Nieuwe taal

Mariwan Kanie (1966), van Koerdische origine maar inmiddels geheel geaard in Nederland, over de (rol van de) moderne literatuur in de Arabische wereld

Zoals elke Koerdische man van zijn leeftijd is Mariwan Kanie (1966) opgegroeid met Koerdische volksverhalen, epische gedichten en nationalistische gezangen. Hij komt ook nog eens uit een revolutionair nest. Zijn eerste gedicht leerde hij van zijn opa, een Iraaks-Koerdische schrijver, toen hij hem als jongetje opzocht in de gevangenis. Later liet zijn vader, verzetsheld in de strijd tegen Saddam, hem revolutionaire poëzie declameren tijdens bijeenkomsten met kameraden die net als hij ondergedoken hadden gezeten in de bergen van Noord-Irak.

Het maakte een onuitwisbare indruk op de jonge Mariwan. Toch geeft de dichter en schrijver – in 1993 uit Irak gevlucht en sindsdien in Nederland getrouwd en werkzaam als journalist en politicoloog – die traditie niet aan zijn eigen dochter door. Mariwan Kanie: ‘Die oude Koerdische verhalen sluiten zo slecht aan bij haar Amsterdamse leventje dat het geen zin heeft. Ik voel me zelf niet eens meer Koerd, zozeer ben ik intussen geaard in Nederland. Maar ook dáár, in de Koerdische gebieden in Irak, sluit de oude literaire traditie niet meer aan bij de snel veranderende werkelijkheid, zoals ik kon vaststellen toen ik in 2006 langdurig in Irak was om er een literair tijdschrift op te zetten. In Noord-Irak hebben de Koerden nu meer macht dan ze ooit hebben gehad. Tegelijk zijn ze in een zeer zwakke positie, ze kunnen alleen maar terrein verliezen aan de buurlanden als ze het niet slim spelen. Dat wil zeggen: als ze niet afzien van de mythe van de peshmerga die getrouwd is met zijn geweer en eindelijk eens leren onderhandelen en de realiteit van vandaag onder ogen zien. In dat proces is voor de krijgshaftige orale traditie geen plaats meer.’

Kanie is niet de enige die een keten van eeuwen verbreekt. De breuk met de literaire traditie loopt dwars door de hele Arabische wereld. De Libische schrijver Ashur Etwebi zei vorig jaar op een literaire bijeenkomst in Iowa dat de orale Arabische overlevering praktisch dood is. Hij betreurde dat, omdat de oude volksverhalen vaak over marginale en dus interessante figuren gingen en bovendien een hoopvolle moraal hadden. Ze vertelden over armen, verstotelingen of leden van raciale minderheden die hun lot in eigen hand namen en het kwaad overwonnen. Of over kleine handelaren, herdersjongens, slavinnen en andere ogenschijnlijk geboren verliezers die aan het eind van het verhaal hun medemensen, hun meerderen en zelfs de hoogste machthebbers te slim af waren. Ze werden van moeder op kind overgedragen, aldus Etwebi. Mannen lieten zich er doorgaans niet mee in. Het was een echte vrouwenliteratuur, door goeddeels ongeletterde vrouwen gebruikt om hun kinderen het verschil tussen goed en kwaad te leren en hen vertrouwd te maken met de grote boze wereld. Maar niemand vertelt die verhalen meer aan zijn kinderen, zei Etwebi. De Arabische jeugd beschikt over nieuwe, universele helden die bij de moderne samenleving passen, van Yogi Bear tot Harry Potter, en heeft geen boodschap meer aan de oude.

