Essay: Herwaardering van de rechtsstaat

Nieuwe wijn in oude zakken

Het kabinet bouwt aan een staat die liever straft dan beloont. Wie daarvan wakker ligt, moet zich eerst ontfermen over de actuele betekenis van rechtsstaat, gelijkheidsbeginsel, bureaucratie en geweldsmonopolie.

Het nieuwe Nederland staat in de steigers. Het bouwplan is klaar. Het metselwerk kan beginnen. De dikke verzorgingsstaat moet een slanke straffende staat worden. De leiding van het project berust bij premier Balkenende. Langzaam maar zeker moet de boze burger weer bang worden. Slecht gedrag dient te worden gewroken, goed gedrag hoeft niet te worden beloond. Het maakbaarheidsideaal is terug van weg geweest. Vergeet de retorica van premier Balkenende die elke dialoog beperkt tot «wisselen» en «aangeven». Let op zijn houding en handelen. De premier lijkt los. De kracht van de premier is dat hij dit project geen woorden geeft, dat hij zijn programma niet via pamfletten kond doet, maar dat hij elk gaatje gebruikt dat zich aandient. Zo oogt hij als een stabiele factor in een land dat al enige jaren in lichterlaaie staat en nu een leider wenst die de boel blust. Jan Peter Balkenende ontpopt zich zodoende als een eigentijdse variant van Piet de Jong, de voormalige duikbootkapitein die tussen 1967 en 1971 premier was van een land dat ook op drift was. De richting van hun beider strategie is onvergelijkbaar – net als de humor, waarover De Jong beschikte en Balkenende ogenschijnlijk niet – omdat de druk vanuit de samenleving nu uit een andere hoek komt. Hun opdracht daarentegen vertoont overeenkomsten. Want net als toen hangt het establishment ook nu in de touwen. Kortom, Balkenende is het spiegelbeeld van De Jong. En dat is geen toeval.

Wat zich sinds 11 september 2001 en 6 mei 2002 afspeelt, is in veel opzichten een omdraaiing van de periode 1968-1974. Net als toen moet de vermaledijde gevestigde orde van zijn sokkel worden gerukt.

Waar draaide het in 1968 en later om? Na het succes van de weder opbouwjaren, waarin de samenleving nog een reeks gesloten falanxen leek, werd de tijd rijp om te deserteren. Het begon met het einde van Willem Drees in 1958, een belangrijke cesuur in de naoorlogse geschiedenis. De consumptiemaatschappij kreeg vrijere teugels. De markt werd gevarieerder. De onderdanen gingen zich burgers voelen. Na deze economische metamorfose moest een culturele omwenteling volgen. Een vrije markt had immers ook vrijere mensen nodig. Dat was in wezen een liberaal idee. Maar de individuele mens werd wel geacht zich tot wel levend wezen te ontplooien om het uitkomen van het principe the winner takes all en onbeheersbare maatschappelijke tegenstellingen te voorkomen. Aldus werd het onderliggende liberale project met sociaal pleisterwerk afgehecht. Het resultaat was dat een paar generaties zich in de jaren zestig/zeventig losrukten uit de ooit zo zorgzame zuilen en op eigen kracht maatschappelijke posities wisten te verwerven.

Waar gaat het nu om? Om het behoud van die toen verworven vrijheid, zonder dat het extra geld kost. Grof gezegd, aan de orde is de vervolmaking van de liberale hoofdzaak zonder de sociale kosten die de pijn drie decennia geleden hebben verzacht. Er wordt geen oude wijn in nieuwe zakken geschonken, maar nieuwe wijn in oude zakken.

In een democratische maatschappij is dat geen mals project. De kiezers hebben tenslotte ook zo hun wensen. Ze willen dat hun eigen oude belangen worden verdedigd tegen nieuwe belangen. Een idee of fundament – zo men wil, een ideologie – is derhalve geboden. Een eigentijds conservatisme biedt dat programma. Deze nieuwe conservatieven, al dan niet getooid met het epitheton «neo», mogen niet worden verward met klassieke conservatieven à la mr. J.L. Heldring. Ze zijn niet sceptisch over de maakbaarheid van de maatschappij, nee, ze willen een revolu tionair elan uitstralen. Het is geen toeval dat veel van deze revolutionaire conservatieven (revo-cons) kinderen van de jaren zestig/zeventig zijn. Ze kennen het vocabulaire van de strijd uit die tijd toen de bevrijding uit de christelijke of socialistische ketens op de agenda stond.

