Bomen over schrijven

Nieuwe schrijvers bijeen

De jongste generatie schrijvers doet niet aan kongsi’s, maar maakt het iedere maand gezellig laat in een hoofdstedelijk etablissement. Kees ’t Hart mocht er een avondje bij zijn en wist niet wat hij meemaakte.

Nieuwe literaire generaties ontstaan in cafés en bij de mensen thuis. Zo ging het bij de Vijftigers, de Zestigers, de Zeventigers, de Maximalen, en zo gaat het vast en zeker nu weer. Of zit het toch anders? Volgens de Amsterdamse hoogleraar letterkunde Thomas Vaessens hoeven we bij poëzie niet meer op generatieconflicten te rekenen. In zijn spraakmakende boek Ongerijmd succes over de stand van zaken in de Nederlandse poëzie rekent hij af met het generatiemodel als motor van literaire veranderingen en bewegingen. Volgens hem speelt het ‘poëzieleven zich niet meer af rondom één centrum waarin iedereen probeert binnen te dringen’. Een centrum dus waarin dichters eerst jong en veelbelovend zijn, na een jaar of twintig alweer oud en achterhaald, waarna er een nieuw centrum komt met opnieuw zelf verklaarde voorlopers, die zichzelf tot bons of paus uitroepen.

Dankzij handige reclamecampagnes en uitgekiende exposure-activiteiten van de nieuwe helden liep het recensentencorps in het verleden altijd hijgend achter de feiten aan, omdat de boot missen in de krant nu eenmaal een doodzonde is. Mooie en overzichtelijke tijden waren het, je wist wie erbij hoorde en wie niet, maar het is allemaal voorbij, godzijdank ben ik geneigd te zeggen, want volgens Vaessens zijn er nu verschillende centra waarbinnen zich de literaire ontwikkelingen afspelen, er valt geen peil meer op te trekken.

Hoe zit dit bij proza? Daar hoorde je de laatste vijftig jaar weinig over schrijversgeneraties. Er bestaan geen serieuze overzichtelijke proza-indelingen in Vijftigers, Zestigers, Maximalen en wat daarna kwam. Hugo Brems werkt in zijn uitvoerige en ten onrechte matig ontvangen Altijd weer vogels die nesten beginnen (Geschiedenis van de Nederlandse literatuur 1945-2005) gelukkig niet met begrippen als ‘jong’ en ‘oud’, of ‘achterhaald’ en ‘veelbelovend’. Aangenaam voorzichtig heeft hij het over een afwisseling van verschillende literatuuropvattingen die elkaar niet noodzakelijkerwijs in de tijd opvolgen. Hij bespreekt onder andere een meer realistische opvatting, een symbolische, een decadente, een experimentele, een feministische. Hij benadrukt de diversiteit van proza, geeft een paar hoofdlijnen aan en komt niet aanzetten met een generatiemodel of met rare indelingen in ‘jong’ of ‘modern’ en ‘postmodern’ proza, of ‘proza voor en na 9/11’. Bij hem telt de inhoud.

In de Nederlandse dagbladkritiek is het sinds de jaren zestig gebruikelijk te zoeken naar een onderscheid tussen proza dat er wél en proza dat er niet toe doet. Zie bijvoorbeeld de jarenlang heersende indeling tussen proza van de Grote Drie (Mulisch, Reve, Hermans) en van de rest. Wel een prettig overzichtelijk beeld, maar de criteria waarop deze indeling berustte bleven vaag tot afwezig of beperkt tot alleen krachtige stellingnames. Hout snijdende analyses van verschillen tussen hun werk en dat van andere, niet uitverkoren schrijvers, ontbreken nog altijd. Ook nu hebben sommige dag- en weekbladcritici de neiging sterk apodictische uitspraken te doen over schrijvers die er wel of niet toe doen, zonder daar verder inhoudelijk over te argumenteren. Die is goed en die niet. Ook nu is men naarstig op zoek naar de ‘nieuwe’ grote drie (drie klinkt altijd beter dan twee, of vier of vijf) of men beweert met veel poeha, maar zonder nadere argumentatie, zoals Arjen Fortuin in NRC Handelsblad, dat ‘de Belgen’ beter zijn dan ‘wij’. Men probeert inhoudelijke verschillen tussen romans en literatuuropvattingen zo snel mogelijk om te zetten in kwalitatieve indelingen.