Mariwan Kanie: ‘Vergeet niet dat de Arabische wereld in vijftig jaar tijd grondig is veranderd. Voorheen woonde de overgrote meerderheid in dorpen. Op het platteland had de orale traditie zin, omdat de omringende samenleving niet of heel langzaam veranderde. In de hedendaagse miljoenensteden gelden die eeuwenoude waarheden niet meer. De verstedelijking heeft de Arabische leefwereld helemaal omgeploegd. Ook de steden zelf zijn erdoor veranderd. Het tempo versnelt, de massa rukt op. De schotelantenne beheerst het straatbeeld. Het Cairo van Najib Mahfoez bestaat niet meer.’ Als illustratie verwijst hij naar de roman Het Yacoubian (2004) van Alaa Al-Aswani. Deze Egyptische tandarts en schrijver hield vroeger praktijk in een statig appartementsgebouw in Cairo, genoemd naar de Armeense miljonair Hazjoeb Yacoubian die het in 1934 liet bouwen. Destijds werd het pand bewoond door de fine fleur van de Egyptische maatschappij. Tegenwoordig is het opgedeeld in armoedige compartimenten waarin kinderrijke gezinnen, taxichauffeurs en sjacheraars een uitzichtloos leven leiden. Kanie: ‘De roman is een ode aan de vergane glorie van het gebouw en indirect aan een hele maatschappij die in de loop van één of twee generaties volledig is verdwenen.’

Ook het politieke landschap is door kaalslag getroffen, aldus Kanie. Revolutionaire Arabische dichters en schrijvers zijn er niet meer, om de eenvoudige reden dat de grote ideologieën die de Arabieren bijna honderd jaar in beweging brachten, één voor één zijn weggekwijnd. Nationalisme, pan-Arabisme, marxisme en socialisme zijn vastgelopen in hun eigen beperkingen en mislukkingen, in de corruptie van hun leiders en de wanhoop van hun aanhangers. Kanie: ‘Alleen de islamisten zijn nog over. En zelfs die zijn over hun hoogtepunt heen, zoals inmiddels in de hele Arabische wereld wordt erkend. Ze brengen ook niet iets wezenlijk nieuws. Overal zie je een herhaling van ideologische zetten, met dit verschil dat ze nu vermoeider zijn dan ooit. De islamisten spreken eigenlijk dezelfde taal als de marxisten van vijftig jaar geleden, terwijl de marxisten van nu de taal van de liberalen van vijftig jaar geleden hebben overgenomen. Het islamisme levert bovendien geen literatuur op. De islamistische schrijvers van vandaag schrijven niet alleen slecht, maar ook nog door en door moralistisch. Ze bedrijven een soort sociaal-realisme zoals dat voor het laatst werd gecultiveerd in de Sovjet-Unie ten tijde van Stalin. Niet om dóór te komen.’

Uit de rokende puinhoop van de moderne Arabische geschiedenis zijn niettemin literaire sfinxen opgestaan, schrijvers die in de eerste plaats om hun literaire kwaliteiten worden gelezen, al is het door een nog zo klein publiek. Zelfs de grootsten onder hen, zoals de in Parijs woonachtige (en in het Frans schrijvende) Marokkaan Tahar Ben Jelloun (1944) en de Egyptische winnaar van de Nobelprijs voor literatuur 1988, wijlen Nagib Mahfoez, hebben slechts een zeer kleine Arabische lezersschare. Mariwan Kanie: ‘Als je een goede Arabische roman schrijft, mag je in je handen knijpen als er meer dan vijfduizend exemplaren van worden verkocht. Niettemin hebben de moderne Arabische schrijvers een unieke prestatie geleverd. Ze hebben een nieuwe taal uitgevonden waarin de mens over zichzelf kan denken en praten als individu. Dat is een unicum in de geschiedenis van de Arabische literatuur. Ze hebben de rug toegekeerd aan een literatuur die altijd in dienst stond van de macht en van het collectief. Ze hebben de kudde verlaten, hun eigen stem gevonden.’