Neem bijvoorbeeld Ayaan Hirsi Ali, die afgelopen zondag als zomergast bij de VPRO een film liet zien waarvoor zij een welhaast gereformeerd ernstig script had geschreven dat, mede door de knallende zwepen, in beeld een sociaal-realistische vorm à la SIRE had gekregen. De boodschap van Submission is helder: de islam is repressief. «De hele moslimwereld zal over me heen vallen», wist Hirsi Ali vooraf. Zij wil desondanks met haar levensverhaal en haar verzet tegen het geloof de moslima’s in de hele wereld tot voorbeeld strekken. Deze «nieuwe provocatie», zoals NRC Handelsblad op voorhand in 36 punten wist te melden, had bovendien de politieke zegen gekregen van VVD-leider Jozias van Aartsen en vice-premier Gerrit Zalm, die ook van mening waren dat de vorm secundair was aan de inhoud van haar boodschap.

Deze opwinding vooraf klonk als wishful thinking, als een verlangen in de voetsporen te treden van Phil Bloom (ontkleed in een stoel met Trouw) in 1967. Maar de intensiteit ervan staat voor meer dan een ludieke uitdaging van machtige mannen met baarden en jurken. Het gaat om bevrijding van bovenaf. Als de simpele burger niet wil zien dat hij gevangen zit, moet hem dat worden ingepeperd. Dwang is daarbij een voor de hand liggend instrument. De sociaal-culturele staat is in de jaren zestig/zeventig namelijk ontspoord in een vrijblijvend mensbeeld. Hoofdschuldige? De PvdA.

De feiten spreken andere taal. Tussen hét huwelijk van Beatrix en Claus (1966) en dé inhuldiging van Beatrix (1980) zat de PvdA slechts vijf jaar (35 procent) in de regering, het latere CDA veertien jaar (100 procent) en de VVD negen jaar (65 procent). Wie met een kwalitatief oog naar de geschiedenis kijkt, komt tot vergelijkbare conclusies – namelijk dat de bouw van de verzorgingsstaat vooral werd gedragen door christen-democraten – zij het dat de PvdA door haar dominantie tijdens Drees in de jaren vijftig in dat geval meer verantwoordelijkheid droeg dan de VVD die tussen 1959 en 1973 op een al rijdende trein meereed. Maar deze feiten doen er nu niet meer toe. Waarom niet? Omdat zich in de periode tussen het neerhalen van de Muur en het opblazen der Twin Towers respectievelijk de moord op Pim Fortuyn wraakgevoelens tegen dé politiek hebben opgestapeld. Deze roaring nineties zijn eigenlijk belangrijker geweest dan de jaren zestig. De jaren negentig waren de voedingsbodem voor de grote desillusie. Bovendien is de schuldvraag in deze periode zoveel simpeler. Van 1989 tot 2002 was de PvdA continu aan de macht (100 procent), de VVD acht jaar (62 procent) en het CDA slechts vijf jaar (38 procent).

Binnen het kabinet-Balkenende heeft het CDA anno 2004 derhalve meer recht van spreken dan de VVD. De luidruchtigste revo-cons zijn niettemin in en rond de VVD te vinden. Daarvoor is een verklaring. De jaren negentig waren zo’n deceptie omdat ze een rechtstreeks gevolg waren van de jaren zestig/zeventig. De roaring nineties hebben de geest van de jaren zestig gematerialiseerd. Wat in de jaren zestig als idee vorm kreeg – het individu als maat der dingen – werd dertig jaar later rekening courant. Wat in de jaren zestig een ideaal was – de gemeenschap als sociale context voor ontplooiing – werd opgevat als een balans met debet en credit. De opbrengsten waren prettig en moesten intact blijven. De kosten werden gespendeerd aan mensen die dat niet verdienden en dienden te worden gereduceerd. Positieve impulsen maakten daarom plaats voor negatieve straffen. Met andere woorden: door een heilig geloof in financiële prikkels én correcties kreeg de individualisering, ooit vooral een waarde, steeds meer een prijs. Een beursanalist zou zeggen: Bad money drives out good money. En dat zette kwaad bloed.

Sinds 2001/2002 hebben de wrok en wroeging hierover het klassieke bestuursmodel op zijn kop gezet. Besturen is «benoemen» geworden. Want wie problemen benoemt, beleeft een coming out. Benoemen is een variant op de taboejacht waaraan we ons dertig jaar geleden laafden in een poging alle geheimen van de mens op te heffen en de maatschappij maakbaar te maken.

