Het lot van de Antillen

Nieuwe verhoudingen

Onafhankelijkheid zou voor de Antillen de doodsteek betekenen. Anderzijds zou de status van Nederlandse provincie de Haagse bemoeienis te hoog opdrijven. Er is een middenweg.

Sinds de zwarte opstand van 30 mei 1969 in Willemstad, die door 250 inderhaast ingevlogen mariniers werd onderdrukt, lijkt de verhouding tussen Den Haag en de Nederlandse Antillen op een repeterende breuk. Nu de vijftigste verjaardag van het Koninkrijks statuut van 1954 nadert, wil Nederland voor de zoveelste maal «orde op zaken» stellen in zijn overzeese rijksdelen. Volgens de jongste opiniepeilingen wil een krappe meerderheid van het Nederlandse volk, aangevoerd door de Amsterdamse jurist Uli Jesserun d’Oliveira, de staatkundige «parasol» zelfs voorgoed inklappen. «Ook het Nederlandse volk heeft een recht op zelfbeschikking, dat het zonder toestemming van anderen kan uitoefenen», aldus de staatsrechtgeleerde.

Voor de zoveelste maal dreigen ministers en kamerleden de «geldkraan» dicht te draaien — alsof die jarenlang wijd open heeft gestaan, een mythe die zijn hardnekkig voortbestaan dankt aan de zinloze ruzies over een paar duizend bolletjesslikkers en criminele Antilliaanse jongeren waarvan de vaderlandse pers de laatste jaren bol staat. Het tegendeel is waar. Terwijl de Antillen op instigatie van het IMF dertig procent van hun ambtenaren hebben ontslagen en op tal van andere overheidsposten drastisch hebben bezuinigd, bleef de toegezegde Nederlandse tegenprestatie uit. En weer balt de wanhoop van het arme deel van de Antilliaanse bevolking zich samen in machteloze protestgebaren en de verkiezing van leiders die het «respect» dat ze opeisen door hun eigen capriolen weer verspelen.

Een nuchter geluid wordt node gemist. Om te beginnen is de Nederlandse weeklacht over de grote sommen die overzee in een «bodemloze put» zouden verdwijnen zwaar overdreven. Een land als Frankrijk draagt verhoudingsgewijs een veelvoud af aan voormalige koloniën als Frans Guyana, Guadeloupe en La Réunion die dankzij hun departementale status aanspraak kunnen maken op alle nationale voorzieningen, inclusief goed onderwijs, banenplannen en werkloosheidsuitkeringen die voorkomen dat de jongeren massaal tot chollers (junks) vervallen. Daarentegen leeft dertig procent van de bewoners van Curaçao onder de armoedegrens. En dat percentage zal voorlopig niet dalen aangezien de helft van de Antilliaanse kinderen het onderwijs verlaat zonder einddiploma. Degenen die op latere leeftijd hun achterstand willen inhalen, zijn voor volwassenenonderwijs aangewezen op Nederland.

Wie de Antilliaanse migratie naar Nederland wil verklaren, hoeft niet verder te kijken dan die paar sociale factoren. Antillianen komen hierheen op zoek naar onderwijs en werk, al dan niet van legale aard. Volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek wonen er momenteel ongeveer 125.000 Antillianen en Arubanen in Nederland, van wie ongeveer de helft in Noord- en Zuid-Holland. Hun aantal zal volgens het CBS de komende jaren groeien. Bij ongewijzigd beleid zouden het er in 2015 zelfs tweehonderdduizend kunnen zijn, meer dan er (tegen die tijd) op de eilanden zelf wonen, ongeacht de vraag of ze tegen die tijd onafhankelijk zijn of niet. Wil Den Haag de stroom indammen en — belangrijker nog — zijn historische en humane verplichtingen jegens de voormalige slaveneilanden nakomen, dan zal het eindelijk iets aan die sociale problemen moeten doen.

Per jaar gaat er zo’n 120 miljoen euro uit Den Haag naar de West, waarvan het grootste deel wordt besteed aan de bestrijding van drugstransporten waarmee ons land een wit voetje haalt bij de Verenigde Staten. En het ontwikkelingsgeld dat ondanks bezuinigingen en IMF-restricties uit de Haagse kraan vloeit, komt vaak langs een omweg weer in Nederlandse zakken terecht. Uit de schaduwboekhouding van Nederlandse aannemers die tijdens de bouwfraude-enquête boven tafel kwam, blijkt bijvoorbeeld dat ze op de Antillen nog schandaliger prijsafspraken maakten dan in Nederland en niet zelden wegen en nieuwbouwprojecten aanlegden voor de dubbele prijs. Koop Tjuchem, de Curaçaose Wegenbouw Maatschappij en andere aannemers zwommen in de Antilliaanse pepernoten.

De verkiezingszege van het Frente Obrero Liberashon (Fol), door «peetvader» Nelson Monte met strakke hand geleid vanuit de psychiatrische afdeling van de Bon Futuro-gevangenis, was voor alles een klap in het gezicht van Den Haag. De achterban weet heel goed welke corrupte voormannen in het Fol de dienst uitmaken. De meeste Antillianen steunen het onafhankelijkheidsplan van partijleider Anthony Godett ook helemaal niet. Toch verkiezen ze Godetts messianisme boven de al te volgzame houding van voorgangers als Pourier en Ys. En Godett is verre van gek als hij stelt dat Nederland en de Antillen nooit als gelijkwaardige partners rond de tafel hebben gezeten, dat Den Haag bestuurt «met de afstandsbediening» en zich «verschuilt achter het IMF».