Hun enige plengoffer aan de literaire traditie is hun optiek, aldus Kanie. Ook de moderne Arabische schrijvers kiezen bij voorkeur het perspectief van de eenling, de buitenstaander, de marginale figuur om hun verhaal te vertellen. Bijvoorbeeld Mohammed Shoekri, de Rif-Marokkaan die op straat opgroeide te midden van honger, bordelen en dronkemansgeweld. Kanie: ‘Shoekri schrijft over hoeren, drugs, de straat, over mensen die overleven in de marge van de samenleving. De microscopische precisie waarmee de levens van die mensen worden geschilderd, is niet toevallig. Net als die randfiguren horen ook de moderne Arabische schrijvers zelf eigenlijk nergens meer bij. De echte talenten horen van nature niet thuis bij de corrupte maatschappelijke elite of bij in diskrediet geraakte politieke bewegingen of etnische groeperingen. En tegelijk is die nieuwe individualistische taal die ze ontwikkelen bij uitstek politiek. Alleen al de expliciete seksualiteit en de aandacht voor de vrouwelijke beleving, zoals je die bijvoorbeeld ziet in de boeken van Ben Jelloun, is politiek dynamiet. Zulke taal is levensgevaarlijk voor de machthebbers, veel gevaarlijker dan om het even welk expliciet politiek manifest of idee. Maar natuurlijk wel op termijn. Die nieuwe taal zal misschien pas na generaties effect op de samenleving hebben. Inderdaad, je zou het een dieptebom kunnen noemen.’

Helaas komt die taal maar zelden tot ons, westerlingen, omdat er zo weinig Arabische boeken worden vertaald. De verkoop laat een lichte groei zien, maar de belangstelling van westerse uitgevers gaat vaak niet verder dan de geheide titels. Duitse uitgevers presteerden het onlangs zelfs om de alternatieve uitgeverij Dar Merit van Egyptenaar Mohammed Hashem (uitgever van onder anderen Al-Aswani) te weren van een boekenbeurs, omdat zijn aanwezigheid de Egyptische autoriteiten onwelgevallig zou zijn. Maar ook de boeken die de westerse schappen bereiken, geven volgens Kanie een vertekend beeld: ‘Er wordt in het Westen bijvoorbeeld veel bekentenisliteratuur van Arabische vrouwen gepubliceerd waarin een beeld wordt geschetst van de vrouwenonderdrukking in islamitische samenlevingen. En die onderdrukking bestaat, laat dat duidelijk zijn. Maar de moderne Arabische literatuur heeft waarachtig wel meer te bieden dan vrouwenonderdrukking. Veel van die boeken verdienen niet eens de naam literatuur. Ik heb alle boeken van de in het Westen populaire Nawal Al-Saadawi in de oorspronkelijke taal gelezen en ik kan je zeggen dat ze bar slecht geschreven zijn. Zulke boeken worden vertaald om hun niet-literaire kwaliteiten. En die kwaliteiten hebben ze zeer zeker. Maar tegelijk verdenk ik westerse lezers ervan dat ze zoeken naar bevestiging van een vrouwvijandig Arabisch stereotype.

Ik kan alleen maar hopen dat de Arabische literatuur op een dag wordt gewaardeerd om haar literaire kwaliteiten, om de behandeling van de universele thema’s die erin aan de orde komen, zoals angst, liefde, wanhoop. In een geglobaliseerde wereld als de onze mag je die erkenning toch verwachten? Die komt de auteurs toe. En ze kunnen waarachtig wel een opsteker gebruiken. Ze worden in hun eigen taalgebied nauwelijks gelezen, terwijl religieuze traktaten die beroerd geschreven zijn en stijf staan van de vooroordelen en intolerantie herdruk op herdruk beleven. Die teksten zijn bewust in dagelijkse taal geschreven, in simpele bewoordingen die je niet uitdagen om zelf na te denken en je bewust te worden van je individualiteit. De satelliet-tv doet de rest. Die maakt niet alleen de literaire traditie kapot, maar verhindert ook dat nieuwe verbeeldingswerelden ontstaan waaraan mensen inspiratie kunnen ontlenen. Ze houdt de massa zoet met soaps, waardoor ze voor eventjes haar miserabele leven vergeet. Zie daar maar eens tegen op te boksen. Arabische schrijvers hebben het nog nooit zo moeilijk gehad als nu.’