Dit «benoemen» is echter meer dan een poging tot de emancipatoire waarheidsvinding waarmee Hirsi Ali onverschrokken bezig is. Het is ook onderdeel van een heuse machtsstrijd om posities, vooral in openbaar bestuur en media. De media horen meer en meer bij het publieke domein, ook als ze commercieel en dus privaat opereren. De kritiek op met name het NOS-Journaal afgelopen jaren was geen uiting van onvrede over die tergend jofele berichtgeving maar een protest tegen «his master’s voice». Ze was onderdeel van de stormloop op het establishment, op de prelaten van de «linkse kerk» die met de «linkse journalistiek» gemene zaak maakten. Omdat het NOS-Journaal de ernst daarvan niet zag, heeft de redactie zichzelf nu zodanig in de nesten gewerkt dat er inderdaad koppen moeten rollen. Schnabbelende journalisten zijn zo oud als de Opregte Haarlemsche Courant van 1793. Maar dat presentatoren van de nationale omroep betaald uit publiek geld dagelijks met hun talking head gratis mogen solliciteren om buiten beeld en kantooruren de schoorsteen van hun BV’s te laten roken, stinkt. In juridische zin is Gijs Wanders misschien niet corrupt, het morele verwijt kan hij niet pareren.

De argeloze arrogantie van het NOS-Journaal is daarom zo belangrijk omdat de handel en wandel van Wanders en andere publieke televisiepresentatoren paradoxaal genoeg lijkt op een andere maatschappelijke trend: de machtsambities van een, naar Nederlandse maatstaven, onbekend type ondernemer. In de jubelende jaren negentig heeft een nieuw slag zakenman de kop opgestoken: de entrepreneur die het succes aan zichzelf heeft te danken en zijn tegenslag aan anderen wijt, aan dé politiek bij voorkeur. Dat is op zichzelf geen nieuws. Ware het niet dat er iets is veranderd. De nieuwe zakenman met politieke ambities is middenstander noch industrieel, directeur noch manager. Hij is een loner, altijd haaks op de branding, een beslisser, nooit bang voor de behoudende remmers om hem heen. Op machtsposities in het openbaar bestuur hebben de nieuwe zakenmannen tot nu toe nog weinig laten zien. Buiten Rotterdam is er nog niet één wetsontwerp van hun hand gepasseerd. Ze weerspiegelen desondanks een diep verlangen naar amateuristische politiek, naar een publiek domein dat zich niet laat leiden door het algemeen kiesrecht (met one man, one vote). Ze vertolken een aristocratische opvatting over democratie. Het maaiveld moet een toontje lager zingen. Het podium dient te worden bezet door de «besten», niet de besten qua afkomst maar qua prestaties. Niemand zegt het openlijk, maar in wezen komt dit neer op een herwaardering van het census kiesrecht. Nederland is in deze redenering geen maatschappij opgebouwd uit verschillende sociale gemeenschappen, maar een «merk» dat in de markt moet worden gezet om te renderen. De liberale en commer ciële erfenis van de jaren zestig respectievelijk negentig is toe aan de volgende stap.

De eenzame entrepreneur staat voor de mens die risico’s wil nemen, die eigen baas is, die de overheid ziet als dienstenloket en die besluitvaardig is als anderen besluiteloos ronddobberen. Kortom, hij staat voor de unieke leidersmoed die de gemiddelde laffe Nederlander ontbeert en wentelt zich in de leiderschapscultus die dagelijks via de televisie wordt geëerd. Natuurlijk, leiders zijn van alle tijden. Maar zelden is de leider zo losgeweekt uit zijn sociale omgeving. We hunkeren naar politieke leiders die niet luisteren maar spreken (mits de tekst ons bevalt, anders verwijten we ze dat ze niet luisteren), die van boven richting geven en beslissingen nemen, kortom, naar leiders die de gemeenschap runnen als een private onderneming. De privatisering van de staat raakt daarom steeds meer op stoom.

We kunnen daarover verheugd zijn of bezorgd. Het doet er allemaal niet toe. Wat er wél toe doet is dat deze opvatting haaks staat op een aantal diepere trends die zich niet zo simpel laten verzoenen door een ééndimensionale ideologie.