Je hoeft je als schrijver van dit soort debatten gelukkig helemaal niets aan te trekken. De vraag of je tot een generatie of stroming behoort die ertoe doet, of een schrijver bent van na 9/11, of postmodern, of beter dan de Belgen, hoort niet tot het type vragen waarvan je erg lang wakker ligt. Hoe slaag je erin een roman te schrijven, of een tweede roman, hoe krijg je je uitgever zo gek die uit te geven, hoe kun je je stijl aanscherpen? Dit soort vragen tellen, de rest is uiteraard gelul in de ruimte van zelfbenoemde literatuurpausen die problemen en vragen van het schrijverschap zelf niet aan den lijve ondervinden. Wel kan ik me goed voorstellen dat je er als schrijver naar kunt verlangen af en toe met een paar collega’s over dit soort en andere zinvolle vragen te praten. Kom je ook eens de deur uit. Hoe doen zij het? Krijgen ze een voorschot? Hebben ze een leuke redacteur of is het een piskijker? Komt het hun aangewaaid of moeten ze zich kapot werken? Krijgen ze subsidie, hoeveel dan, en hoe kregen ze dat voor elkaar?

Sinds enige tijd verzamelt zich eens in de maand een steeds toenemend aantal Nederlandse schrijvers in een Amsterdams café, de locatie moet op verzoek onbekend blijven (nee, niet De Zwart). Daar hebben ze het onder meer over bovengenoemde kwesties, ze bespreken ook recensenten, discussiëren over hun eigen literatuuropvatting, de voor- en nadelen van een literaire agent, kankeren uit zelfbescherming vaak op ironische toon over het uitblijven van een ‘grote doorbraak’ en als het later en later wordt en de opwinding stijgt, gaat het vast en zeker ook over andere zaken. Ze vragen zich in ieder geval niet af of ze een ‘nieuwe generatie’ zijn. Dat is iets voor de literatuur_-watchers._ Ben ik van belang voor de literatuur? Daarover ging het dus geen moment toen ik kort geleden zo’n avond bezocht.

Het is een groot succes. Er komen jonge, oudere, bekende en minder bekende schrijvers op af, het gaat er niet om of je jong of oud, bekend of man of vrouw bent. Ze horen tot allerlei verschillende uitgeverijen, ook dat is geen selectiecriterium. Wat wel telt is dat je minstens één boek hebt gepubliceerd of binnenkort met eentje komt, al is er niet een controledienst die hierop toeziet. Er ontbreekt ook toezicht op de vermeende kwaliteit van het gepubliceerde werk. Daar is het allemaal niet om begonnen, ook niet of je de juiste uitstraling hebt of tot een ‘belangwekkende’ stroming behoort.

Gustaaf Peek (Contact, debuteerde in 2006 met Armin) vertelde me een paar weken geleden over deze groep en na enig overleg bleek er geen bezwaar te zijn als ik een avondje mee kwam praten (en drinken). Initiatiefnemers zijn Walter van den Berg (De Bezige Bij, debuut De hondenkoning, 2004), Jan Mersbergen (Cossee, laatste roman De hemelrat, 2005) en Richard Osinga (Querido, laatste roman Wembley, 2006). Zij kenden elkaar al en bedachten tijdens een avondje bowlen dat het wel mooi zou zijn wanneer ze in contact zouden komen met meer schrijvers. Niet om een nieuw tijdschrift op te richten of om de ‘oude generatie’ de wacht aan te zeggen (het roer moet om), maar om met elkaar te praten over het vak en wat daar allemaal bij hoort. En dus planden ze een avond in het café rondom hun eigen vrienden en kennissen uit de schrijverswereld.

