem met de mobiele telefoons. De schotelantenne wordt met bewondering gadeslagen. Uit het interieur blijkt duidelijk de signatuur van Roestam. De vensterbanken zijn van gemarmerd plakplastic, overal slingeren afstandbedieningen rond en elk vertrek is overdadig behangen. In de zithoek staat een grof in elkaar gemetselde open haard die Roestam uit een appartement van een klant heeft verwijderd.

De gasten worden aan tafel genood. Roestam brengt een gesprek over kunst op gang. Hij vindt dat ook moderne kunst zou moeten behoren tot het vakgebied van de kunstgeschiedenis. «Heel simpel omdat je met levende kunstenaars nog kunt spreken.» Marina slaat hem bewonderend gade. De docenten zwijgen. Marina loopt naar de keuken en komt terug met ketchup en mayonaise. «We dachten: we maken salade, maar het is toch een goed idee dat we het zo hebben gedaan, want de een wil ketchup en de ander mayonaise op zijn groenten.» Roestam grist een bosje lente-uien van het groenteplateau; in één hap is het weg. «Fijn is het hier, hè», zegt hij tegen zijn gezelschap.

De smakeloosheid en onnozelheid van de Nieuwe Rus zijn het onderwerp van tal loze moppen: Een nieuwe Rus belt zijn vriend op. «Moet je horen, Vasja, ik heb een fantas tisch spel ontdekt, het heet Lego. Als je begint te spelen, kun je niet meer ophou den. Er staat alleen een fout op het doosje. Er staat ‹van drie tot vijf jaar›, en ik heb er maar twee jaar over gedaan.»

Nieuwe Russen doen er op hun beurt alles aan om de besmette term «Nieuwe Rus» te vermijden. Lifestyle-magazines, die de rijke elite leren hoe met geld om te gaan, worden steeds populairder in deze milieus. Sushi’s worden nu verkozen boven fastfood, zoals Hugo Boss het wint van schreeuwerige Versace-hemden. Om soortgenoten uit de weg te gaan, boekt de zelfbewuste Nieuwe Rus geen reis meer naar de Costa Brava; liever nog zal hij Madagascar verkiezen. De ongeciviliseerde Nieuwe Russen uit de moppen zijn tegenwoordig eerder te vinden in Sint-Petersburg dan in het progressieve Moskou. Daar decoreren de rijkaards hun huizen niet meer met bladgoud, maar laten ze zich adviseren door een feng-shui-specialist, de Audi S6 heeft het er gewonnen van de banale Mercedes 600.

In de keuken is Aleksej bezig met het paneren van varkensschnitzels. «Koken is slechts een van mijn vele talenten», zegt hij. Aleksej studeerde in de Sovjet-Unie aan het polytechnisch instituut en fabriceerde radarapparatuur voor de marine. Hij klom in de jaren zeventig op tot voorman van een brigade en ontving een goed salaris. Hij vertrok omdat zijn vrouw ervandoor ging met de directeur. «Een stompzinnige tijd, dat communisme», zegt hij. «Ik had allerlei ambities, maar kon die niet verwezenlijken.» Het einde van het sovjetimperium voorspelde Aleksej al vijftien jaar van tevoren. «Ik ben helderziende», zegt hij in volle ernst. Marina en Roestam komen de keuken binnen. «Hoe gaat het nu met die lui?» vraagt Aleksej. «Nog even en ze zijn allemaal stomdronken», zegt Marina. Ze is zichtbaar opgelucht.