De voortgaande globalisering bijvoorbeeld heeft geleid tot tegen stellingen die zich niet louter manifesteren langs de as tussen Noord en Zuid maar zich ook in Nederland zelf hebben genesteld. Sinds eind negentiende eeuw heeft het kapitaal (voor de goede orde, ik bedoel kapitaal en niet kapitalisme) zich nog nooit zo vrij over de wereld kunnen bewegen. Dat die belle epoque is uitgemond in een kladderadatsch is voer geworden voor historici. Want history is bunk. Iedereen moet zich aanpassen aan de nieuwe mondiale normen. Niemand kan ontkomen aan de uniformering van de wereld. Zij die dat proberen, zullen, desnoods gewapenderhand, het onderspit moeten delven. Want wie voor terreur zwicht…

Dat laatste klopt. Maar dat betekent nog niet dat iedereen kosmopoliet kan of wil zijn. Het wereldburgerschap is slechts de elite gegeven. De rest heeft weinig andere keus dan zich terug te trekken met een enkele reis provincie. De Nederlandse regering veinst dat deze tegenstelling is te overbruggen. Enerzijds is ze bezig met een sociale hervorming die Nederland gereed moet maken voor de volgende mondiale concurrentieslag. De Chinezen hijgen ons in de nek. Anderzijds voert ze een beleid dat leidt naar polderprotectionisme. Diezelfde Chinezen mogen niet hierheen komen. Voor de gewone middenklasser in Nederland maakt die dijk bewaking geen bal uit. Ook als de Chinezen thuis blijven – hetgeen op korte termijn geruststellend is en electoraal voordelig – dreigt gevaar: de modale mens laat zich niet in een handomdraai verbouwen, zelfs niet als dit doel wordt uitgedragen door politici die de mens willen beschermen tegen vreemde geurtjes.

Aldus wordt de pretentie van maakbaarheid in stand gehouden, in de eerste plaats door de nieuwe VVD, al heeft ze ook in het CDA en de PvdA haar vaandeldragers. Dit maakbaarheidsideaal is niet zonder risico. Het ontkent niet alleen de mondiale spanningen maar ook een nieuwe nationale verhouding: die tussen individu en collectief. Steeds meer burgers bewegen zich vooral in sociale netwerken als die dienstbaar zijn. Niet dat ze a-sociaal en egocentrisch zijn – in deze categorieën is er niets nieuws onder de zon – maar collectief engagement is allengs minder nuttig geworden. In een netwerkmaatschappij is de gemeenschap onder geschikt aan de belangen van de dag. Een gemeenschap is, door de noodzaak om samen door één deur te kunnen, per definitie traag. Een netwerk daarentegen heeft het tempo van een markt. En moet dus altijd snel, sneller, snelst draaien. Gevolg: alom en altijd onzekerheid, die het openbaar bestuur niet kán opheffen.

Dit verschil heeft uiteindelijk politieke repercussies voor het vertrouwde spectrum van links naar rechts. Het spectrum is zozeer van kleur verschoten dat er geen touw meer aan vast is te knopen. Er zijn minstens drie spectra met een veelvoud aan kleur schakeringen.

Ten eerste: revolutionair conservatieve daadkracht versus reformis tisch ploeteren volgens het principe trial and error. Het eerste heeft geen aandacht voor de contra-indicaties van het beleid, het laatste verliest zich er juist in. Een voorbeeld. Minister Hans Hoogervorst (VVD) werkt aan een nieuw zorgstelsel dat marktconform is, waarna het CDA moet knokken voor allerlei financiële compensaties voor de minvermogenden bij de achterdeur en daarbij niet op voorhand kan rekenen op de PvdA.

Ten tweede: open contra gesloten. De wetmatigheid dat mensen het geld achterna gaan, eerder dan omgekeerd, wordt beantwoord met grenzen. Zelfs binnen fort Europa worden kleine subfortjes gebouwd. Staatssecretaris Mark Rutte (VVD) wil bijvoorbeeld het vaderlandse onderwijs afsluiten voor buitenlanders en ouderen door hen niet toe te laten of meer te laten betalen. De kenniseconomie, die ons in de grote wereld moet redden, is vers twee. De PvdA zwijgt vooralsnog.

Ten derde: persoonlijke ontplooiing of collectieve dwang. Anders gezegd, hoeveel vertrouwen hebben we in het zelfcorrigerende ver mogen van het individu? Alle partijen zeggen dat zelfverwerkelijking het hoogste goed is, maar als puntje bij paaltje komt ligt het anders. De houding jegens de potentiële nieuwe arbeidsmigranten uit Oost- Europa spreekt boekdelen. De eenwording van Europa is bedoeld om de burgers ruimte te geven. Maar als ze die aan gene zijde van de Oder ook gaan nemen, gooien we de deur dicht.