De eerste keer waren er acht, het werd ongelooflijk bomen en verschrikkelijk laat. De tweede keer waren er al zestien, de derde keer kwamen er al 24 en toen ik er was tussen Kerst en Nieuwjaar (niet een erg gelukkig tijdstip, er waren afzeggingen gekomen) maakte ik kennis met vijftien Nederlandse schrijvers afkomstig uit allerlei steden: mannen, vrouwen, jong, wat ouder, allemaal van verschillende uitgeverijen. Ik sprak met ze, maakte foto’s, ze vonden de avonden allemaal meer dan prima: eindelijk gewoon over schrijven praten, zonder druk, zonder poeha. Iedereen was welkom, ook dat sprak ze aan. Informatie uitwisselen, tips geven, lachen, roddelen, discussiëren, wat wil je nog meer? Even de aanwezigen voorstellen: Laurens Abbink Spaink (Podium, Zwartboek, 2006), Hassan Bahara (Van Gennep, Een verhaal uit de stad Damsko, 2006_),_ Gerbrand Bakker (Cossee, laatste boek Boven is het stil, 2006), Walter van den Berg (zie boven), Miquel Bulnes (Prometheus, laatste boek Lab, 2006), Cindy Hoetmer (De Arbeiderspers, Het beest in Daisy, 2005), Hans Hogenkamp (Nijgh & Van Ditmar, Excuses voor het ongemak, 2006), Arjen Lubach, (Meulenhoff, Mensen die ik ken die mijn moeder hebben gekend, 2006), Jan Mersbergen (zie boven), Gustaaf Peek (zie boven), Merel Roze (Archipel, Fantastica, 2006), Jowi Schmitz (Cossee, Leopold, 2005), Marten van der Veen (TM Trademark, Dagboek van een steward, 2006), Lucas Winnips (521, Louise Honing, 2006) en Aukeline Weverling (Meulenhoff, laatste boek Politiek gevangene, 2006).

Van den Berg vertelde dat heel wat andere schrijvers er nu niet waren, maar wel op de lijst stonden en al geweest waren, of nog wilden komen: Janneke Jonkman, Beitske Bouwman, Ariëlla Kornmehl, Niels ’t Hooft, Sanneke van Hassel en vele anderen. In totaal had hij een adressenbestand van 47 (!) belangstellende en deelnemende schrijvers, een lijst die zonder enige moeite tot stand was gekomen. Van den Berg probeert het geheel zo ongeveer bij elkaar te houden omdat hij volgens de anderen zo aardig is en communicatief goed opereert. Tijdens de avond bestelt iedereen drank op zijn naam, dan ben je af van dat vervelende rondjes geven, en als je weggaat betaal je hem wat je denkt te hebben gedronken. Tot nu toe hield hij geld aan dit systeem over. Hij vertelt dat Claire Polders (Balans, laatste roman De verdwijning van Eva Zomers, 2006) en Stipo Jelec (Vassallucci, Als jij kon kruipen in mijn huid, 2006) ongeveer gelijktijdig maar helemaal los van deze avonden een website opzetten, waarop een deel van de deelnemende schrijvers weblogs bijhoudt en met elkaar verder discussieert (www.schrijversopelkaar.nl).

Het blijkt dat er bij aanstormend schrijvend Nederland dus een grote behoefte bestaat aan dit soort direct en serieus contact over schrijven. Nieuwe schrijvers verenigen zich nauwelijks meer onder het banier van een tijdschrift met een eigen literaire ideologie, ze trekken zich nauwelijks meer iets aan van kleine literaire kongsi’s of literatuurpausen die proclameren hoe het met ‘de’ literatuur in elkaar zit. Het is verbazingwekkend hoe groot de verschillen zijn tussen de literatuuropvattingen van de schrijvers die ik ontmoette. En toch stonden en zaten ze in dat café met elkaar te praten, alsof er niets aan de hand was! Er zijn realisten bij, verhalenvertellers, experimentelen, satirici, symbolisten, meidenboekenschrijvers, politiek geëngageerden; het hele scala wat er aan literatuuropvattingen in Nederland aan de bak probeert te komen is vertegenwoordigd. Vroeger was dat wel anders, herinner ik me. Je trok alleen met je eigen club op omdat de anderen ongelijk hadden en je geen zin had dat keer op keer uit te leggen en bovendien altijd weer de pispaal van de anderen werd omdat die in de media de juiste mannetjes hadden. Tegen zoveel domheid was geen kruid gewassen. Dus de experimentelen van één uitgeverij bij elkaar in aparte tijdschriften met aparte cafés, de feministen van een andere uitgeverij ergens anders en de decadenten weer ergens anders. Of hoe ze allemaal heetten.

Ik had een prachtige avond. Of liet ik me zoals zo vaak een rad voor ogen draaien? Stonden ze toen ik weg was toch weer in kleine onderafdelingen over elkaar te roddelen? Dat ze liever in een kleinere groep met een eigen tijdschrift verder zouden willen praten? Dat er sommige schrijvers bij waren die wel erg slecht schreven? Dat hierover een reglement moest komen. Met notulen en een doelstelling? En een kascommissie? Had ik dan toch weer niet opgelet? Het was een mooie avond, het regende zacht, ik liep op weg naar huis luidkeels te zingen. En had Walter van den Berg bij mijn vertrek twintig euro overhandigd.