Aleksej steekt zijn handen in zijn keukenschort en vervolgt zijn verhaal. In 1986 begon hij in de clandestiene benzinehandel, waar zwart veel bij te verdienen viel. «De sovjetmaffia zat ook in de benzinehandel. Het was één criminele zooi.» Zelf haalde hij menige valse truc uit. «Ik verkocht de goedkoopste olie, maar voor het verversen bracht ik weer zoveel in rekening dat ik dikke winst maakte.» Omdat hij zich te uitbundig met onfrisse zaken inliet, werd hij op een dag flink in elkaar geslagen. Meer dood dan levend belandde hij in een ziekenhuis. Na een lang ziekbed kon hij, eenmaal terug in Sint-Petersburg, geen werk krijgen. «Ik kon het niet langer aanzien, die ellende. Je zag de aftakeling van het systeem aan de gezichten, ik voelde het einde naderen.» Hij vertrok naar het platteland van Okoelovka en zette een bedrijfje op. De hervormingen van Gajdar maakten echter dat hij in korte tijd al zijn geld verloor. Wederom zette hij een zaakje op en wonderwel kwam hij er weer bovenop. Aleksej: «De burger die niets deed en afwachtte is naïef geweest. Ze hadden net als ik initiatief moeten tonen, dan hadden ze gehad wat ik nu heb. Veel mensen hebben het toch echt aan zichzelf te wijten. Die mensen zijn niet meer te redden.» Op een dag werd Aleksej door de dorpsoudste van Okoelovka op «de Bron van de Zeven Beken» gewezen, ongeveer op de plek waar Neva en Wolga samenkomen. Aleksej zocht en vond. Hij boorde het water op, bottelde het en werd schatrijk.

Veel Nieuwe Russen zijn van eenvoudige komaf. In de Sovjet-Unie genoten zij weinig of geen opleiding. Dat ze in maatschappelijke status hun intellectuele klasgenootjes van vroeger voorbij zijn gestreefd geeft hen grote voldoening. Toch willen ze voor hun eigen kinderen niet datzelfde erbarmelijke opleidingsniveau en stellen ze hoge eisen aan de opleiding van hun kroost. In de staatsscholen hebben Nieuwe Russen weinig fiducie, wél in een willekeurig Amerikaans college dat 1500 dollar lesgeld per maand rekent. Vooral de managementcursussen voor kleintjes op dergelijke scholen zijn populair. De kloof tussen het gewone kindervolk en de rijkeluiskindertjes wordt nog groter als de laatsten vervolgens naar peperdure kostscholen in het Westen worden gestuurd en terugkeren naar hun vaderland met duurbetaalde diploma’s en oorkondes.

In de kelder spelen Roestam en Aleksej Russisch biljart. Ze drinken er frambozenlikeur bij. Roestam vertelt dat hij volgend jaar een Iconensalon zal openen op de Nevski Prospekt. De prijs van een doorsnee handwerkje uit Palech zal om en nabij de zesduizend gulden liggen. Hoewel het gewone volk dit nooit zal kunnen aanschaffen denkt Roestam dat met deze geste heel Rusland gediend is. Roestam: «Rusland is een orthodox land. Tachtig jaar lang is dat door de communisten ontkend. De mensen verlangen terug naar het geloof en ik probeer aan die behoefte tegemoet te komen. Zeker bij Nieuwe Russen bestaat er een geestelijke behoefte om iconen te bestellen. Hun levens zijn niet eenvoudig, en vaak gevaarlijk. Bovendien beseffen Nieuwe Russen dat kunstenaars moeten overleven; daarom kopen ze bij mij iconen voor in hun huis. Deze klasse heeft gevoel voor traditie.» Zijn klanten leven strikt volgens christelijke waarden, zoals die zijn afgebeeld op de iconen, meent hij. «Mijn klanten zorgen voor werkgelegenheid, net als ik. En ze sturen hun kinderen naar een goede school. Dat is toch zeker liefdadigheid, of niet soms?»

Uit de kamer erboven dreunt een karaoke-installatie. Marina heeft de microfoon ter hand genomen. De professoren kijken ongemakkelijk. Buiten is het gezang nog hoorbaar. Op de landerijen wiedt de plaatselijke bevolking onkruid. Een boerin schuilt tegen de regen onder een afdak. «Er zijn er steeds meer gekomen de laatste tijd. Moet u zien wat een huizen ze bouwen. Terwijl wij met moeite een hok bij elkaar kunnen timmeren.» Ze kent de nieuwe bewoners niet. «Ach, wij zijn maar eenvoudige lui. Wat moeten ze ook met ons?» Een oude man vertelt hoe de rijke datsjabewoners het strand van de dorpelingen hebben afgepakt. «Ze hebben er een muur omheen gebouwd, zodat wij er niet meer op kunnen, terwijl wij toch ook willen zwemmen. Muren bouwen, dat kunnen ze goed, die Nieuwe Russen.»