Over drie weken slaan deze idealen en plannen weer neer in de begroting van het kabinet en de reacties van de oppositie. Het hoort bij de politieke formaliteiten. Maar het zou rond Prinsjesdag om iets anders moeten gaan. Hoe moeilijk het ook is een afgeronde diagnose te stellen, een poging tot prioriteiten:

De rechtsstaat. Over het woord zelf bestaat consensus. Wie is er tegen de rechtsstaat? Althans, wie durft daarvoor uit te komen? Te pas en te onpas wordt daarom de Verlichting erbij gesleept. De Verlichting als de kern van het humanistische Westen, als voorbode van de scheiding tussen kerk en staat, kortom, als voertuig voor de overwinning van de democratische stadsmens. Het is allemaal half waar of half onzinnig. Zoals de Britse politicoloog en filosoof John Gray het eerder dit jaar in De Groene Amsterdammer formuleerde: «Mijn kritiek op de Verlichting is gericht tegen Europese en Amerikaanse denkers die er een seculiere religie van hebben gemaakt, inclusief een geloof in verlossing door de Geschiedenis.» Dat wil niet zeggen dat we de Verlichting maar beter kunnen vergeten. Eén aspect ervan is in de naoorlogse jaren behoorlijk waardevol geweest voor de burgervrede: de verhouding tussen doel en middel. Juist die dreigt nu zoek te raken. Het begrip «terrorisme» schraagt hier de consensus. Wie «fundamentalisme» zegt, heeft een voorsprong. Wie beweert dat het doel kan worden herkend aan de middelen, ook in het verlichte Westen, moet er rekening mee houden voor defaitistisch te worden versleten. Dat is geen reden voor cynisme (waar gehakt wordt, vallen spaanders) of paranoia (de dictatuur staat voor de deur), maar noopt juist tot een nieuwe sterkte-zwakte-analyse van de rechtsstaat. De zwakte is dat de burger het recht niet meer a-priori aanvaardt en soms meer vertrouwen heeft in eigenrichting. De kracht is dat diezelfde burger meestal nog altijd bij de staat aanklopt voor zijn eigen recht. Maar dan moet diezelfde burger wel een reële kans hebben dat recht te krijgen. De gestage disciplinering van de rechterlijke macht en staande magistratuur, waaraan minister Piet Hein Donner (CDA) werkt, zal daaraan hoogstwaarschijnlijk weinig bijdragen.

Gelijkheidsbeginsel. Als iedereen voor de wet gelijk is, wil dat niet zeggen dat iedereen voor de ander gelijk is. Primair betekent het gelijkheidsbeginsel dat iedereen voor de overheid gelijk is en dat het publieke gezag daarnaar moet handelen. Dat veronderstelt dat de overheid als eerste en als laatste het gelijkheidsprincipe in ere moet houden, dat ze de norm bewaakt ook als die in het gewone menselijke verkeer een illusie is. Helaas. Afgelopen vrijdag stemde het kabinet in met een wet van minister Rita Verdonk (VVD) om de burger met een dubbele nationaliteit die «ernstige schade toebrengt aan de essentiële belangen van de staat» het Nederlanderschap te ontnemen. Als ik me aan terrorisme schuldig maak, beland ik in de bajes van Vught. Als mijn vrouw dat doet wordt ze daarna ook nog via Schiphol uitgeleverd om nooit meer te mogen terugkeren. Dit onderscheid is geen Ausburgerung, zoals het indertijd in de DDR heette, maar is wel een stap op weg naar verder gemorrel aan een grondbeginsel.

De keerzijde van het gelijkheidsprincipe is dat niet iedereen gelijk is. Dat wil zeggen dat de overheid geen gelijk mensbeeld moet opdringen. Nu even niet over multiculturaliteit, integratie of assimilatie. Een ander voorbeeld. Het onderwijsbeleid ontkent dat er verschillende soorten talenten zijn, dat er hoofdarbeiders en handwerkers bestaan. Omdat daarvoor jarenlang de ogen gesloten zijn geweest – druk als we zijn met de onderwijsvrijheid in artikel 23 en met dank aan PvdA en CDA – is de ambachtschool ter ziele, is het vmbo vlees noch vis, dreigt de havo de mavo als werkloosheidsopleiding te volgen en zoeken lycea en gymnasia naar kansen zich te privatiseren. Die zogeheten centers of excellence aan de top zijn leuk. Maar de verheffing van al die centra van potentiële ambachtelijkheid in de lagere regionen is eigenlijk veel belangrijker.