«Alle partijen zijn medeverantwoordelijk voor de malaise», zegt de zojuist teruggetreden gevolmachtigd minister van de Nederlandse Antillen Carel de Haseth. «Het IMF en Den Haag hadden allebei meer voor de Antillen kunnen doen. En de Antillen hadden Nederland en het IMF meer tegemoet kunnen komen dan ze hebben gedaan.» Hij behoort tot een groeiende groep belanghebbenden die een weg zoeken tussen onafhankelijkheid (die voor de meeste eilanden de economische en politieke doodsteek zou betekenen) en de status van Nederlandse provincie (die de Haagse bemoeienis tot onaanvaardbare hoogte zou opdrijven). «Laten we kijken naar de grote lijnen in plaats van de staatkundige haarkloverijen. Nederland heeft de grootste haven van Europa, wij hebben op Curaçao de op één na grootste haven van het Koninkrijk. Daar moeten toch kansen voor betere samenwerking liggen. Nederlandse bedrijven die buiten de landsgrenzen willen opereren, gebruiken de Antillen nu al vaak als proeftuin om te zien of ze het redden. Moedig die trend aan, stimuleer die investeringen.»

«Nederland en de Antillen moeten hun gezamenlijke belang voorop stellen en van daaruit zoeken naar nieuwe verhoudingen», zegt ook de zopas in Utrecht benoemde hoogleraar sociale cohesie en multiculturaliteit Valdemar Marcha. «Binnen het huidige staatkundige verband zie ik genoeg mogelijkheden als Nederland bereid is te investeren in de sociale cohesie van de Antilliaanse samenleving. Onafhankelijkheid is geen optie; Curaçao is niet in staat de andere eilanden te dragen en verdere staatkundige versnippering is helemaal uit den boze. Eenheid maakt macht en in de hele wereld bestaat een trend naar samenwerking. Kijk naar de Europese Unie, Nafta, de Caribische samenwerkingsplatforms. Maar de Antilliaanse eilanden groeien juist uit elkaar.»

Er zijn altijd middelpuntvliedende krachten aan het werk geweest op de Antillen», doceert Marcha. «Zoals alle eilanders zijn Antillianen koppig en gesteld op hun autonomie. En de taal- en cultuurverschillen tussen de eilanden zijn groot. Er is een religieuze tegenstelling tussen protestanten en rooms-katholieken; de Bovenwindse Eilanden spreken Engels, de Benedenwindse Papiaments, et cetera. Die verschillen kunnen alleen worden overbrugd door betere scholing en andere gerichte investeringen in de sociale cohesie. En dan zijn er wel degelijk mogelijkheden om het gebied te ontwikkelen. Curaçao ligt op het kruispunt van Amerika en Europa, die positie kun je uitbuiten zoals ook andere Caribische landen hebben gedaan.»

Een andere ontwikkelingsmogelijkheid voor de eilanden is het aanvragen van de status van Ultraperifeer Gebied (UPG) van de Europese Unie, mogelijk geworden dankzij het Verdrag van Amsterdam van 1999 waarin Frankrijk, Spanje en Portugal die status opeisten voor sommige van hun voormalige koloniën. Momenteel hebben de Antillen in Brussel de status van Landen en Gemeenschappen Overzee (LGO) die minder handelsvoordeel en geen recht op Europese finan ciële steun biedt.

«Een UPG-status betekent dat je dichter bij de Unie staat dan een LGO-land», aldus Carel de Haseth. «De Azoren, Madeira en de Canarische Eilanden hebben zich enerzijds verplicht de Europese rechtsregels in acht te nemen, anderzijds genieten ze het voordeel van de Europese structuurfondsen. Van die laatste zou vooral het onderwijs op de Antillen enorm kunnen profiteren. Er wordt aan beide zijden van de oceaan op de voor- en nadelen van die UPG-status gestudeerd sinds de Koninkrijkspartners begin dit jaar overeenkwamen dat ze het Koninkrijksstatuut zouden evalueren en alle mogelijke veranderingen naast elkaar zouden leggen. Voorzover ik het nu kan beoordelen is Aruba wel voor die status te vinden, de andere eilanden hebben zich nog niet uitgesproken.»

De Haseth vindt de discussie over de ultraperifere status een welkome afwisseling na alle benepen schermutselingen over body scans en Antilliaanse jeugdbendes. Het Europese structuurfonds zou de samenwerking tussen Nederland en zijn voormalige kolonie een heel nieuwe impuls kunnen geven, tot wederzijds voordeel van alle partijen. «En soms schuilt het voordeel van de relatie met de Antillen voor Nederland in een onverwachte hoek», zegt De Haseth. «Toen Den Haag begon te lobbyen voor het lidmaatschap van de Veiligheidsraad, hebben wij samen met Buitenlandse Zaken een ronde door het Caribisch gebied gemaakt. We hebben toen voor Nederland de stemmen van negen Engelssprekende landen binnengehaald, hoewel de tegenkandidaat nota bene het Engels sprekende Canada was. Die landen hebben op Nederland gestemd vanwege hun band met ons, niet uit sympathie voor Den Haag.»