Bureaucratie. Het woord zelf daagt nagenoeg iedereen uit lippendienst te bewijzen aan de algemene afkeer van ambtelijke molens en loketten. Het is vooralsnog louter politieke retoriek. Bij elke stap om de stroperige staat te dereguleren en ontmantelen, wordt de bureaucratie juist sterker. En wel omdat ze zich steeds in andere kleren hult. De vraag is niet hoeveel commiezen en referendarissen er op de loonlijst van de staat staan, maar hoeveel verzelfstandigde bureaucratische instellingen zich bezighouden met publieke taken zonder publieke verantwoording af te leggen. Deze grijze bureaucratie, die van de staat noch van de markt is, wordt intussen wel betaald door de middenklasse, de enige sociale groep die geen kant uit kan omdat ze welhaast fysiek is gebonden aan het territorium van de natie. Als hieraan geen einde komt – en daar ziet het niet naar uit, daaraan helpt ook geen plan van de PvdA om lakse bestuursorganen voortaan een boete te laten betalen aan bedrogen burgers – is de ellende niet te overzien. Verlaat de middenklasse de staat, dan is de democratie in het geding.

Sanctie en beloning. Dat de staat een straffende staat is en moet zijn, wordt alleen door anarchisten ontkend. Dat de staat niet per se een verzorgende staat hoeft te zijn omdat die keuze geen principiële is maar een praktische – hoeveel middelen zijn er beschikbaar – daarover is elk meningsverschil denkbaar. Het monopolie op geweld en geld brengt nu eenmaal sancties met zich mee. Pas als er geld overblijft, kunnen er leuke dingen worden gedaan. Maar sancties zonder beloning zijn geen sancties. Dan wordt de staat louter een wrekende staat die zijn gezag niet meer op morele kracht kan stoelen. Een overheid die mensen, op straffe van sancties, verplicht tot onderwijs en integratie, moet ook een beloning bieden. Wie keurig zijn best doet en tot slot merkt dat dit goede gedrag weinig oplevert omdat bijvoorbeeld de arbeidsmarkt is georganiseerd als een gilde, de overheid geen sjoege geeft en de Raad van State het kartel ook nog dekt, beschouwt het bordeauxrode paspoort alleen nog als reisdocument.

Het is allemaal misschien wat veel gevraagd. Het initiatief ligt momenteel bij de revo-cons. Dat is simpelweg een kwestie van macht. De laatste politieke barometer van 27 augustus, dat wil zeggen van na de ineenstorting van de LPF – 67 zetels voor de regeringspartijen en 74 voor de drie vermeende «linkse» oppositiepartijen – betekent niets. De politiek zal zich meer en meer buiten de electorale oevers bewegen. Dát is het verschil tussen nu en toen. Indertijd waren de regerende partijen vooral bezig met «schikken en plooien», zoals James Kennedy, hoogleraar geschiedenis aan de Vrije Universiteit, schreef in zijn Nieuw Babylon in aanbouw (1995), en werden de Gründerjahre van de jaren zestig pas gepolitiseerd tijdens het kabinet-Den Uyl. Thans is het omgekeerd. De regering heeft tabak van schikken en plooien. De regering bepaalt de agenda. Actie is het parool.

Er staat nagenoeg niets tegenover. CNV-voorzitter Doekle Terpstra vroeg zich onlangs af (in De Groene Amsterdammer van 14 augustus) of hij niet moet opstappen als zijn leden rustig thuis afwachten. Ach, spandoeken en megafoons: het zijn nutteloze instrumenten geworden. Er bestaan geen win-win-situaties meer, zoals revo-con Geert Wilders (VVD) zo graag suggereert. Het is nu verstandiger om vast te stellen wat wel en wat niet verloren mag gaan. Want uiteindelijk bepalen de winnaars misschien de geschiedenis, het zijn de verliezers die het slagveld vorm geven. Om die chaos voor te zijn moet eerst de interpretatie van recht en vrijheid, van staat en burger, van gelijkheid en verschil worden aangedraaid. Daarna is er nog voldoende tijd voor een potje ruzie over de centen.